Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4748

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
200.013.677
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2008:BC6352, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kerkvereniging en kerkafscheiding; bijzondere rechtsgang voor een kerkelijke geschillencommissie en procedurele toetsing; marginale toetsing van drie synodebesluiten; vrijheid van godsdienst;gebondenheid van de gemeenten aan de besluitvorming van de synode in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/684

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.013.677

(zaaknummer rechtbank 175131)

arrest van de tweede civiele kamer van 24 augustus 2010

inzake

de kerkelijke organisaties

1 Hervormde Wijkgemeente "De Noord" te Katwijk aan Zee,

ook wel gebruikmakend van de naam: Nederlandse Hervormde Wijkgemeente (in hersteld verband) "De Noord",

2 Hervormde Wijkgemeente "Morgenster" te Katwijk aan Zee,

ook wel gebruikmakend van de naam: Nederlandse Hervormde Wijkgemeente (in hersteld verband) "Morgenster",

en de kerkelijke rechtspersonen

3 Hervormde Gemeente te Nederhemert,

ook wel gebruikmakend van de naam: Hersteld Hervormde Gemeente te Nederhemert,

4 Hervormde Gemeente te Ouddorp,

ook wel gebruikmakend van de naam: Hersteld Hervormde Gemeente te Ouddorp,

5 Hervormde Buitengewone Wijkgemeente te Voorburg,

ook wel gebruikmakend van de naam: Hersteld Hervormde Gemeente te Voorburg,

6 Hervormde Buitengewone Wijkgemeente "Beth-El" te Vriezenveen,

ook wel gebruikmakend van de naam: Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen,

appellanten,

advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de kerkelijke rechtspersoon De Protestantse Kerk in Nederland,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.C.W. baron van der Feltz.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 13 april 2005 (in het incident) en van 12 maart 2008 (eindvonnis) die de rechtbank Utrecht in de hoofdzaak heeft gewezen tussen appellanten (hierna ook te noemen: de gemeenten) en 49 andere gemeenten als eiseressen en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de PKN) als gedaagde. Van het eindvonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. Het is gepubliceerd onder LJN: BC6352 en NJ 2008, 291.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De gemeenten hebben bij exploot van 11 juni 2008 de PKN aangezegd van het eindvonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de PKN voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering eis hebben de gemeenten negen grieven tegen het bestreden eindvonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden, nieuwe producties in het geding gebracht en gevorderd dat het hof het eindvonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

0 zal verklaren voor recht dat het synodebesluit van 8 juni 2001 inzake het Rapport (Om de eenheid en heelheid van de kerk) onwettig is genomen en dus nietig is, althans dit besluit alsnog zal vernietigen, althans zal verklaren voor recht dat dit besluit jegens de gemeenten onverbindend is, althans dat de gemeenten niet aan dit besluit mogen worden gehouden;

1 zal verklaren voor recht dat de navolgende beslissingen van de Generale Commissie voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen

d.d. 12 december 2002 met nr. 06/01 AS,

d.d. 20 november 2002 (bedoeld is: 2003) met nr. 01/03 en

d.d. 21 april 2004 met nr. 13/03 en 01/04,

jegens de gemeenten nietig zijn, althans deze drie beslissingen jegens de gemeenten zal vernietigen, althans zal verklaren voor recht dat deze drie beslissingen jegens de gemeenten onverbindend zijn, althans dat de gemeenten niet aan deze beslissingen zullen mogen worden gehouden;

2 zal verklaren voor recht dat de gemeenten uitsluitend gebonden zijn aan de Hervormde Kerkorde van 1951 en de daarin vervatte belijdenisgeschriften, als het voor hen geldende statuut in de zin van artikel 2:2 BW;

3 zal verklaren voor recht dat de Kerkorde van de PKN, de daarbij behorende Ordinanties, Generale Regelingen en Overgangsbepalingen jegens de gemeenten nietig zijn, althans deze jegens de gemeenten zal vernietigen, althans zal verklaren voor recht dat deze jegens de gemeenten onverbindend zijn, althans dat de gemeenten niet aan dit statuut van de PKN in de zin van artikel 2:2 BW zullen mogen worden gehouden;

