Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN5113

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
200.017.584-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV1522, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV1522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tot betaling van leveringen aan Irakese onderneming heeft bank door middel van vier Letters of Credit onherroepelijk documentair krediet geopend. Onder drie van de L/C’s zijn wissels getrokken; bank heeft deze geaccepteerd, en daarmee verschuldigdheid erkend.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19-06-1980 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2011/9
S&S 2011/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZEVENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOLVOCHEM HOLLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam,

t e g e n

de rechtspersoon naar buitenlands recht

AL RAFIDAIN BANK,

gevestigd te Bagdad (Irak),

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.N. Tzankova te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna Solvochem en Rafidain Bank genoemd.

Bij dagvaarding van 26 juni 2008 is Solvochem in hoger beroep gekomen van een verzetvonnis van de rechtbank te Amsterdam van 4 juni 2008, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 319196 / HA ZA 05-1837 gewezen tussen haar als gedaagde in oppositie en Rafidain Bank als eiseres in oppositie.

Bij memorie van grieven heeft Solvochem vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, haar eis aangevuld met een subsidiaire grondslag, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog haar vordering toewijst, met veroordeling van Rafidain Bank in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, waaronder ten laste van Rafidain Bank gelegd conservatoir derdenbeslag.

Bij memorie van antwoord heeft Rafidain Bank bij wijze van preliminair verweer een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van Solvochem in haar vordering, de grieven bestreden, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Solvochem in de kosten van – naar het hof begrijpt – het hoger beroep.

Partijen hebben daarop hun zaak schriftelijk doen bepleiten door overlegging van pleitnotities.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.20, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt.

Grief I klaagt dat de rechtbank de inhoud van de in geding zijnde Letters of Credit (hierna: L/C’s) niet volledig heeft weergegeven. De grief faalt omdat het de rechtbank vrij stond de desbetreffende producties van Solvochem weer te geven voor zover zij dat nodig oordeelde om tot haar beslissing te komen.

Omtrent de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten bestaat geen geschil zodat die feiten ook in hoger beroep vast staan.

4. Beoordeling

4.1 Rafidiain Bank heeft onder 12 van haar memorie van antwoord Solvochem uitgenodigd om bij akte een (cessie)overeenkomst en/of een procesvolmacht over te leggen, waaruit genoegzaam blijkt dat zij bevoegd is de onderhavige procedure (mede) ten behoeve van een derde te voeren, met conclusie dat Solvochem bij gebreke daarvan niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Rafidain Bank heeft echter geen concrete feiten gesteld waaruit blijkt dat Solvochem de onderhavige procedure ten behoeve van een derde voert. Waar Solvochem dat bovendien gemotiveerd betwist, is er geen grond om van haar te verlangen dat zij een (cessie)overeenkomst en/of procesvolmacht overlegt op straffe van haar niet-ontvankelijkheid. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van Solvochem in haar vordering wordt daarom als ongegrond verworpen.

4.2 Solvochem heeft in de jaren 1987 en 1988 chemische grondstoffen verkocht en geleverd aan de Irakese onderneming Modern Paint IND. Tot betaling hiervan heeft Rafidain Bank in opdracht van Modern Paint IND door middel van vier L/C/’s onherroepelijk documentair krediet geopend. Bij vier afzonderlijke aanbiedingsbrieven heeft Rafidain Bank aan thans ABN AMRO Bank N.V., filiaal Rotterdam, (hierna ABN AMRO) verzocht om Solvochem van de condities van de desbetreffende L/C’s in kennis te stellen. In de volgorde waarin Solvochem de aanbiedingsbrieven aan ABN AMRO in het geding heeft gebracht, zijn de L/C’s gegarandeerd tot:

1. L/C nummer (…)30336 USD 173.250,-;

2. L/C nummer (…)28121 USD 457.500,-;

3. L/C nummer (…)28122 USD 100.900,-; en

4. L/C nummer (…)28123 NLG 102.500,-.

4.3 De datum van opeisbaarheid van de verbintenissen van Rafidain Bank onder de L/C’s is telkens bepaald op een tijdstip variërend van 360 dagen (L/C (…)30336) tot 720 dagen (de andere drie L/C’s) na de datum van de desbetreffende Bill of Lading. Verder is het gegarandeerde bedrag van L/C (…)30336 exclusief rente, zijn de gegarandeerde bedragen van de L/C’s (…)28121 en (…)28122 per datum opeisbaarheid met inbegrip van 7% rente per jaar en is het gegarandeerde bedrag van L/C (…)28123 per datum opeisbaarheid met inbegrip van 5% rente per jaar. Op de L/C’s zijn de UCP 400 (Uniform Customs and Practices for Documentary Credits – 1983 Revision) van toepassing verklaard.

