Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4805

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
200.053.236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot beëindiging van arbeidsovereenkomst?

Wils-vertrouwensleer

Spoedeisend belang?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010/222
AR-Updates.nl 2010-0679
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.053.236

(zaaknummer rechtbank 660238)

arrest in kort geding van de vijfde civiele kamer van 27 juli 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

White Socks Stables B.V.,

gevestigd te Huis ter Heide, gemeente Zeist,

appellante,

advocaat: mr. J.C.A. Froon,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Wolters.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 30 november 2009, dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) als voorzieningenrechter tussen appellante (hierna ook te noemen: WSS) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [woonplaats]) als eiser heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 WSS heeft bij exploot van 28 december 2009 [woonplaats] aangezegd van genoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [woonplaats] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft WSS zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [woonplaats] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans hem deze zal ontzeggen, althans de gevraagde voorzieningen zal weigeren, met veroordeling van [woonplaats] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [woonplaats] de grieven bestreden, heeft hij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest WSS niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans haar grieven zal verwerpen en het bestreden vonnis al dan niet met verbetering van gronden zal bekrachtigen, met veroordeling van WSS in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Op de roldatum 18 mei 2010 heeft WSS een akte uitlating producties genomen.

2.5 Op de roldatum 1 juni 2010 heeft [woonplaats] een antwoordakte genomen.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

WSS heeft de volgende grieven aangevoerd.

Grief 1

Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis van 30 november 2009 onder meer overwogen dat er “gelet op de inhoud van de twee door WSS aan [woonplaats] voorgehouden keuzes, niet daadwerkelijk sprake is geweest van een keuze” en is de kantonrechter er impliciet van uitgegaan dat er zijdens WSS sprake was van het uitoefenen van ontoelaatbare druk of dwang.

Grief 2

Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis van 30 november 2009 onder meer overwogen dat er sprake zou zijn van een zodanige druk op [woonplaats], dat de door hem ondertekende verklaring niet vrijelijk zou zijn afgelegd en dat zich een situatie zou voordoen als bedoeld in het arrest van 25 maart 1994 (LJN: ZC1310), NJ 1994, 390; waarbij de kantonrechter niet heeft overwogen dat er sprake was van een dringende reden voor ontslag als bedoeld in art. 7:678 BW, omdat [woonplaats] immers hardnekkig weigerde te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt; en hij door herhaaldelijk te laat te komen de plichten veronachtzaamt, die de arbeidsovereenkomst hem oplegt.

Grief 3

Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis van 30 november 2009 onder meer overwogen dat hier sprake zou zijn van toepasselijkheid van art. 6 BBA, terwijl hij anderzijds overweegt dat er geen sprake zou zijn van een ontslag op staande voet, hoewel [woonplaats] dat weer wel ondubbelzinnig stelt.

Grief 4

Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis van 30 november 2009 onder meer overwogen dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat er geen sprake is van een rechtsgeldige beëindigingsovereenkomst, terwijl enig bewijs(aanbod) door [woonplaats] niet is aangedragen.

Grief 5

Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis van 30 november 2009 al dan niet impliciet aangenomen dat er sprake zou zijn van een spoedeisend belang.

Grief 6

Ten onrechte heeft de kantonrechter de stellingen van [woonplaats] zonder enig bewijs of bewijsaanbod gehonoreerd.

Grief 7

Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis van 30 november 2009 de vordering van [woonplaats] toegewezen.

4. De vaststaande feiten

4.1 [woonplaats] is op 16 februari 2009 in dienst getreden van WSS, die een manege exploiteert, in de functie van trainer voor 40 uur per week. Het dienstverband is aangegaan voor de duur van twaalf maanden, met een proeftijd van twee maanden en met een opzegtermijn van ten minste een kalendermaand na de proeftijd. Zijn laatstgenoten salaris bedroeg € 1.900,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

4.2 Op 6 juni 2009 heeft WSS een brief aan [woonplaats] gestuurd met (onder meer) de volgende inhoud: “Naar aanleiding van ons gesprek op zaterdag 6 juni 2009 om 15.15 uur zijn wij het volgende overeengekomen:

Het dienstverband zal met wederzijdse goedkeuring met onmiddellijke ingang worden beëindigd.

De finale afrekening ontvangt u medio juli 2009.”

Deze brief is door beide partijen ondertekend.