4 primair: jegens de gemeenten nietig zal verklaren, althans jegens de gemeenten zal vernietigen, althans jegens de gemeenten onverbindend zal verklaren, het verenigingsbesluit, genomen door de synodevergadering van Nederlandse Hervormde Kerk, in vergadering bijeen op 12 december 2003 te Utrecht,

4 subsidiair: voor het geval het hof het verenigingsbesluit jegens de gemeenten onverkort in stand laat, zal verklaren voor recht dat de gemeenten het recht en/of de bevoegdheid hebben om als plaatselijke Hervormde gemeente c.q. (buitengewone) wijkgemeente te beslissen dat zij niet toetreden tot de PKN c.q. niet wensen te worden opgenomen in dit nieuwe kerkverband, met de macht de naam "Hervormde gemeente te …" te blijven voeren en als eigenaar te (blijven) beschikken over het als zodanig geregistreerd kerkelijk vermogen en registers van het plaatselijk hervormd kerkgenootschap, althans voor zover het wijkgemeenten betreft: dat deel dat hen op grond van evenredigheid als onderscheiden deel van de centrale hervormde gemeente ter plaatse na verdeling naar billijkheid toekomt;

5 zal verklaren voor recht dat de gemeenten als plaatselijk hervormd kerkgenootschap, genaamd "Hervormde gemeente te …", dienen te worden aangemerkt met de macht als eigenaar te (blijven) beschikken over het als zodanig geregistreerd kerkelijk vermogen en registers van het plaatselijk hervormd kerkgenootschap, althans voor zover het wijkgemeenten betreft: dat deel dat hen op grond van evenredigheid als onderscheiden deel van de centrale hervormde gemeente ter plaatse na verdeling naar billijkheid toekomt;

6 indien (een gedeelte van) de vorderingen sub 1 tot en met 5 niet mocht(en) worden toegewezen, zodanige voorzieningen tussen de gemeenten en de PKN zal treffen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren in die zin dat de gemeenten vrij van gewetensdwang hun thans bestaande gemeentelijk kerkelijk leven kunnen voortzetten, primair: met behoud van naam, ambt en gemeentelijk als zodanig geregistreerd kerkelijk vermogen en registers, althans subsidiair: met behoud van dat deel van het als zodanig geregistreerd kerkelijk vermogen en registers als de gemeenten op grond van evenredigheid en/of redelijkheid en billijkheid na verdeling toekomt;

7 de PKN zal veroordelen in de kosten van beide instanties, het salaris van de advocaat van appellanten in eerste aanleg daaronder begrepen;

8 de PKN zal veroordelen in de kosten van dit appel, waaronder ook (nadrukkelijk) begrepen de kosten, verbonden aan het deskundigenonderzoek.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de PKN de grieven bestreden en tegen de vermeerderde vordering verweer gevoerd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het bestreden eindvonnis zal bekrachtigen en de gemeenten niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hun vorderingen zal afwijzen, kosten rechtens.

2.4 Ter terechtzitting van 15 juni 2010 hebben partijen de zaak doen bepleiten, de gemeenten door mr. drs. Th. F. Roest en mr. P.J. den Boef, advocaten te respectievelijk Haarlem en Utrecht, en de PKN door mr. G.C.W. baron van der Feltz, advocaat te Den Haag; allen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. Roest heeft bij brief van 3 juni 2010 voor de terechtzitting aan de wederpartij en het hof de producties 20 tot en met 26 gezonden. Desgevraagd heeft mr. baron van der Feltz ter terechtzitting meegedeeld daartegen geen bezwaar te hebben. Vervolgens is akte verleend van het in het geding brengen van die producties.

2.5 Tenslotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank in haar eindvonnis onder 2.1 tot en met 2.7, zoals hierna vernummerd.

3.1 Op 1 mei 2004 zijn de Nederlandse Hervormde Kerk (hierna: de NHK), de Gereformeerde Kerken in Nederland (hierna: de GKN) en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: de ELK) verenigd in de Protestantse Kerk in Nederland (hierna: de PKN). Het daartoe strekkende besluit van de NHK (hierna: het verenigingsbesluit) is op 12 december 2003 door haar Generale Synode genomen.

