Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN5026

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
08/00978, 08/00979, 08/01128 en 08/01129
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof acht het vermoeden gerechtvaardigd dat in de taxi een KTO is ingebouwd. Belanghebbende heeft dit vermoeden niet ontzenuwd. De omstandigheid dat belanghebbende niet meer in staat was een onderzoek aan de taxi te laten instellen waarmee aangetoond had kunnen worden dat er nimmer een KTO was geplaatst, brengt niet mee dat het door de inspecteur geleverde bewijs ter zijde moet worden gesteld. De kilometeradministratie is alsdan niet betrouwbaar. IB over privé gebruik terecht nagevorderd en BPM en MRB (ex art 20 AWR i.p.v. art 76 MRB) terecht nageheven. Beroep op vertrouwensbeginsel verworpen. MRB-boete verminderd tot 10%. IB- en BPM-boete passend en geboden en door de rechtbank op grond van het tijdsverloop terecht gematigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 08/00978, 08/00979, 08/01128 en 08/01129

18 februari 2010

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

- de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn,

de inspecteur MRB,

tegen de uitspraken in de zaken met de kenmerknummers 07/7304 en 07/7305 van de rechtbank Haarlem van 28 augustus 2008 in het geding tussen

- [X],

wonende te [Z],

belanghebbende,

gemachtigden mr. H. Zobuoglu en M.L. Delzenne,

en

- de inspecteur MRB

en de hogere beroepen van

- belanghebbende

tegen de uitspraken in de zaken met de kenmerknummers 06/6475 en 06/6707 van de rechtbank Haarlem van 28 augustus 2008 in het geding tussen

- belanghebbende

en

- de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met betrekking tot de inkomstenbelasting 1999 (08/01129)

De inspecteur heeft met dagtekening 13 mei 2004 aan belanghebbende voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (verder ook navorderingsaanslag IB 99) berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 17.215 en bij beschikking een boete opgelegd van ƒ 1.503, zijnde 50% van het bedrag van de belastingaanslag, (de IB-99-boete).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 4 mei 2006, de navorderingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot ƒ 751, zijnde 25% van het bedrag van de belastingaanslag.

Bij uitspraak van 28 augustus 2008 (AWB 06/6707), verzonden op 2 september 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd tot ƒ 600,80 en de Staat gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.2. Met betrekking tot de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (08/01128)

De inspecteur heeft met dagtekening 14 mei 2004 aan belanghebbende over het tijdvak 15 april 1998 tot en met 14 april 2001 (verder ook: het BPM-naheffingstijdvak) een naheffingsaanslag betreffende de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (verder ook BPM) opgelegd van € 4.539. Ook is een boete vastgesteld van € 2.269, zijnde 50% van het bedrag van de belastingaanslag (de BPM-boete).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 26 april 2006, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 756.

Bij uitspraak van 28 augustus 2008 (AWB 06/6475), verzonden op 2 september 2008, heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de boete vernietigd, de boete verminderd tot € 302,60 en de Staat gelast belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.3. Met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting (08/00978 en 08/00979)

De inspecteur MRB heeft met dagtekening 21 juni 2004 aan belanghebbende een tweetal naheffingsaanslagen betreffende de motorrijtuigenbelasting (verder ook MRB) opgelegd over de tijdvakken 15 april 1999 tot en met 14 april 2000 en 15 april 2000 tot en met 14 april 2001(verder ook de MRB-naheffingsaanslagen).

De naheffingsaanslagen bedroegen € 1.168 en € 984. Ook zijn boeten vastgesteld van 100% van het bedrag van de belastingaanslagen (de MRB-boeten).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur MRB bij uitspraken, gedagtekend 21 september 2007 de MRB-naheffingsaanslagen gehandhaafd en de MRB-boeten verminderd tot 50% van het bedrag van de belastingaanslagen.

Bij uitspraak van 28 augustus 2008 (AWB 07/7304 en 07/7305), verzonden op 2 september 2008, heeft de rechtbank de tegen de uitspraken op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen vernietigd, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en de Staat gelast belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.4. Met betrekking tot de hogere beroepen

Tegen de onder 1.1. en 1.2. opgenomen uitspraken van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschriften van 10 oktober 2008, bij het Hof ingekomen op 13 oktober 2008, aangevuld bij brieven van 11 november 2008.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Tegen de onder 1.3. opgenomen uitspraken van de rechtbank heeft de inspecteur MRB hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 10 september 2008, bij het Hof ingekomen op 11 september 2008. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. Ter zitting zijn de hiervoor vermelde zaken gelijktijdig behandeld.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

Het Hof stelt de feiten vast zoals hierna opgenomen.

2.1.1. Belanghebbende is werkzaam als taxichauffeur in de regio Amsterdam. In de jaren dan wel de tijdvakken waarop de onderhavige belastingaanslagen betrekking hebben exploiteerde zij in verband van een vennootschap onder firma met de naam V.o.f. Taxi [abc] een taxibedrijf. Voor haar werkzaamheden maakte belanghebbende gebruik van een Opel Omega 2.0 I Station met het kenteken [AA-BB-00] (hierna: de taxi).

Het kenteken van de taxi stond met ingang van 15 april 1998 op naam van belanghebbende. Zij was de enige die van de taxi gebruik maakte. De cataloguswaarde van de taxi was ƒ 58.155. Aan de onderneming is het taxinummer [abc] toegekend.

2.1.2. Belanghebbende heeft met [D] Taxi Installateur (Inbouwbedrijf [D]) een afspraak gemaakt voor het verrichten van werkzaamheden aan de taxi.