4.3 Bij brief van 12 augustus 2009 heeft (de gemachtigde van) [woonplaats] aan WSS meegedeeld dat geen sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, aangezien [woonplaats] daarmee niet heeft ingestemd. De beëindiging heeft plaatsgevonden onder dwang en intimidatie vanuit de werkgever, aldus [woonplaats]. In deze brief heeft (de gemachtigde van) [woonplaats] voorts vermeld dat uitgaande van de arbeidsovereenkomst geen mogelijkheid is om tussentijds tot beëindiging over te gaan en dat evenmin de opzegtermijn in acht is genomen. [woonplaats] heeft de vernietigbaarheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingeroepen en zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van arbeid. Tevens heeft hij aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn loon.

4.4 Nadat hierop van de zijde van WSS geen reactie was gekomen, heeft de gemachtigde van [woonplaats] op 7 oktober 2009 een herinnering aan WSS gestuurd.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 In eerste aanleg heeft [woonplaats] gevorderd, kort gezegd, wedertewerkstelling in zijn werkzaamheden en loondoorbetaling vermeerderd met de wettelijke verhoging. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de gevorderde voorzieningen goeddeels toegewezen. Daartegen komt WSS in hoger beroep. Met haar grieven beoogt WSS het geschil integraal aan het hof voor te leggen.

5.2 Deze procedure ziet op het treffen van voorlopige voorzieningen. WSS komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [woonplaats] een spoedeisend belang had bij zijn vorderingen. WSS betoogt dat [woonplaats] geen spoedeisend belang had bij zijn vorderingen in eerste aanleg. Zij voert daartoe aan dat [woonplaats] pas ruim twee maanden na 6 juni 2009 de vernietigbaarheid van het ontslag heeft ingeroepen. Evenmin was sprake van een spoedeisend belang nu [woonplaats] nog geen bodemprocedure is begonnen en [woonplaats] een bedrag aan stallingsgeld van een klant van WSS had ontvangen en dit bedrag niet heeft afgedragen aan WSS. [woonplaats] voert daartegen aan dat hij voor zijn dagelijks levensonderhoud afhankelijk was van de salarisbetalingen van WSS. Hij had derhalve een spoedeisend belang bij de toewijzing van zijn vorderingen. Het betoog van WSS dat hij te laat zou zijn met het instellen van een vordering is volgens [woonplaats] onjuist. Volgens [woonplaats] kan volgens vaste rechtspraak de enkele omstandigheid dat een partij heeft stilgezeten niet het oordeel rechtvaardigen dat die partij geen spoedeisend belang heeft. Daarnaast betoogt [woonplaats] dat ook WSS schuld heeft aan de vertraging.

5.3 Gelet op het standpunt van WSS dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd en gelet op het betoog van [woonplaats] dat hij afhankelijk was van de salarisbetalingen van WSS is het hof van oordeel dat [woonplaats] een spoedeisend belang had bij de in eerste aanleg gevraagde en verkregen voorzieningen. Het betoog van WSS dat [woonplaats] geen spoedeisend belang had, omdat hij niet spoedig een vordering heeft ingesteld, gaat niet op. De enkele omstandigheid dat [woonplaats] enige tijd heeft laten verstrijken hoeft niet te betekenen dat hij geen spoedeisend belang had. Een gevraagde voorziening in kort geding kan evenwel alleen worden gegeven indien voorlopig oordelend met grote waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de rechter, oordelend ten gronde, de vordering zal toewijzen. Voor nader onderzoek om tot vaststelling van een bepaalde rechtstoestand of feiten of omstandigheden te komen is in deze procedure in beginsel geen plaats. Dat dient te gebeuren in een eventuele bodemprocedure.

5.4 Kern van het geschil is of tussen partijen een al dan niet onaantastbare overeenkomst tot stand is gekomen tot beëindiging met wederzijds goedvinden van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst. [woonplaats] ontkent dat zijn wil op deze beëindiging was gericht. Uitgangspunt van de ook hier toepasselijke wils-vertrouwensleer zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek, is dat een partij bij de totstandkoming van een overeenkomst erop mag vertrouwen dat de verklaringen van de wederpartij overeenstemmen met diens wil. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen van de werkgever aangaande verklaringen van de werknemer is sterk afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, zoals de persoon van de werknemer, de gevolgen van de desbetreffende rechtshandeling en de omstandigheden waaronder de verklaring van de werknemer is verricht. Waar het, zoals hier, gaat om een blijk van instemming van een werknemer met de beëindiging van zijn dienstverband, kan het vertrouwen van de werkgever alleen gerechtvaardigd zijn als sprake is van een daarop gerichte, duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. Deze volgens vaste rechtspraak geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het verloren gaan van de mogelijkheid zich op ontslagbescherming te beroepen. In verband met die gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking (HR 10 juni 2005, JAR 2005, 157).