3.2 In de voorbereiding van de vereniging is door het moderamen van de synode aan de commissie voor kerkordelijke aangelegenheden (de commissie KOA) gevraagd advies uit te brengen over de verhouding binnen de NHK tussen de landelijke kerk en de plaatselijke gemeenten en over de vraag of een hervormde gemeente zich kan afscheiden van de NHK dan wel als zodanig los van de NHK kan voortbestaan. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Om de eenheid en de heelheid van de kerk" (hierna ook: het Rapport) van 16 maart 2001. Op 8 juni 2001 heeft de Generale Synode van de NHK besloten dit rapport te aanvaarden als de verwoording van de visie van de NHK op haar niet te verbreken eenheid en haar inspanning om deze eenheid te bewaren.

3.3 Op 13 december 2002 heeft de Generale Synode van de NHK de nieuwe kerkorde voor de PKN vastgesteld (hierna: de PKO). Deze PKO vervangt met ingang van 1 mei 2004 de Hervormde Kerkorde van 1951 (hierna: de HKO) als het geldend statuut in de zin van artikel 2:2 BW.

3.4 Tegen het verenigingsbesluit alsmede tegen de daaraan voorafgegane synodale besluiten van 8 juni 2001 en 13 december 2002, hiervoor genoemd in 3.2 en 3.3, hebben diverse (kerkenraden van) Hervormde Gemeenten alsmede (vele) individuele lidmaten bezwaar gemaakt bij de Generale Commissie voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen (hierna: GCBG). De bezwaren tegen het besluit van 8 juni 2001 tot vaststelling van het Rapport zijn door de GCBG bij beslissing van 12 december 2002 alle niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard. De bezwaren tegen het besluit tot vaststelling van de PKO zijn door de GCBG bij beslissing van 20 november 2003 alle niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard. De bezwaren tegen het verenigingsbesluit zijn alle bij beslissing van de GCBG van 21 april 2004 - na de datum der inleidende dagvaarding - niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard.

3.5 Een - vaak aanzienlijk - deel van de leden en ambtsdragers van de in deze procedure optredende Hervormde Gemeenten heeft om principiële redenen, die hun oorsprong vinden in de fundamenten van hun hervormde geloofsbeleving, besloten om de NHK niet in de PKN te volgen en om het kerkelijk leven buiten PKN-verband voort te zetten. Een aantal van deze (delen van) gemeenten heeft op 16 april 2004 in een Akte van herstel van het kerkverband van Nederlandse Hervormde Gemeenten verklaard dat zij gezamenlijk de Hersteld Hervormde Kerk vormen (hierna: HHK). De gemeenten die zich tot de HHK rekenen noemen zich de Hersteld Hervormde Gemeenten (hierna: HHG).

3.6 De algemene overgangsbepalingen van de PKO voorzien in de instelling van een Commissie van Bijzondere Zorg (hierna: CBZ). Artikel 29 van de Overgangsbepalingen luidt:

"Wanneer de band tussen een aanzienlijk deel van de gemeenteleden en de Protestantse Kerk in Nederland verbroken is of dreigt te worden en/of een aanzienlijk deel van de ambtsdragers niet bereid is het ambt te (blijven) vervullen binnen de Protestantse Kerk in Nederland, oefent de kerk haar bijzondere zorg uit door een daartoe ingestelde commissie."

3.7 Uit de artikelen 30 tot en met 33 van de Overgangsbepalingen volgt voorts - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - dat de CBZ, op de in die bepalingen voorgeschreven wijze, in die gemeenten waar een aanzienlijk deel van de gemeenteleden en/of ambtsdragers het kerkelijk leven buiten PKN-verband willen voorzetten, (al dan niet voorlopige) maatregelen treft die nodig zijn voor het voortbestaan van de betreffende Hervormde Gemeente, alsmede (voorlopige) voorzieningen treft met het oog op het komen tot een nieuw kerkelijk leven voor hen die geen deel willen uitmaken van de PKN. Bij het treffen van deze voorzieningen worden ook vermogensrechtelijke aspecten in aanmerking genomen. Tegen het besluit waarin de voorziening is vervat kan bezwaar worden ingediend bij de GCBG op de voet van het bepaalde in ordinantie 12 van de PKO, óók door de leden en organen van de nieuwe kerkgemeenschap.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In eerste aanleg hebben de gemeenten in de hoofdzaak in grote lijnen gevorderd zoals hiervoor weergegeven onder 2.2 onder 1 tot en met 8.