2.1.3. Inbouwbedrijf [D] hanteerde een werkplaatsagenda. Tot de gedingstukken behoren afschriften van vele pagina’s uit de werkplaatsagenda betrekking hebbend op de jaren 1998 en 1999. Hiertoe behoren ook afschriften van bladzijden uit die agenda betreffende 24 maart 1998. Op de pagina betreffende 24 maart 1998 is - voor zover hier van belang – vermeld:

“[abc] 08 00 uur

Omega inbouw

alleen meter

nieuwe meter Tx 205

[123 4567890]

[06 12345678]”.

Tot de gedingstukken behoort voorts een kopie van de factuur van Inbouwbedrijf [D] gericht aan “taxi [abc]”, met factuurdatum 24 maart 1998, waarop het volgende - voorzover hier van belang - staat vermeld:

“OMSCHRIJVING PRIJS/STUK PRIJS

TAXAMETER INBOUW EXCL MATERIAAL 285.00 285.00

TAXAMETER TX 30 S

17722 955.00 955.00

1E FASE KEURING TAXAMETER INCL.ARB.LOON 125.00 125.00

2E FASE KEURING TAXAMETER INCL.ARB.LOON 200.00 200.00

inruil -200.00 -200.00

relais 15.00 15.00

17.5% B.T.W. over 1380.00 241.50

TOTAAL 1621.50”.

2.1.4. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een bladzijde uit het persoonlijk aantekenblok van een medewerker van Inbouwbedrijf [D] (hierna: de medewerker). Dit persoonlijk aantekenblok wordt in de gedingstukken ook wel omschreven als de ‘witte map’ (als hierna vermeld onder 2.1.5.). Hierin staat onder meer vermeld:

“24/3/98 [abc] omega oud model tijd 2” (het cijfer 2 is omcirkeld).

2.1.5. Tot de stukken behoort een proces-verbaal van verhoor van de medewerker, opgemaakt op 6 december 2000 en opgenomen als onderdeel 5 van bijlage 16 bij het verweerschrift in eerste aanleg betreffende de BPM. In dit proces-verbaal is, voor zover van belang, opgenomen:

“De witte map hoort bij mijn werk. Om precies te zijn is de map van mijn vriendin en de aantekeningen zijn van werk.

De aantekeningen die erin zitten gaan onder andere over door mij ingebouwde kilometerstandonderbrekers. Er zitten ook aantekeningen in over door mij ingebouwde taximeters maar het meer en deel van de aantekeningen gaat over de inbouw van kilometerstandonderbrekers.

Ik heb aangetekend wanneer, bij welk taxinummer, bij welk merk en type auto en in sommige gevallen op welke manier ik een kilometerstand onderbreker heb ingebouwd. Dit laatste heb ik vooral bij de wat ingewikkeldere gevallen gedaan. De eerste jaren heb ik alle inbouwen precies bijgehouden. Later is het gaan versloffen en heb ik niet meer iedere inbouw aangetekend.

U wijst mij op het feit dat er alleen kopieen van de aantekeningen in de map zitten. Ik kan u daarover zeggen dat het originele boekje weggeraakt is. Het boekje lag op mijn werk. Toen het boekje wat ouder werd heb ik de aantekeningen gekopieerd om ze duidelijk leesbaar te kunnen bewaren.

Ik heb deze aantekeningen ook gemaakt om klanten die problemen hadden met hun kilometerstandonderbreker goed te kunnen helpen.

U wijst mij op het feit dat de aantekeningen in verschillende handschriften opgetekend zijn. Dit is wel mogelijk maar ik denk dat de meeste aantekeningen door mij geschreven zijn.

Wij tonen de verdachte aantekeningen gedateerd: maart 1999.

U vraagt mij of het klopt dat ik in die maand twaalf onderbrekers heb ingebouwd. Dat klopt inderdaad. Ik hield in die tijd mijn aantekeningen nog goed bij.

U vraagt mij hoe afspraken met de klanten werden gemaakt.

Dat ging alsvolgt: Als de klant in de garage kwam of opbede om een afspraak te maken om een kilometerstandonderbreker in te bouwen vroeg ik wat voor auto de klant had. Dan kon ik zeggen of het wel of niet mogelijk was.

Als ik tijd had en de klant had tijd kon ik meteen inbouwen. Dit kwam echter niet vaak voor. Meestal maakte de klant met de garage een afspraak. Er was materiaal in huis om meteen een kilometerstandsonderbreker te maken.

(…)

Aan de hand van mijn aantekening van 3/3/99 kan ik het volgende vertellen:

(Noot verbalisanten:

Aantekening luidt: 3/3/99 III Omega oud type tijd:2?)

De datum is de datum waarop ik de kilometertelleronderbreker heb ingebouwd. Het drie- of vier-cijferige getal betreft het taxinummer. Vervolgens heb ik het merk of het type van auto genoteerd. De aantekening “tijd 2” geeft een bepaalde schakeling aan.

(...)

Mijn periode van het inbouwen loopt van december 1997 tot heden. Dat is ook de periode dat ik mijn aantekeningen bij hield.”

2.1.6. Een kilometertelleronderbreker (KTO) is een in een auto aangebracht schakelmechanisme waarmee de kilometerteller langs elektronische weg kan worden uitgeschakeld, zodat deze tijdens het rijden niet doortelt, dan wel waarmee de kilometerteller, die tijdens het rijden normaal blijft functioneren, na een of meer ritten kan worden teruggezet op de stand die op de teller stond vóór aanvang van die rit(ten). Het was (in ieder geval vanaf 1997) mogelijk een KTO van een afstandsbediening te voorzien.