5.5 In het onderhavige geval heeft WSS aan [woonplaats] een verklaring ter tekening voorgelegd met het doel aldus tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te geraken. Wil WSS [woonplaats] aan een zodanige beëindiging kunnen houden, dan is het in beginsel niet voldoende dat zij uit de bereidheid van [woonplaats] tot het plaatsen van zijn handtekening onder de verklaring in de gegeven omstandigheden niet heeft kunnen afleiden dat [woonplaats] niet akkoord ging met de beëindiging. WSS had zich er met redelijke zorgvuldigheid van moeten vergewissen, dat [woonplaats] heeft begrepen dat zijn instemming met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werd gevraagd en of hij de mogelijke consequenties van zijn instemming overzag. Dat WSS aan deze onderzoeksplicht heeft voldaan is door haar niet gesteld en vooralsnog niet gebleken. Daarbij komt dat het initiatief van het gesprek, althans het initiatief van het onderwerp van het gesprek, bij WSS lag. De heer Hattink, mede-aandeelhouder van WSS, heeft in zijn verklaring van 28 december 2009, overgelegd als productie 6 bij memorie van grieven, daarover aangegeven dat hij mevrouw Sok heeft geadviseerd met [woonplaats] een gesprek aan te gaan over de onderhavige situatie en hem daarbij voor de keuze te stellen excuses aan te bieden dan wel de arbeidsovereenkomst met wederzijdse instemming te beëindigen. Verder voelde [woonplaats] zich op de betreffende dag ‘overwerkt’en heeft WSS [woonplaats] geen echte keuze gegeven. In haar pleitnota onder nummer 11 voert WSS aan dat zij [woonplaats] voor een keuze gesteld heeft, namelijk of ontslag op staande voet of in goed overleg uit elkaar te gaan, dat wil zeggen de beëindigingsovereenkomst te tekenen. Bij het gesprek was overigens ook de heer Hattink op de achtergrond aanwezig. Gelet op voornoemde omstandigheden waaronder het gesprek en de ondertekening van de verklaring hebben plaatsgevonden, had WSS derhalve niet zonder meer op de verklaring van [woonplaats] mogen vertrouwen.

5.6 Onder deze omstandigheden deelt het hof het voorlopig oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is geweest van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. WSS heeft onvoldoende gedaan om te mogen vertrouwen op de verklaring van [woonplaats].

5.7 Het vorenoverwogene brengt mee dat er vooralsnog van moet worden uitgegaan dat de door partijen getekende verklaring ‘beëindiging Arbeidsovereenkomst’ geen rechtsgevolg heeft. Indien de brief van 6 juni 2009 kan worden aangemerkt als een (eenzijdige) opzegging van WSS aan [woonplaats], dan is vooralsnog niet gebleken dat WSS hiervoor toestemming in de zin van artikel 6 lid 1 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (hierna: BBA) of een dringende reden had. Nu gebleken is dat [woonplaats] binnen zes maanden een beroep op de vernietigbaarheid hiervan heeft gedaan, is de opzegging gelet op artikel 9 lid 1 BBA niet geldig. Vooralsnog dient derhalve ervan te worden uitgegaan dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst tot 16 februari 2010 is blijven voortduren en [woonplaats] terecht aanspraak heeft gemaakt op wedertewerkstelling en doorbetaling van loon.

5.8 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, echter met uitzondering van de veroordeling van WSS om [woonplaats] binnen twee dagen na betekening in staat te stellen zijn werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te hervatten met alle faciliteiten en bevoegdheden die [woonplaats] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst mocht genieten, voor zover die veroordeling de periode vanaf 16 februari 2010 betreft.

5.9 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal WSS in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 30 november 2009, met uitzondering van de veroordeling van WSS om [woonplaats] binnen twee dagen na betekening in staat te stellen zijn werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te hervatten met alle faciliteiten en bevoegdheden die [woonplaats] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst mocht genieten, voor zover die veroordeling de periode vanaf 16 februari 2010 betreft, vernietigt het vonnis in zoverre en wijst de desbetreffende vordering van [woonplaats] af;

veroordeelt WSS in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [woonplaats] begroot op € 1.341,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,-- voor griffierecht;

verklaart dit arrest, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, I.A. Katz-Soeterboek en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2010.