In haar eindvonnis heeft de rechtbank in de hoofdzaak de wijkgemeenten Morgenster en De Noord in al hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, de gemeenten Nederhemert, Ouddorp, Voorburg en Beth-El niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot vernietiging van de beslissing van de Generale Commissie van 12 december 2002, de wijkgemeente Beth-El niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vernietiging van de beslissing van de Generale Commissie van 20 november 2003 en de vorderingen voor het overige afgewezen (alles onder compensatie van de proceskosten).

Daartegen richten de gemeenten hun grieven. Daarbij hebben de gemeenten hun vorderingen aldus verduidelijkt dat zij van de door hen bestreden besluiten niet de algehele nietigheid nastreven maar een onverbindendheid jegens hen.

4.2 De grieven richten zich alle, direct of indirect, vooreerst en in het bijzonder op nietigheid of vernietiging van (het besluit van de Generale Commissie van 12 december 2002 naar aanleiding van de bezwaren tegen) het besluit van de Generale Synode van 8 juni 2001 waarin het Rapport is aanvaard. Omdat de grieven niet de volgorde van het vonnis volgen maar de onderwerpen los van de besluiten clusteren, zal het hof het hoger beroep niet per grief afzonderlijk behandelen.

4.3 Deze zaak gaat over de fusie van de Nederlandse Hervormde Kerk met andere kerkgenootschappen, haar acceptatie daartoe van meer belijdenisgeschriften en de scheiding van haar achterblijvende leden en gemeenten die om gewetenswil vasthouden aan de oorspronkelijke gereformeerde belijdenisgeschriften van de NHK (zoals verwoord in artikel X lid 2 HKO 1951) en andere geschriften weren. Daarbij zijn in feite de vragen gerezen wie wie heeft verlaten en, in het verlengde daarvan, wie nu eigenlijk de NHK in de plaatselijke gemeenten voortzet, de gemeenten of de PKN.

De kernvraag is of de zelfstandigheid van de gemeenten zover strekt dat zij konden besluiten om niet mee te gaan in de PKN met behoud van alle (vermogens-)rechten.

4.4 De scheiding blijkt uitsluitend teweeggebracht door een onoverbrugbaar leergeschil omtrent geloof en belijdenis(-geschriften). Over de vraag wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft bij zo’n leergeschil, kan de burgerlijke rechter juist vanwege de persoonlijke aard van geloof en belijdenis vanzelfsprekend niet beslissen.

4.5 Wel is de burgerlijke rechter bevoegd te beslissen over de diverse besluiten van organen van de NHK (of de PKN). Ordinantie 19 van de NHK voorziet in een bijzondere rechtsgang voor een kerkelijke geschillencommissie. Artikel 2 daarvan kan, mede gezien in het licht van artikel 8 lid 5 en artikel 17, bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat een beslissing van een kerkelijke geschillencommissie in beginsel bindend is voor kerkelijke organen (vergelijk HR 19 december 2003, LJN: AN7818, NJ 2004, 559). Wanneer de geschilbeslechting, zoals hier, is opgedragen aan een kerkelijke geschillencommissie, dienen de partijen bij een geschil dat zowel kerkrechtelijke als civielrechtelijke aspecten heeft in beginsel deze rechtsgang te volgen en zijn zij, indien zij dit nalaten, in beginsel in hun vorderingen niet-ontvankelijk. Hierop zal het hof later ingaan. Op de beoordeling van de overige ontvankelijkheidsverweren gaat het hof ook pas later in.

4.6 Eerst zal het hof echter aandacht besteden aan de kerkrechtelijke positie van en de rechtsgang ten overstaan van de Generale Commissie.

De organisatie van de kerkelijke rechtsgang betreft een interne aangelegenheid die de burgerlijke rechter slechts zeer marginaal zal kunnen toetsen. Partijen zijn het er over eens dat in dit verband de Generale Commissie voldoende onafhankelijk moet kunnen functioneren. De gemeenten vinden dat dit onvoldoende het geval is, de PKN niet.

Bij de toetsing van de beslissingen van de Generale Commissie aan de maatstaf van artikel 7:904 BW moeten de fundamentele beginselen van procesrecht in beginsel worden in acht genomen (HR 24 maart 2006, LJN: AV1706, NJ 2007, 115).