2.1.7. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB over 1999 geen bijtelling privé gebruik auto aangegeven. Aan belanghebbende zijn teruggaven BPM verleend. Op verzoek van belanghebbende heeft de inspecteur MRB bij beschikking met ingang van 15 april 1998 voor de taxi vrijstelling van MRB verleend.

2.1.8. Bij het verweerschrift in eerste aanleg betreffende de BPM is als bijlage 5 een afschrift van 9 januari 2003 uit het bestand Houder- en voertuiginformatie gevoegd waarop staat vermeld dat belanghebbende op die datum nog kentekenhouder is.

Belanghebbende heeft de taxi verkocht op 16 februari 2003.

2.1.9. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 7 januari 2004 meegedeeld dat hij voornemens was bij haar een boekenonderzoek in te stellen. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 19 april 2004 en aan de inspecteur MRB gerenseigneerd.

In het rapport is het volgende vermeld met betrekking tot de inbouw van een KTO:

“Uit aan de Belastingdienst ter beschikking staande gegevens is gebleken dat in de auto met het kenteken [AA-BB-00] een kilometertelleronderbreker is ingebouwd (…). Mede omdat uit de beschikbare gegevens blijkt dat de kilometertelleronderbreker contant is aangeschaft en deze aankoop niet in de administratie is aangetroffen, is het aannemelijk dat de onderbreker is gebruikt”.

2.1.10. De inspecteur heeft naar aanleiding van het boekenonderzoek onder meer de onder ‘Ontstaan en loop van het geding’ opgenomen belastingaanslagen en boeten opgelegd. De inspecteur MRB heeft op basis van hetzelfde onderzoek de aldaar vermelde naheffingsaanslagen en boeten opgelegd.

2.2. Het geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil:

- of belanghebbende conform artikel 42, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) overtuigend heeft aangetoond dat de taxi in 1999 voor niet meer dan 1.000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt;

- of de taxi in het BPM-naheffingstijdvak geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer;

- of de taxi in het MRB-naheffingstijdvak geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer;

- of belanghebbende zich met betrekking tot de uitspraak op bezwaar betreffende de heffing van BPM terecht op het vertrouwensbeginsel beroept; en

- of de inspecteur - betreffende de IB, de BPM en de MRB - terecht en voor het juiste bedrag boeten heeft opgelegd.

2.3. Overwegingen van het Hof; plan van behandeling

Het Hof zal in 2.4. ingaan op de heffing van IB. In 2.5. en 2.6. komen de heffing van BPM en MRB aan de orde. Het beroep op het vertrouwensbeginsel zal in 2.7. worden behandeld. In 2.8. komen vervolgens de boeten aan de orde. In 2.9. wordt de slotsom betreffende het hoger beroep geformuleerd. Tot slot komt in 2.10. de proceskostenveroordeling aan de orde.

2.4. De heffing van inkomstenbelasting

2.4.1. Toepassing van de autokostenfictie blijft ingevolge artikel 42, vijfde lid, van de Wet achterwege als blijkt – dat wil zeggen als belanghebbende overtuigend aantoont – dat de taxi op jaarbasis niet meer dan 1.000 voor privédoeleinden is gebruikt. Een sluitende kilometeradministratie kan daarvoor als bewijsmiddel dienen, maar het bewijs kan ook op andere wijzen worden geleverd.

2.4.2. Blijkens de stukken bestaat de kilometeradministratie van belanghebbende uit maandlijsten die door haar worden opgesteld aan de hand van de per dienst door haar ingevulde rittenkaarten en een boekje waarin de datum en kilometerstand worden genoteerd als er is getankt. De rittenkaarten zijn door belanghebbende ingevuld aan de hand van de standen van de taxameter die steeds na afloop van een dienst handmatig op nul werd gezet.

2.4.3. Daargelaten wat er overigens zij van de kilometeradministratie van belanghebbende, is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid daarvan van primordiaal belang of de inspecteur geslaagd moet worden geacht in het – op hem rustende – bewijs van de aanwezigheid van een KTO in de taxi van belanghebbende.

2.4.4. Op grond van de door de inspecteur aangevoerde bewijsmiddelen acht het Hof aannemelijk dat vanaf omstreeks maart 1997 bij Inbouwbedrijf [D] op betrekkelijk grote schaal KTO’s werden ingebouwd in taxi’s. Belanghebbende heeft ook niet betwist dat bij Inbouwbedrijf [D] KTO’s werden ingebouwd.

2.4.5. Het Hof acht op grond van de tot de gedingstukken behorende stukken uit het strafrechtelijk onderzoek naar fraude met KTO’s, en in het bijzonder de verklaringen van de medewerker in het onder 2.1.5 opgenomen proces-verbaal van verhoor, het vermoeden gerechtvaardigd dat de aantekening “tijd ” gevolgd door een cijfer in het persoonlijke aantekenblok van de medewerker duidt op het aanbrengen van een bepaalde schakeling met betrekking tot een KTO.

Het Hof neemt gelet op het voorgaande tot uitgangspunt dat de aantekening “tijd” gevolgd door een cijfer in het persoonlijke aantekenblok van de medewerker betekende dat in de auto (taxi) van de desbetreffende klant een KTO was ingebouwd. Dit uitgangspunt acht het Hof in ieder concreet geval voor tegenbewijs vatbaar.

2.4.6. Naar blijkt uit de in 2.1.2. en 2.1.3. vermelde feiten, heeft belanghebbende door Inbouwbedrijf [D] op 24 maart 1998 werkzaamheden aan de taxi laten verrichten.