4.4 Solvochem heeft tevergeefs aanspraak gemaakt op betaling door Rafidain Bank onder de L/C’s. Tot verzekering van haar vordering uit de L/C’s heeft zij op 23 en 29 december 2003 conservatoir derdenbeslag doen leggen op tegoeden van Rafidain Bank bij een zestal Nederlandse banken.

4.5 Solvochem vordert in deze zaak de veroordeling van Rafidain Bank tot betaling onder de L/C’s van USD 731.089,60 en € 46.438,- met rente en kosten, waaronder een bedrag van € 6.500,- voor buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het beslag. Die vordering (met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten) is door de rechtbank bij vonnis van 12 januari 2005 (aanvankelijk abusievelijk gedateerd 12 januari 2004 en hersteld bij vonnis van 9 februari 2005) bij verstek toegewezen.

4.6 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank het verzet van Rafidain Bank gegrond geoordeeld en is Rafidain Bank ontheven van haar veroordeling bij verstek. Tegen dat oordeel en de gronden waarop het berust, komt Solvochem op in hoger beroep. Met haar grieven II tot en met V betoogt Solvochem, kort gezegd, dat haar vordering alsnog (geheel) moet worden toegewezen. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

4.7 Het eerste punt van geschil ziet op de vraag of Solvochem genoegzaam heeft aangetoond dat zij - naar zij stelt maar Rafidain Bank betwist – de onder de L/C’s voorgeschreven documenten tijdig en volledig heeft aangeboden. Het hof beantwoordt die vraag wat betreft L/C (…)30336 ontkennend en wat betreft de andere drie L/C’s bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.8 De aanbiedingsbrieven van de L/C’s bepalen alle vier dat de vereiste documenten vergezeld moeten gaan van een door Solvochem aan eigen order op Rafidain Bank getrokken wissel. Solvochem heeft kopieën van vier aan haar order getrokken wissels in het geding gebracht: wissel 1) is op 7 oktober 1987 getrokken onder L/C (…)28121 voor een bedrag van USD 182.981,70 met betaalbaarstelling per 13 september 1989; wissel 2) is op 19 november 1987 getrokken, eveneens onder L/C (…)28121, voor een bedrag van USD 274.390,20 met betaalbaarstelling per 31 oktober 1989; wissel 3) is op 16 oktober 1987 getrokken onder L/C (…)28122 voor een bedrag van USD 100.566,90 met betaalbaarstelling per 4 oktober 1989 en wissel 4) is op 16 oktober 1987 getrokken onder L/C (…)28123 voor NLG 102.336,- met betaalbaarstelling per 4 oktober 1989. Bij brief van 7 december 1987 (door Solvochem bij memorie van grieven in het geding gebracht) heeft Rafidain Bank aan ABN AMRO geschreven: “At your request per your telex of 20/11/87, we inclose herewith the drafts drawn under the cited L/CS [te weten: (…)28121, (…)28122 en (…)28123] dully accepted by us and ask you please to return them to us 15 days before its maturity date of each.”

4.9 Dat Solvochem deze brief eerst bij memorie van grieven in het geding heeft gebracht, is geen grond om haar buiten beschouwing te laten, ook niet indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat Solvochem al in eerste aanleg met die brief bekend was of behoorde te zijn. Het hoger beroep strekt immers mede tot herstel van verzuimen in de eerste aanleg en die strekking is niet beperkt om redenen die Rafidain Bank heeft aangevoerd. De subsidiaire stelling van Rafidain Bank, dat Solvochem vanwege het feit dat zij bedoelde brief eerst bij memorie van grieven in het geding heeft gebracht moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, ongeacht de uitkomst daarvan, vindt geen steun in het recht en wordt daarom eveneens verworpen.