De omstandigheden dat de Generale Synode de leden van de Generale Commissie benoemt, dat deze commissie een orgaan van bijstand zou zijn van de Generale Synode alsmede aan haar verantwoording verschuldigd zou zijn en zou werken onder haar verantwoordelijkheid, brengen noch afzonderlijk noch in onderling verband en samenhang bezien mee dat de Generale Commissie niet voldoende onafhankelijk van haar zou kunnen functioneren (vergelijk voormeld arrest van 19 december 2003). Tegenover de gemotiveerde betwisting van de PKN hebben de gemeenten niet beargumenteerd dat de Generale Commissie of haar leden rechtens en/of in feite verantwoording verschuldigd zouden zijn aan de Generale Synode over de inhoud van haar beslissingen en evenmin dat haar leden zouden kunnen worden afgezet en zeker niet mede op grond van de inhoud van hun beslissingen. De onafhankelijkheid wordt evenmin bedreigd door de omstandigheden dat altijd een lid van de Generale Synode zitting moet hebben in de Generale Commissie en dat vier van hen ambtsdrager moeten zijn. De Generale Commissie oordeelt immers met zeven leden, zodat de aanwezigheid van een enkel lid van de Generale Synode weinig gewicht in de schaal zal leggen. Dat vier leden ambtsdrager moeten zijn, zegt niets over een ontoelaatbare binding met de Generale Synode. Artikel 121 Grondwet noch artikel 6 EVRM vereist openbaarheid van de zittingen en/of van de beslissingen van een kerkelijk beroepscollege. Ook het ontbreken van een voorzieningenprocedure en een appelinstantie maakt de rechtsgang niet gebrekkig. Indien de voorzitter van de Generale Commissie al op een zitting (van 7 september 2000 in de zaak Elspeet nr. 19/99) in bijzijn van partijen aan de voorzitter van de Generale Synode om "instructie" gevraagd zou hebben over de verdere voortgang van de procedure, hetgeen de PKN overigens bestrijdt, betekent dit nog niet dat de Generale Commissie niet voldoende onafhankelijk zou kunnen functioneren en in de (verdere) praktijk niet voldoende onafhankelijk functioneert. Daarom passeert het hof het bewijsaanbod van de gemeenten over de zaak Elspeet. Dat de Generale Commissie bij de mondelinge behandeling van 14 mei 2009 op het bezwaarschrift van de wijkgemeenten Morgenster en De Noord op haar collectieve wraking mogelijk minder adequaat zou hebben gereageerd en met dezelfde leden zou hebben beslist, betekent evenmin in het licht van de zeer beperkte aan te leggen toets dat het Generaal College niet voldoende onafhankelijk zou staan ten opzichte van de Generale Synode.

Ook al zijn er in het licht van het voorgaande wel weef- en schoonheidsfoutjes te ontdekken in de kerkrechtelijke positie van en de rechtsgang ten overstaan van de Generale Commissie, per saldo is er geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van zodanige gebreken in de rechtsgang bij de Generale Commissie dat het reeds hierom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de gemeenten aan die oordelen van de Generale Commissie zijn gebonden.

4.7 Deze door de gemeenten overigens soms wel, soms niet gevolgde bijzondere rechtsgang heeft in een aantal gevallen geleid tot de toetsingsbesluiten van de Generale Commissie:

1) van 12 december 2002 naar aanleiding van de bezwaren tegen het besluit van de Generale Synode van 8 juni 2001 tot aanvaarding van het Rapport "Om de eenheid en heelheid van de kerk" van 16 maart 2001,

2) van 20 november 2003 naar aanleiding van de bezwaren tegen het besluit van de Generale Synode van 13 december 2002 tot vaststelling van de nieuwe Protestantse Kerk Orde (PKO) en

3) van 21 april 2004 naar aanleiding van de bezwaren tegen het besluit van de Generale Synode van 12 december 2003 tot de fusie van de kerken.