Door de medewerker is in zijn persoonlijk aantekenblok voor 24 maart 1998 genoteerd: “24/3/98 [abc] omega oud model tijd 2”. Nu deze aantekening “tijd” gevolgd door een cijfer in het persoonlijk aantekeningboekje van de medewerker in het algemeen betekent dat in de desbetreffende auto een bepaalde schakeling ten behoeve van een KTO is aangebracht en deze term ook in relatie tot de taxi van belanghebbende is gebruikt, acht het Hof in het onderhavige geval het vermoeden gerechtvaardigd dat ook in de taxi een KTO is ingebouwd.

2.4.7. Door belanghebbende is verklaard dat er geen KTO is ingebouwd in de taxi.

Het ontbreken van de vermelding ‘Div’ of ‘Diversen’ of de arcering bij de afspraak in de werkplaatsagenda op de datum 24 maart 1998 brengt echter naar het oordeel van het Hof niet mee dat er vanuit moet worden gegaan dat geen KTO is ingebouwd.

Het Hof acht het geenszins uitgesloten dat afspraken tot inbouw van een KTO ook kunnen zijn gemaakt zonder dat dit op die wijze in de werkplaatsagenda werd vermeld. In dit verband ziet het Hof ook geen aanleiding de inspecteur te gelasten een kopie van de bladzijde van de werkplaatsagenda van 3 maart 1999 (deze datum is genoemd in het onder 2.1.5 opgenomen proces verbaal) te overleggen. Dit omdat het Hof het niet doorslaggevend acht of er een koppeling is te maken tussen hetgeen is vermeld in de werkplaatsagenda en het persoonlijke aantekenblok van de werknemer. Voorts acht het Hof niet van belang dat bij de in het proces verbaal genoemde aantekening in de persoonlijk aantekenblok datum van drie maart 1999 de aanduiding tijd 2 gevolgd wordt door een vraagteken. Zoals is overwogen onder 2.4.5. neemt het Hof tot uitgangspunt dat de aantekening “tijd” gevolgd door een cijfer in het persoonlijke aantekenblok van de medewerker betekende dat in de auto (taxi) van de desbetreffende klant een KTO was ingebouwd. Daar is in casu aan voldaan.

2.4.8. Belanghebbende heeft in haar hoger beroepschrift aangevoerd dat onzorgvuldig handelen van de Belastingdienst afbreuk heeft gedaan aan haar bewijspositie. Volgens belanghebbende is niet tijdig het vermoeden van de inbouw van een KTO aan haar bekend gemaakt. Zij stelt dat als dit wel tijdig was gebeurd zij alsdan dit vermoeden had kunnen weerleggen. In haar pleitnota heeft belanghebbende deze stelling als volgt verduidelijkt:

“Cliënte heeft (…) niet gesteld dat een late uitspraak op bezwaar heeft bijgedragen aan de afbreuk van de bewijspositie van cliënte. Integendeel, cliënte heeft het volgende gesteld. Het proces-verbaal van het verhoor van de eigenaar van het werkblokje is opgemaakt op 6 december 2000. De Belastingdienst is echter pas in 2004 een boekenonderzoek gestart. Cliënte vraagt zich af waarom dit niet eerder is gebeurd maar pas na 4 jaar. Cliënte had dan een onderzoek kunnen laten uitvoeren aan haar auto waaruit zou blijken dat nimmer een kto is ingebouwd in haar auto. Het onzorgvuldig handelen van de Belastingdienst in deze dient dan ook voor rekening te komen van de Belastingdienst”.

De inspecteur heeft in reactie hierop gesteld dat nu de Belastingdienst voldoende gegevens heeft aangevoerd waaruit blijkt dat een KTO is ingebouwd het niet noodzakelijk is dat de auto ook daadwerkelijk zou moeten worden onderzocht op de inbouw van een KTO en dat de Belastingdienst niet onzorgvuldig handelen kan worden verweten.

Ter zitting heeft de inspecteur hieraan toegevoegd:

“De auto is 16 februari 2003 verkocht. Op 9 januari 2003 is door iemand van de Belastingdienst een print gemaakt van informatie uit het systeem waaruit blijkt wie kentekenhouder van de auto is. De print is als bijlage 5 bij het verweerschrift in eerste aanleg betreffende de BPM gevoegd. Ik denk dat het is geprint door degene die het onderzoek is gestart. Vermoedelijk is de print gemaakt ter voorbereiding op het boekenonderzoek. Dat de print ruim een jaar vóór aankondiging van het boekenonderzoek is gemaakt vind ik wel raar maar naar aanleiding van het onderzoek bij het garagebedrijf bleken er meerdere taxibedrijven bij betrokken te zijn en het kan zijn dat dit een eerste inventarisatie is geweest van mogelijkheden en vermoedens. Volgens het controlerapport is het onderzoek op 22 januari 2004 gestart. De controle is gedaan door de Belastingdienst Alkmaar maar het zou kunnen dat de voorbereiding in Amsterdam is gedaan. Op de voorkant van het rapport staat de Belastingdienst Amsterdam maar het rapport is aan het eind weer getekend namens de Belastingdienst Alkmaar. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat dit onderzoek wat langer heeft geduurd”.