4.10 Rafidain Bank heeft verder geen verweer gevoerd tegen bedoelde brief, zodat op grond van de hiervoor aangehaalde bewoordingen moet worden vastgesteld, dat Rafidain Bank de op haar onder de drie genoemde L/C’s getrokken wissels heeft geaccepteerd en dat het daarbij – want niet in geschil - om de vier hiervoor onder 4.8 besproken wissels gaat die door Solvochem in het geding zijn gebracht.

4.11 Het feit dat Rafidain Bank de wissels heeft geaccepteerd, kan niet anders worden uitgelegd dan dat zij de verschuldigdheid van de daarop gestelde bedragen onder de desbetreffende L/C’s heeft erkend. Daarmee moet het ervoor worden gehouden dat Solvochem de onder die L/C’s voorgeschreven documenten tijdig en volledig heeft gepresenteerd, althans dat Rafidain Bank zich tot verweer niet op het tegendeel kan beroepen.

4.12 Het verweer van Rafidain Bank dat Solvochem niet tijdig de voorgeschreven documenten heeft gepresenteerd, slaagt echter wat betreft L/C (…)30336. Weliswaar heeft ABN AMRO met betrekking tot deze L/C bij brieven van 1 juli 1992 en 11 april 2002 (producties 15 en 16 van Solvochem in eerste aanleg) aan Solvochem medegedeeld, dat op 14 september 1988 documenten zijn ontvangen tot een bedrag van USD 173.151,-, maar Solvochem heeft ten aanzien van L/C (…)30336 geen door haar getrokken wissel (of andere documenten) overgelegd waaruit blijkt dat zij (ook) de onder die L/C voorgeschreven documenten tijdig en volledig heeft gepresenteerd. Een verklaring van Rafidain Bank met de strekking dat Solvochem dit wel heeft gedaan en dat Rafidain Bank de desbetreffende documenten heeft geaccepteerd, ontbreekt (anders dan bij de andere L/C’s). De brieven van ABN AMRO houden geen mededeling van Rafidain Bank in en brengen evenmin mee dat Solvochem erop mocht vertrouwen dat Rafidain Bank ten aanzien van L/C (…)30336 tot uitbetaling zou overgaan. Feiten die dit anders maken, zijn door Solvochem niet genoegzaam gesteld. Daarbij is van belang dat Rafidain Bank ABN AMRO niet heeft verzocht om als confirmerende bank op te treden, zoals blijkt uit de betrokken aanbiedingsbrief: “without adding your confirmation (…)” en dat ABN AMRO in haar eigen berichten aan Solvochem – zoals zij dat ook met betrekking tot de drie andere L/C’s heeft gedaan – telkens duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij geen eigen verbintenis tot betaling op zich heeft genomen. Het moet Solvochem dus in ieder geval steeds duidelijk zijn geweest dat niet ABN AMRO maar Rafidain Bank haar wederpartij was onder de L/C’s.

4.13 Ook het aanbod van het Irakese Ministerie van Financiën van 9 februari 2006 om 10,25% van de desbetreffende vordering van Solvochem te voldoen, levert geen toereikend bewijs op van de stelling van Solvochem dat zij de onder L/C (…)30336 voorgeschreven documenten tijdig en volledig aan Rafidain Bank heeft aangeboden. Dat Solvochem in het kader van het betrokken Reconciliation Offer haar vordering met bewijsstukken heeft onderbouwd en dat het Irakese Ministerie van Financiën die onderbouwing kennelijk - ook wat betreft L/C (…)30366 – toereikend heeft geoordeeld, maakt dat niet anders. Gesteld is noch gebleken welke bewijsstukken Solvochem daartoe heeft gepresenteerd en gesteld is noch gebleken dat de daarop gegeven beslissing van het Irakese Ministerie van Financiën aan Rafidain Bank kan worden toegerekend.

4.14 Het voorgaande betekent dat de vordering van Solvochem onder L/C (…)30336 als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar is. De subsidiaire grondslag dat Rafidain Bank bij niet-betaling onder deze L/C ongerechtvaardigd zou worden verrijkt en uit dien hoofde tot betaling aan Solvochem zou zijn gehouden, leidt niet tot een ander oordeel: uit de niet-betaling door Rafidain Bank onder L/C (…)30336 volgt immers niet dat zij tot het betrokken bedrag is verrijkt, maar slechts dat Rafidain Bank in zoverre geen vordering – wegens een verstrekt krediet – op Modern Paint IND heeft verkregen.