4.8 Bij de beoordeling van deze drie besluiten van de Generale Commissie stelt het hof het volgende voorop.

Nu de vaststelling via de kerkelijke geschillencommissie haar rechtsgrond elders vindt dan in een overeenkomst, vindt ingevolge artikel 7:906 lid 1 BW (onder meer) artikel 7:904 BW overeenkomstige toepassing (vergelijk HR 19 december 2003). Volgens het eerste lid daarvan is een beslissing vernietigbaar indien gebondenheid daaraan in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze marginale toetsing zal, naarmate de te beoordelen inhoud meer de beleidsvrijheid betreft en nog meer wanneer deze aan geloof en belijdenis raakt, onvermijdelijk op grotere afstand moeten plaatsvinden. Zij zal echter indringender (kunnen) zijn naarmate de te beoordelen inhoud meer vermogensrechtelijke aspecten betreft.

4.9 Bij de beoordeling van de drie concrete, bestreden besluiten van de Generale Commissie naar de hiervoor vermelde maatstaf is het van belang om de fusie te bezien in het licht van de totstandkomingsgeschiedenis van het reeds enkele decennia durende Samen op Weg-proces van de in 2004 verenigde kerken. In de negentiger jaren is gebleken dat een aantal gemeenten, al dan niet met moeite, meeging in het proces van eenwording, maar ook dat een aantal bezwaarde leden en gemeenten uiteindelijk niet zouden kunnen of willen meegaan. Het 38 pagina's tellende Rapport van 16 maart 2001 beoogt antwoord te geven op de gevolgen van de voorgenomen fusie die het eindresultaat zou zijn van het SOW-proces. In het Rapport zijn keuzen gemaakt die de weg naar de (verdere) eenheid van de kerken plaveiden en het strekt tot omarming van de andersdenkende kerken. Maar het Rapport voorziet ook het risico dat leden of hele gemeenten niet meegaan omdat zij de (verdere) eenwording van de kerken niet kunnen verenigen met hun geloofsbeleving. Om hen tegemoet te komen, plaatst het Rapport tegenover het ruimer geformuleerde belijden van de kerk (pagina 8) de waarborgen voor het gereformeerd belijden op het niveau van de afzonderlijke gemeenten (pagina 11). Het Rapport gaat ook verder in op de relatie tussen de NHK en haar gemeenten en strekt onmiskenbaar ter voorziening in de gevolgen van een dreigende afscheiding. Volgens het Rapport (pagina 26) laat de presbytoriaal-synodale structuur van de kerkorde van de NHK niet toe dat een gemeente zich van haar losmaakt, al kan dat wel door individuele personen.

Daarmee staat zowel het Rapport als de achtergrond van deze zaak in het teken van een voortgaande vereniging van kerken met hun leden en tegelijkertijd van het vasthoudend verzet van andere leden, allen op basis van hun oprechte en diepe geloofsovertuigingen. Voor alle betrokkenen heeft dit pijn, verdriet en verlies meegebracht, in kerkelijk en in gezinsverband.

4.10 Het hof zal nu eerst het besluit van de Generale Commissie van 12 december 2002 beoordelen.

Met de gemeenten is het hof van oordeel dat de Generale Synode het Rapport vóór haar besluit van 8 juni 2001 in beginsel ter consideratie aan de classicale vergaderingen had moeten voorleggen vanwege de verruiming van de belijdenisgeschriften in het zicht van de fusie en de opvattingen dat de NHK een presbyteriaal-synodale structuur heeft en dat een gemeente zich niet uit de kerkorde van de NHK kan losmaken. Juist het door de Generale Synode zelf erkende presbyteriale aspect rechtvaardigde dat zij de basis van de kerk zou raadplegen over deze opvattingen.

Daar staat echter het volgende tegenover. Deze kwesties speelden reeds vele jaren en waren voorwerp van uitgebreide discussies. Zoals de gemeenten zelf (onder meer in hun memorie van grieven onder 21) vermelden en zoals het Rapport (pagina 6) beschrijft:

"In het afgelopen decennium stond het Samen op Weg-proces voor een groot aantal hervormde gemeenten in het teken van de vraag hoe binnen een mogelijke verenigde kerk de identiteit en kerkordelijke status van de hervormde gemeenten gewaarborgd zouden zijn. Er bestond en bestaat twijfel over de confessionele grondslag van de verenigde kerk, maar ook over de mogelijkheid om binnen een verenigde kerk - die men niet gewild heeft - de eigenheid te kunnen handhaven (…). Zelfs werd geregeld de vraag aan de orde gesteld of een hervormde gemeente kan voortbestaan buiten de Nederlandse Hervormde Kerk en in de toekomst buiten het verband van de Verenigde Kerk. Ook in de gezamenlijke vergadering van synoden is in de afgelopen jaren over deze vragen zeer veel en zeer intensief gediscussieerd."