2.4.9. Het Hof stelt voorop dat partijen in een fiscale procedure in beginsel de vrijheid hebben het bewijs voor hun stellingen te leveren op iedere door hen gewenste wijze. De inspecteur was niet gehouden bewijs voor zijn stellingen te leveren door een onderzoek aan de taxi in te laten stellen. Het niet laten instellen van een dergelijk onderzoek leidt niet tot de conclusie dat de inspecteur het van hem verlangde bewijs niet geleverd heeft of dat de inspecteur in het ongelijk moet worden gesteld omdat hij onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Dit is niet anders indien – naar belanghebbende stelt en door de inspecteur op zichzelf niet is betwist – met een dergelijk onderzoek aangetoond had kunnen worden dat er nimmer een KTO in de taxi was geplaatst. De vraag of de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld doordat er enige jaren zijn gelegen tussen het moment dat hem de uitkomsten van het bij Inbouwbedrijf [D] ingestelde strafrechtelijk onderzoek bekend werden en er daadwerkelijk door de inspecteur aan belanghebbende het vermoeden is geuit dat er een KTO was ingebouwd in de taxi, beantwoordt het Hof ontkennend. Het strafrechtelijk onderzoek bij Inbouwbedrijf [D] heeft plaatsgevonden in de jaren 2000 en 2001. Uit dit onderzoek kwam naar voren kwam dat op (betrekkelijk) grote schaal KTO’s waren ingebouwd in taxi’s in de regio Amsterdam. Vervolgens is er een grootschalig onderzoek ingesteld door de Belastingdienst bij verschillende taxibedrijven. Het Hof acht het aannemelijk dat met een dergelijk grootschalig onderzoek bij verschillende taxibedrijven geruime tijd is gemoeid. Belanghebbende is bij schrijven van 7 januari 2004 op de hoogte gesteld van het instellen van een boekenonderzoek. Het rapport, waarin is opgenomen dat de inspecteur veronderstelt dat een KTO was ingebouwd in de taxi van belanghebbende, dateert van 19 april 2004. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de inspecteur, door zijn bevindingen eerst in het rapport van 19 april 2004 aan belanghebbende kenbaar te maken, onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat er door de Belastingdienst een schermprint is gemaakt van houder- en voertuiginformatie op 9 januari 2003 maakt dit niet anders. De door de inspecteur gegeven toelichting, dat deze print vermoedelijk is gemaakt door een medewerker van de Belastingdienst ter voorbereiding op het onderzoek waarbij eerst een inventarisatie is gemaakt van alle nader te controleren taxibedrijven, komt het Hof aannemelijk voor en brengt niet mee dat, nu het onderzoek eerst is gestart op 7 januari 2004, er sprake is van onzorgvuldigheid van de inspecteur.

De omstandigheid dat belanghebbende de taxi heeft verkocht op 16 februari 2003 en zij dus niet meer in staat was een onderzoek aan de taxi te laten instellen waarmee aangetoond had kunnen worden dat er nimmer een KTO was geplaatst, brengt niet mee dat het door de inspecteur geleverde bewijs waaraan het Hof zijn onder 2.4.6. geformuleerde vermoeden ontleend ter zijde moet worden gesteld. Het teloor gaan van deze mogelijkheid (tegen)bewijs te leveren is immers niet aan de inspecteur te wijten.

2.4.10. Belanghebbende is er met hetgeen harerzijds is aangevoerd niet in geslaagd het vermoeden te ontzenuwen dat de aantekening in het aantekenblok van de medewerker duidt op het inbouwen van een KTO. Het Hof neemt dan ook tot uitgangspunt dat in de taxi van belanghebbende een KTO was ingebouwd.

2.4.11. Door de aanwezigheid van een KTO in de taxi is de kilometeradministratie manipuleerbaar; het Hof verwijst nader naar hetgeen is overwogen onder 2.4.10.1 en 2.4.10.2 in zijn uitspraak van 19 november 2008, kenmerk nr. 07/00048, 07/00049, 07/00053, 07/00054 en 07/00055, op www.rechtspraak.nl gepubliceerd onder kenmerk LJN BG 5439 (hierna: de uitspraak van 19 november 2008).

De kilometeradministratie is daarmee niet geschikt om het door artikel 42, vijfde lid, van de Wet vereiste bewijs te leveren. Voor het vereiste bewijs is naar ’s Hofs oordeel ook onvoldoende dat belanghebbende in privé over motoren beschikte. Ook voor het overige heeft belanghebbende geen bewijsmiddelen bijgebracht waarmee zij heeft aangetoond dat met de taxi in 1999 niet meer dan 1.000 kilometer privé is gereden.

2.4.12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Hof evenals de rechtbank tot de slotsom dat belanghebbende niet is geslaagd in het in artikel 42, vijfde lid, van de Wet bedoelde bewijs.

2.5. De heffing van BPM

2.5.1. Artikel 16, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Wet BPM) houdt – voor zover hier van belang – in dat een teruggaaf van belasting op aanvraag wordt verleend voor personenauto's die zijn bestemd om taxivervoer te verrichten. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Wet BPM bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

2.5.2. De inspecteur heeft de aan belanghebbende op diens verzoek teruggegeven BPM nageheven, waartoe hij, kort gezegd, aanvoert dat belanghebbende niet heeft bewezen dat de taxi geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer. De kilometeradministratie is ondeugdelijk en onbetrouwbaar, aldus de inspecteur, en met een dergelijke kilometeradministratie kan niet het vereiste bewijs worden geleverd.

2.5.3. De stellingen van belanghebbende komen erop neer dat zij met haar kilometeradministratie, en met name de vastlegging op de rittenkaarten en in het tankboekje, aannemelijk heeft gemaakt dat de taxi voor ten minste 90% voor personenvervoer werd gebruikt.

2.5.4. Het Hof oordeelt dat op een belastingplichtige die zich op een vrijstelling beroept – zoals in casu belanghebbende – de last rust te bewijzen dat zij aan de voorwaarden voldoet.