4.15 Wat betreft de andere drie L/C’s is een volgend punt van geschil het toepasselijke recht. Rafidain Bank betoogt dat de vordering van Solvochem onder die L/C’s een zuivere wisselvordering is, die op grond van het op wisselvorderingen toepasselijke Geneefse verdrag van 1930 wordt beheerst door Nederlands recht, met conclusie dat de vordering op grond van art. 3:307 BW is verjaard. Dat betoog kan echter niet als juist worden aanvaard. De verhouding tussen Solvochem als trekker van de wissel en Rafidain Bank als betrokkene wordt beheerst door de vordering van Solvochem op Rafidain Bank uit de desbetreffende L/C. De vordering van Solvochem is immers gebaseerd op het door Rafidain Bank onder de L/C gestelde, althans te stellen, krediet. De wissel moet worden overgelegd om aanspraak te kunnen maken op nakoming door Rafidain Bank van haar betalingsverplichting uit hoofde van de L/C. Zij vormt niet de grondslag van de door Solvochem gevorderde betaling. Dat is telkens de L/C. De wisselrechtelijke rechtsbetrekking tussen Rafidain Bank en Solvochem doet hieraan niet af. Waar Solvochem haar vordering heeft gebaseerd op de L/C’s, dient – bij gebreke van rechtskeuze - het daarop toepasselijke recht te worden bepaald aan de hand van art. 4 EVO. Aangezien bij een L/C de betaling de kenmerkende prestatie is en de betaling moet worden uitgevoerd door Rafidain Bank, wordt de vordering van Solvochem op grond van art. 4, leden 1 en 2, EVO beheerst door Irakees recht als het recht van het land waar Rafidain Bank als de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar hoofdvestiging heeft. Al hetgeen Rafidain Bank heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat de vordering van Solvochem wordt beheerst door Nederlands recht stuit hierop af.

4.16 Solvochem heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat haar vordering wordt beheerst door de algemene verjaringstermijn van vijftien jaar van art. 429 van de Irakese Civil Code (No. 40 van 1951). Rafidain Bank heeft daar onvoldoende tegen ingebracht met de niet onderbouwde stelling dat onder Irakees recht de vordering van Solvochem wordt beheerst door een specifieke korte verjaringstermijn van de Irakese Commercial Code (Law No. 30 van 1984). Rafidain Bank heeft verzuimd de door haar bedoelde wettekst in het geding te brengen en ook anderszins is gesteld noch gebleken wat de voorwaarden zijn voor toepasselijkheid van bedoelde kortere verjaringstermijn, of zelfs maar wat de duur is van die termijn. Rafidain Bank betwist niet dat met inachtneming van een verjaringstermijn van vijftien jaar de vordering van Solvochem onder de L/C’s niet is verjaard, zodat het verjaringsverweer van Rafidain Bank – voor zover het de gevorderde hoofdsom betreft – als onvoldoende gemotiveerd moet worden verworpen.

4.17 Rafidain Bank heeft vervolgens tot verweer een beroep gedaan op overmacht vanwege het van 6 augustus 1990 tot 22 mei 2003 toepasselijke VN-Handelsembargo. Rafidain Bank heeft echter niet aangetoond dat dientengevolge sprake was van een “interruption of [haar] business” zoals art. 19 van de UCP 400 voor een geslaagd beroep op overmacht voorschrijft. Bovendien heeft Solvochem in dit kader tot verweer aangevoerd dat volgens vaste rechtspraak naar Irakees recht het VN-Handelsembargo op zichzelf genomen geen grond oplevert voor overmacht, hetgeen Rafidain Bank niet heeft weersproken. Tenslotte dateert het VN-Handelsembargo van na de op de wissels vermelde tijdstippen van opeisbaarheid van de verbintenissen van Rafidain Bank, zodat reeds op grond daarvan het beroep op overmacht als ongegrond moet worden verworpen.