Naar aanleiding van het concept-Rapport van augustus 2000 heeft de Generale Synode daadwerkelijk consideraties ingewonnen. Toen er tegen het concept verzet bleek te bestaan, heeft zij aan de commissie KOA opgedragen het concept aan te vullen en te verbreden, waarop het (definitieve) Rapport volgde.

Tegen deze achtergrond is ten aanzien van het Rapport, in wezen de neerslag van die jarenlange discussie over het grondvlak van de kerk, aan het beginsel van considereren per saldo wel voldoende voldaan. De Generale Synode heeft het Rapport vervolgens nog bij brief van 5 juli 2001 aan de kerkenraden, predikanten en classicale vergaderingen toegezonden ter bespreking in het bijzonder in de classicale vergaderingen. De gemeenten hebben niet gesteld en evenmin is gebleken dat zij kort nadien naar aanleiding van de inhoud daarvan hun zienswijzen, al was dat misschien ongevraagd, bij de Generale Synode hebben ingebracht en/of dat zij hun verlangen kenbaar hebben gemaakt dat de Generale Synode deze consideraties ook opnieuw aan de classicale vergaderingen zou vragen.

In redelijkheid valt dan ook niet in te zien (dat de Generale Commissie zou hebben moeten oordelen) dat de Generale Synode het zorgvuldigheidsbeginsel (van een goede voorbereiding), het gelijkheidsbeginsel (met betrekking tot consideratie omtrent andere rapporten) of het vertrouwensbeginsel (met betrekking tot besluitvorming omtrent vér strekkende besluiten) zou hebben geschonden. In ieder geval is niet gebleken dat sprake is van zodanige schending van een of meer van deze beginselen, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de gemeenten aan het oordeel van de Generale Commissie zijn gebonden.

4.11 De gemeenten hebben voorts (in hun memorie van grieven, bladzijde 12) geklaagd over de schending van een reeks andere beginselen.

Van detournement de pouvoir, willekeur en het ontbreken van fair play is, bij gebreke van enige feitelijke onderbouwing, niet gebleken.

Ook het motiveringsbeginsel is niet geschonden. De Generale Synode kon het uitvoerige Rapport aannemen door in haar motivering naar dat rapport te verwijzen met een summiere aanvullende motivering, zoals de Generale Commissie ook heeft geoordeeld.

Van een schending van het evenredigheidsbeginsel blijkt niet zonder meer. Het was immers aan de Generale Synode om het algemeen belang van de NHK bij haar nagestreefde vereniging met de andere kerken af te wegen tegen de nadelige gevolgen daarvan voor de gemeenten c.q. leden die daarin niet wilden meegaan. Daarvoor heeft de Generale Synode voorts een bijzondere zorg procedure in het leven geroepen in de overgangsartikelen 29 tot met 33 van de PKO. De wijze waarop daaraan in de praktijk uitvoering is gegeven, kan in deze procedure geen rol spelen.

De keuze van de Generale Synode tot een afvaardiging van één hoofd per classis schept ten slotte een interne ordening van de NHK die door de burgerlijke rechter niet op juistheid kan worden getoetst.

4.12 De gemeenten klagen erover dat de Generale Commissie het besluit van de Generale Synode marginaal heeft getoetst en dat de burgerlijke rechter die marginale toetsing op zichzelf weer marginaal beoordeelt.

Partijen zijn het erover eens dat de Generale Commissie het besluit van de Generale Synode over de uitleg van de HKO ten aanzien van de positie van de gemeenten in de NHK vol moest toetsen. Het ging immers om een ver strekkende beslissing ten aanzien van een fundamenteel beginsel van de kerkorde. Volgens de gemeenten heeft de Generale Commissie niet vol getoetst, volgens de PKN wel.

Daarover oordeelt het hof als volgt.