2.5.5. Op grond van de door het Hof vastgestelde feiten en hetgeen daaromtrent door het Hof is overwogen, acht het Hof aannemelijk dat gedurende het BPM-naheffingstijdvak een KTO in de taxi aanwezig was. Zoals hiervoor is overwogen, maakt dit de kilometeradministratie te enen male onbetrouwbaar. Gelet op dit wezenlijk gebrek van de kilometeradministratie acht het Hof het niet aannemelijk dat de taxi geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt. Ook voor het overige heeft belanghebbende geen bewijsmiddelen bijgebracht waarmee zij het verlangde bewijs heeft geleverd. Nu belanghebbende er (reeds) niet in slaagt aannemelijk te maken dat de taxi in het naheffingstijdvak geheel of nagenoeg geheel als zodanig is gebruikt kan in het midden blijven of op belanghebbende ter zake een zwaardere bewijslast rust.

2.5.6. Het beroep is ongegrond wat betreft de nageheven BPM.

2.6. De heffing van MRB

2.6.1. Artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (verder Wet MRB) houdt – samengevat – in dat vrijstelling van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, wordt verleend voor motorrijtuigen die bestemd zijn om daarmee als personenauto taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt. De hiervoor genoemde voorwaarden en beperkingen zijn gesteld in het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Besluit MRB).

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit MRB is – voor zover hier van belang - bepaald dat vrijstelling van belasting wordt verleend indien een verklaring wordt overgelegd van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van taxivervoer.

2.6.2. Op verzoek is belanghebbende bij beschikking vrijstelling van MRB verleend. De inspecteur heeft bij de in geschil zijnde naheffingsaanslagen MRB nageheven omdat belanghebbende in het desbetreffende tijdvak geen juiste en controleerbare kilometeradministratie heeft bijgehouden en ook met de overigens aanwezige administratie niet overtuigend heeft aangetoond dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig werd gebruikt. Voor de onderbouwing van deze naheffingsaanslagen verwijst de inspecteur MRB verder naar het verweerschrift betreffende de BPM.

2.6.3. Met betrekking tot de op partijen rustende bewijslast geldt voor de MRB hetzelfde als voor de BPM. Ook met betrekking tot de MRB concludeert het Hof dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig is gebruikt.

2.6.4. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen omtrent de BPM concludeert het Hof ook in dit verband dat belanghebbendes kilometeradministratie als gevolg van de aanwezigheid van een KTO manipuleerbaar en dus niet betrouwbaar was en dat met een dergelijke kilometeradministratie niet aannemelijk gemaakt kan worden dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig is gebruikt. Ook voor het overige heeft belanghebbende geen bewijsmiddelen bijgebracht waarmee zij het verlangde bewijs heeft geleverd.

2.6.5. De beslissing van de rechtbank inzake de naheffingsaanslagen MRB is gebaseerd op het oordeel – zakelijk weergegeven – dat op grond van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB de periode waarover kan worden nageheven beperkt is en wel tot de twaalf maanden voorafgaande aan 19 april 2004, zijnde het tijdstip waarop (aldus de rechtbank) de inspecteur MRB geconstateerd heeft dat belanghebbende niet aan de voorwaarden voor de MRB-vrijstelling voldeed.

2.6.6. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Artikel 76 van de Wet MRB luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig ten onrechte een vrijstelling van belasting is verleend dan wel niet wordt voldaan aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden kan de belasting worden nageheven.

2. De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd. (…)”

2.6.7. Over de strekking van de in dezen van belang zijnde bepalingen is in HR 5 oktober 2001, nr. 36.493, BNB 2001/420 het volgende overwogen:

“3.4. Vooropgesteld moet worden dat de algemene bevoegdheid van de inspecteur te weinig geheven motorrijtuigenbelasting na te heffen, berust op artikel 20 van de AWR. Voor een aantal specifieke situaties zijn in afdeling 7 van hoofdstuk II van de Wet - en, hier niet van belang, de artikelen 52 tot en met 54, 60 en 61, alsmede 69 en 70 - ten dele van artikel 20 van de AWR afwijkende regels gegeven. De afwijking van artikel 20 van de AWR in afdeling 7 van hoofdstuk II komt in essentie hierop neer dat de naheffingsaanslag wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het tot naheffing aanleiding gevende feit is geconstateerd, behoudens voorzover de belastingplichtige overtuigend aantoont dat zich een van de in de Wet vermelde situaties heeft voorgedaan waarin evident is dat naheffing over de voorgeschreven periode onjuist zou zijn. Een vergelijkbare afwijking van artikel 20 van de AWR kwam voor in artikel 16 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die wet (Kamerstukken II 1965/66, 8445, nr. 3, blz. 7) is af te leiden dat de strekking van deze afwijking was een praktische regeling te treffen voor de bewijsmoeilijkheden waarvoor de inspecteur zich ziet gesteld indien hij wil naheffen in situaties waarin op enig moment wordt geconstateerd dat in verband met de aard of het gebruik van een motorrijtuig geen of te weinig belasting is betaald, zonder dat kan worden vastgesteld sinds wanneer dat het geval is. Aangenomen moet worden dat dit ook de strekking is van de in de thans geldende wet opgenomen afwijkingen van artikel 20 van de AWR.”

2.6.8. De naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op het standpunt van de inspecteur MRB dat het belanghebbende in de naheffingstijdvakken ontbreekt aan een administratie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de bij haar in gebruik zijnde taxi geheel of nagenoeg geheel als taxi is gebruikt.

2.6.9. De last aannemelijk te maken dat de taxi geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van taxivervoer rust – gelijk het Hof heeft overwogen onder 2.6.3. – op belanghebbende als degene die zich op de vrijstelling heeft beroepen.