4.18 Een volgend verweer van Rafidain Bank houdt in dat om diverse redenen, die aan Solvochem zijn toe te rekenen, de vordering van Solvochem onder de L/C’s op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, althans eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW, geheel of gedeeltelijk moet worden afgewezen, althans moet worden gematigd op de voet van art. 6:109 BW. Daargelaten dat Rafidain Bank zich klaarblijkelijk beroept op regels van Nederlands recht, terwijl de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de UCP 400 en overigens door Irakees recht, faalt het verweer omdat het zich niet verdraagt met een vordering tot nakoming als waar het hier om gaat. Gesteld noch gebleken is dat dat onder de UCP 400 en/of Irakees recht anders is.

4.19 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Solvochem onder de L/C’s (…)28121, (…)28122 en (…)28123 in beginsel toewijsbaar is. Het verweer van Rafidain Bank dat daarvan om redenen van rechtsgelijkheid en/of redelijkheid en billijkheid slechts overeenkomstig het Reconciliation Offer 10,25% voor toewijzing in aanmerking komt, wordt verworpen. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat het Solvochem vrij stond om het Reconciliation Offer niet te aanvaarden, zodat niet valt in zien op grond waarvan Rafidain Bank haar dat aanbod toch zou kunnen tegenwerpen. Verder is van een door de rechtsgelijkheid en/of redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsbetrekking tussen Solvochem en andere schuldeisers, die het Reconciliation Offer wel hebben geaccepteerd, waaruit zou volgen dat Solvochem gehouden is genoegen te nemen met betaling van 10,25% van haar vorderingen onder de L/C’s, niet gebleken.

4.20 Solvochem heeft tevens een wettelijke rente gevorderd van 7% vanaf de dag van opeisbaarheid van haar vordering, althans vanaf de dag van de inleidende dagvaarding in de verstekprocedure (19 mei 2004). Solvochem heeft met betrekking tot dit laatste percentage een beroep gedaan op art. 171 van de Irakese Commercial Code (ICC) waarvan zij de inhoud, door Rafidain Bank niet bestreden, heeft weergegeven in haar conclusie van antwoord in oppositie onder 32. Volgens die weergave houdt dat artikel in dat in geval van een vertraging in de voldoening van een geldsom in commerciële kwesties een rente verschuldigd is van 5%, en wel vanaf de dag dat de rente wettelijk wordt opgeëist, tenzij een overeenkomst of handelsgebruik een andere datum bepaalt, en dit alles voor zover een andere wettekst niet anders bepaalt.

4.21 Tegenover het verweer van Rafidain Bank heeft Solvochem onvoldoende onderbouwd dat zij recht heeft op een hogere rente dan 5% en evenmin dat Rafidain Bank die rente eerder verschuldigd is geworden dan vanaf de datum waarop Solvochem daarop in rechte - door de inleidende dagvaarding in de verstekprocedure – aanspraak heeft gemaakt. Zoals aangehaald onder 4.3, heeft Rafidain Bank zich tot de opeisbaarheid onder de L/C’s (…)28121 en (…)28122 verbonden tot een rente van 7% en onder L/C (…) 28123 tot een rente van 5%. Van een beding op grond waarvan Solvochem ná opeisbaarheid recht heeft op een rente van 7% blijkt daaruit evenwel niet. Het moet er daarom voor worden gehouden dat Solvochem naar Irakees recht aanspraak kan maken op een rente van 5%, zodat de rentevordering van Solvochem tot dat percentage toewijsbaar is.

4.22 Als overwogen bepaalt art. 171 ICC dat de rente verschuldigd is vanaf de dag dat de rente (volgens de door Solvochem gegeven Nederlandse vertaling) wettelijk wordt opgeëist, tenzij een overeenkomst of handelsgebruik een andere datum bepaalt. Deze bepaling noopt niet tot de gevolgtrekking dat de rente verschuldigd is vanaf de dag dat de betalingsverplichting uit de betrokken L/C opeisbaar is, zoals Solvochem het doet voorkomen (conclusie van antwoord in oppositie onder 32). Zonder verdere informatie over het Irakese recht, die ontbreekt, moet ervan worden uitgegaan dat de rente eerst, als subsidiair gevorderd, vanaf de dag van de inleidende dagvaarding in de verstekprocedure toewijsbaar is, nu een andersluidend(e) overeenkomst of handelsgebruik niet is komen vast te staan en de rente niet eerder dan door die dagvaarding in rechte is opgeëist. Het verjaringsverweer van Rafidain Bank ter zake de gevorderde rente gaat, naar het hof begrijpt, uit van een eerdere verschuldigdheid van de rente en kan reeds hierom niet slagen.