2.6.10. Het bewijsprobleem waarvoor de inspecteur MRB zich in het algemeen gesteld ziet indien hij wil naheffen in een situatie waarin op enig moment wordt geconstateerd dat in verband met de aard of het gebruik van een motorrijtuig geen of te weinig belasting is betaald doet zich in een geval als hier aan de orde niet voor. Het onderhavige geval behoort derhalve niet tot de categorie gevallen waarvoor de naheffingsbevoegdheid van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB is bedoeld. De omstandigheid dat zich niet een situatie voordoet waarvoor artikel 76 is bedoeld, houdt naar het oordeel van het Hof niet in dat overigens niet zou kunnen worden nageheven op de voet van artikel 20 AWR. Een ander oordeel acht het Hof niet in overeenstemming met het in wezen aanvullende karakter van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB. Artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB heeft geen exclusieve werking. Mitsdien acht het Hof – anders dan de rechtbank – de inspecteur MRB in het onderhavige geval op de voet van artikel 20 AWR bevoegd tot het opleggen van de in geschil zijnde naheffingsaanslagen MRB.

2.7. Het vertrouwensbeginsel

2.7.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij aan de uitspraak op bezwaar van 26 april 2006 inzake de BPM het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het door haar verschuldigde bedrag € 1.513 bedraagt. De tekst van uitspraak op bezwaar van 26 april 2006 luidt - voor zover van belang - als volgt:

“Ik kom deels aan het bezwaar tegemoet. De boete zal door mij worden verminderd. De motivering behorende bij deze uitspraak op bezwaar, heb ik u op 7 april 2006 toegezonden.

Het nieuw vastgestelde bedrag van de naheffingsaanslag is € 5.295,-.

Berekening van de naheffingsaanslag Eerder vastgesteld Nieuw vastgesteld

………………………………………. …………………… ………………

Verschuldigde BPM € 4.539 € 4.539

Bij: Boete - 2.269 - 756

Heffingsrente - -

Totaal verschuldigd bedrag € 6.808 € 1.513

Ik verzoek u het totaal verschuldigde bedrag van € 1.513,= vóór 10 mei 2006 over te maken naar girorekeningnummer 4892 ten name van de Belastingdienst/Amsterdam”.

2.7.2. In de in brief van 7 april 2006 waarin de motivering van de uitspraak op bezwaar is opgenomen, staat - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

“Mij is niet gebleken, mede gelet op datgene wat in de bezwaarfase is aangevoerd, dat de belastingaanslag voor wat betreft de enkelvoudige belasting onjuist is.”

10. Uitspraak

Op grond van het vorenstaande handhaaf ik de aanslagen voor wat betreft de na te heffen en na te vorderen enkelvoudige belasting. Wel zal ik ambtshalve de belastingaanslagen gedeeltelijk verminderen voor zover het de opgelegde boeten betreft. De formele beslissing (uitspraak) wordt u per separate post toegezonden”.

2.7.3. In het door belanghebbende bij de rechtbank ingediende beroepschrift van 2 juni 2006 is - voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Hiermee teken ik beroep aan tegen de op 26 april 2006 afgegeven uitspraak op bezwaarschrift inzake [X] door de Belastingdienst/Amsterdam, ten bedrage van € 5.295,- inclusief boete (en heffingsrente) (…) met betrekking tot de naheffingsaanslag belasting personenauto’s”.

2.7.4. Naar het oordeel van het Hof is er met het opnemen in de brief van 26 april 2006 van het bedrag van € 1.513 in plaats van € 5.295 (€ 4.539 + € 756) sprake van een schrijf- of tikfout of daarmee gelijk te stellen vergissing. Gelet op de brief van 7 april 2006 en de in de uitspraak op bezwaar genoemde bedragen van € 4.539 + € 756 moet het voor belanghebben¬de onmiddellijk kenbaar zijn geweest dat het hier een vergissing betreft. Dat belanghebbende zulks heeft onderkend volgt ook uit haar beroepschrift in eerste aanleg waarin zij zelf het (juiste) bedrag van € 5.295 noemt. Gelet op het vorenoverwogene verwerpt het Hof het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel.

2.8. Boeten

2.8.1. De boeten voor de IB en BPM zijn vergrijpboeten die de inspecteur heeft opgelegd op basis van artikel 67e respectievelijk 67f van de AWR. Volgens de inspecteur betekent de inbouw en het gebruik van een KTO dat belanghebbende zijn kilometeradministratie oncontroleerbaar heeft gemaakt en dat hij daarmee het oogmerk heeft gehad te weinig IB en BPM te betalen.

De inspecteur heeft - met inachtneming van § 25 en § 27 (IB) respectievelijk § 25 en § 28 (BPM) van het BBBB 1998 - een boete opgelegd van 50% van de nagevorderde of nageheven bedragen.

De MRB-boeten zijn verzuimboeten die de inspecteur MRB op basis van artikel 67c van de AWR heeft opgelegd. De inspecteur MRB heeft – met inachtneming van § 34, onderdeel 2, van het BBBB 1998 - boeten opgelegd van 100% van de nageheven bedragen. Voor wat betreft de onderbouwing van de boeten verwijst de inspecteur MRB in zijn verweerschrift in eerste aanleg naar het in eerste aanleg ingediende verweerschrift inzake de BPM.

2.8.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de IB gematigd tot 25% van het nagevorderde bedrag en de BPM gematigd tot € 756 (zijnde 16,6% van het nageheven bedrag).

De inspecteur MRB heeft de MRB-boeten verminderd tot 50%.

2.8.3. Belanghebbende heeft de boeten betwist. De inspecteur verenigt zich wat de boeten voor de IB en de BPM betreft met de uitspraken van de rechtbank.