4.23 De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten is als ongegrond niet toewijsbaar, reeds omdat Solvochem niet heeft gesteld dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Het enkele feit dat Solvochem zich, naar zij stelt bij memorie van grieven onder 55, veel kosten (en moeite) heeft moeten getroosten om betaling van haar vordering te verkrijgen, is een onvoldoende onderbouwing van dit onderdeel van haar vordering.

4.24 Tenslotte heeft Rafidain Bank zich nog verzet tegen de door Solvochem gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, althans heeft zij verzocht om zekerheid in de vorm van een bankgarantie. Rafidain Bank heeft echter geen concrete feiten gesteld op grond waarvan een afweging van de belangen van partijen, in het licht van de omstandigheden van het geval, zou moeten resulteren in een afwijzing van de desbetreffende nevenvordering van Solvochem. Nu haar hoofdvordering ziet op een veroordeling tot betaling van een geldsom is haar belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad gegeven, terwijl uit de door Rafidain Bank ingeroepen feiten en omstandigheden niet blijkt dat zij een zwaarwegender belang heeft bij afwijzing daarvan. Evenmin heeft Rafidain Bank concrete feiten gesteld ter onderbouwing van het door haar gestelde restitutierisico, zodat daarvan niet is gebleken en derhalve onvoldoende grond is voor de gevraagde zekerheidsstelling.

4.25 Resumerend is het hoger beroep gegrond wat betreft de L/C’s (…)28121, (…)28122 en (…)28123 en faalt het wat betreft L/C (…)30336. De vordering van Solvochem is in beginsel toewijsbaar tot de bedragen vermeld op de desbetreffende wissels per saldo (USD 182.981,70 + USD 274.390,20 + USD 100.566,90 =) USD 557.938,80 en (NLG 102.336,-) € 46.438, te vermeerderen met een rente over die bedragen van 5% vanaf 19 mei 2004.

4.26 Rafidain Bank heeft in eerste aanleg en in hoger beroep geen hierboven niet reeds besproken verweren aangevoerd die tot een andere beoordeling kunnen leiden. Evenmin heeft Rafidain Bank ter betwisting van de vordering van Solvochem feiten aangevoerd die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Aan haar bewijsaanbod in eerste aanleg en in hoger beroep komt daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod wordt gepasseerd. Het bewijsaanbod van Solvochem wordt gepasseerd omdat het geen betrekking heeft op voldoende concrete feiten die kunnen leiden tot een andere beslissing van de zaak.

5. Slotsom

De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd voor zover de vordering van Solvochem daarbij is afgewezen. De vordering van Solvochem zal alsnog (deels) worden toegewezen als hierna in het dictum bepaald. Rafidain zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure in eerste aanleg en van het hoger beroep. Voor een veroordeling in de kosten van het beslag is geen grond, nu Solvochem heeft verzuimd de rechterlijke verloven en de beslagexploten over te leggen en dus niet kan worden vastgesteld dat de beslagen rechtsgeldig zijn gelegd.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover daarbij het verzet van Rafidain Bank tegen het verstekvonnis van 12 januari 2005, hersteld bij vonnis van 9 februari 2005, gegrond is verklaard;

vernietigt het bestreden vonnis voor al het overige; en,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Rafidain Bank om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan Solvochem te betalen USD 557.938,80 en € 46.438,-te vermeerderen met een rente over deze bedragen van 5% vanaf 19 mei 2004 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Rafidain Bank in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Solvochem gevallen, in de eerste aanleg op € 1.165,- vast recht en € 2.682,- voor salaris en in hoger beroep op € 71,80 kosten dagvaarding, € 5.981,- vast recht en € 7.790,- voor salaris;

wijst af hetgeen Solvochem meer of anders gevorderd heeft;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A.S. Arnold en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2010 door de rolraadsheer.