2.8.4. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan, anders dan belanghebbende stelt, het bewijs indien een boete is opgelegd ook met behulp van vermoedens worden geleverd (vergelijk onder meer HR 17 januari 1990, nr. 26 282, BNB 1990/193).

2.8.5. Met betrekking tot de boete in de IB acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende bij het doen van aangifte voor het jaar 1999 de bedoeling heeft gehad om de inspecteur met haar kilometeradministratie te doen blijken dat niet meer dan 1000 kilometer privé werd gereden met de auto. Voorts acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende ten tijde dat zij de aangifte inkomstenbelasting voor dit jaar indiende, wist dat haar kilometeradministratie onbetrouwbaar was en dat deze niet kon dienen als het door artikel 42, vijfde lid, van de Wet vereiste bewijs. Door desondanks de bijtelling wegens privé-gebruik niet in haar aangifte op te nemen, heeft zij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Dit betekent dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet.

2.8.6. De onderhavige boete zoals deze door de inspecteur is verminderd tot 25% van de nagevorderde IB gaat naar ’s Hofs oordeel in ieder geval niet boven hetgeen passend en geboden is gelet op de ernst van het feit (het manipuleren van de kilometeradministratie door de inbouw en het gebruik van een KTO en het vervolgens opzettelijk niet aangeven van het privégebruik van de taxi in de aangifte inkomstenbelasting. De overige omstandigheden van het geval leiden niet tot een ander oordeel.

2.8.7. Het vorenoverwogene geldt mutatis mutandis evenzo voor de BPM-boete. Een boete van 16,6% van de nageheven BPM gaat naar ’s Hofs oordeel in ieder geval niet boven hetgeen passend en geboden is gelet op de ernst van het feit (het verzoeken om een teruggaaf van betaalde BPM, wetende dat de kilometeradministratie als gevolg van de inbouw en het gebruik van de KTO onbetrouwbaar was en dus niet als onderbouwing voor deze verzoeken kon en mocht dienen).

2.8.8. De omstandigheid dat de naheffingsaanslagen MRB niet kunnen worden gebaseerd op artikel 76 van de Wet MRB, maar (slechts) op artikel 20 AWR doet er niet aan af dat de MRB-boeten verzuimboeten zijn die zijn opgelegd op basis van artikel 67c AWR. De omstandigheid dat de inspecteur MRB ten onrechte artikel 76 van de Wet MRB aan de naheffingen ten grondslag heeft gelegd brengt dan ook niet mee dat de boeten moeten worden vernietigd. Op vergelijkbare gronden als vermeld onder 2.10.9. van de uitspraak van 19 november 2008, passen dan verzuimboeten tot 10%. Niet kan worden geoordeeld – voor zover belanghebbende dit al heeft betoogd – dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.

2.8.9. Op overeenkomstige gronden als vermeld in 2.10.12 tot en met 2.10.16. van de uitspraak van 19 november 2008, oordeelt het Hof dat geen sprake is van een cumulatie van verschillende boeten voor hetzelfde feit en dat de omstandigheid dat voor de heffing van IB sprake is van een verzwaarde bewijslast evenmin aanleiding vormt tot (verdere) matiging van de boete.

2.8.10. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is in dezen niet later aangevangen dan 19 april 2004, de datum van het controlerapport waarin is vermeld dat aan belanghebbende boeten zullen worden opgelegd. Nu de rechtbank eerst uitspraak heeft gedaan op 28 augustus 2008 heeft zij de boeten IB en BPM op grond van het tijdsverloop terecht gematigd. De door de rechtbank in aanmerking genomen vermindering acht het Hof toereikend. Noch het tijdsverloop na het instellen van hoger beroep, noch de totale behandelingsduur van de zaak tot de uitspraak van het Hof geven aanleiding tot verdere vermindering van de boeten.

De MRB-boeten zijn door het Hof uit anderen hoofde reeds tot een zodanig laag bedrag verminderd dat het Hof geen noodzaak ziet de overschrijding van de redelijke termijn met een verdere vermindering te compenseren. De geconstateerde verdragsschending is in zoverre voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

2.9. De slotsom

2.9. De slotsom is dat de uitspraken van de rechtbank dienen te worden vernietigd voor zover het betreft de naheffingsaanslagen MRB en daarbij genomen boetebeschikkingen.

2.10. Proceskosten

2.10. Nu het beroep van belanghebbende tegen de boeten opgelegd bij de naheffingsaanslagen MRB gegrond wordt verklaard, bestaan termen de inspecteur MRB te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in verband met zijn verweer tegen het hoger beroep van de inspecteur MRB heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof deze kosten op 1 (verschijnen gemachtigde ter zitting) x 1 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 322 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het verzoek van belanghebbende om de inspecteur – tevens – te veroordelen in de kosten van de bezwaarfase stuit erop af dat niet, zoals artikel 7:15, derde lid, Awb, vereist, een daartoe strekkend verzoek is gedaan voordat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist.

3. Beslissingen

• op de hogere beroepen van belanghebbende

Navorderingsaanslag IB 1999 (08/01129)

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Naheffingsaanslag BPM (08/01128):

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

• op de hogere beroepen van de inspecteur MRB

Naheffingsaanslagen MRB (08/00978 en 08/00979)

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;

- verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur MRB voor zover deze de boetebeschikkingen betreffen;

- vermindert de boeten tot (telkens) 10% van de nageheven belasting; en

- veroordeelt de inspecteur MRB tot betaling van de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 322.

Aldus vastgesteld door mrs. A.M. van Amsterdam, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus, als griffier. De beslissing is op 18 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.