In haar besluit van 12 december 2002 heeft de Generale Commissie in rov. 5.2 als kader opgenomen:

"Die vraag (van uitleg van de kerkorde, hof) moet aldus worden beantwoord dat de generale synode (...), binnen de grenzen van de bestaande kerkorde - zij mag immers behoudens in het geval van wijziging van de kerkorde niet buiten die grenzen treden - een grote mate van vrijheid van uitleg daarvan toekomt. Dit betekent dat de toetsing door de generale commissie in beginsel dient te geschieden naar de maatstaf of de bestreden uitleg kennelijk in strijd is met inhoud, strekking en geest van de kerkorde. Waar daarbinnen ruimte bestaat voor keuzen heeft de generale commissie een door de generale synode gemaakte keuze in beginsel te aanvaarden en is er slechts plaats voor een afwijkend oordeel van de generale commissie indien de generale synode in redelijkheid niet tot die keuze heeft kunnen komen."

Daarbij heeft de Generale Commissie dus reeds onderscheiden tussen een, ondanks het woord "kennelijk", diepere en een meer marginale toets. Zo overwoog de Generale Commissie onder meer in rov. 5.7:

"De generale commissie verenigt zich met hetgeen de commissie KOA in het rapport concludeert over de kerkordelijke presbyteriaal-synodale structuur van de kerk en de vraag of een hervormde gemeente uit het verband van de kerk kan treden. De commissie KOA heeft op deze punten een juiste uitleg gegeven aan de kerkorde. De generale commissie kan zich in het algemeen verenigen met de strekking van wat daartoe in het rapport wordt overwogen. Meer in het bijzonder is kerkrechtelijk juist hetgeen is geschreven in de nrs. 13 – 15 van het rapport. De hervormde gemeenten maken naar inhoud, strekking en geest van de kerkorde een onlosmakelijk deel uit van de NHK. De hervormde gemeenten kunnen geen rechtens effectief besluit nemen uit het verband van de NHK te treden en zij kunnen dus ook niet daadwerkelijk aan zo’n besluit uitvoering geven met rechtsgevolg."

Naar het oordeel van het hof houdt dit oordeel, waarin het woord "kennelijk" niet meer voorkomt, naar inhoud en strekking een volle toetsing in. Datzelfde geldt voor rov. 5.8:

"Ook wat in het rapport wordt gezegd over de burgerrechtelijke aspecten van de verhouding tussen de gemeenten en de kerk (nrs. 18 – 21) acht de generale commissie juist."

Een en ander komt tevens terug in de overwegingen 5.13 ("in genen dele strijdig") en 5.19 ("niet in strijd is").

In haar besluit van 20 november 2003 (rov. 6.1.1) heeft de Generale Commissie in lijn daarmee als toetsingskader uiteengezet of het bestreden besluit in strijd is met kerkordelijke en wettelijke bepalingen.

Uit een en ander leidt het hof af dat de Generale Commissie - ook in haar eerste besluit - tevens de inhoudelijke juistheid van de besluiten heeft beoordeeld.

De gemeenten hebben voorts een aantal motiveringsklachten tegen het besluit van de Generale Commissie van 12 december 2002 geformuleerd. Daarbij kan aan hen worden toegegeven dat de Generale Commissie met betrekking tot de kernvragen of de structuur van de NHK presbyteriaal-synodaal is en of een hervormde gemeente uit het verband van de kerk kan treden, in aanvulling op en bij haar onderschrijven van het Rapport, geen nadere argumenten heeft gebruikt. Dat maakt de gedachtegang van de Generale Commissie echter nog niet onnavolgbaar of oncontroleerbaar. Waar zij het uitvoerige Rapport voorbehoudloos onderschreef, nam zij immers de argumenten daaruit voor haar rekening.

Nu, anders dan de gemeenten aanvoeren, niet enkel een dubbele marginale toetsing heeft plaatsgevonden, maar een inhoudelijke toets door de Generale Commissie, ziet het hof geen aanleiding om daarover een deskundigenbericht (door drie kerkrechtdeskundigen) te gelasten, zoals de gemeenten hebben voorgesteld.

4.13 De gemeenten hebben aangevoerd (dat de Generale Commissie na verplicht ambtshalve onderzoek had moeten oordelen) dat het besluit van de Generale Synode van 8 juni 2001 onwettig, nietig of zelfs non-existent zou zijn.

Dat het besluit is genomen, staat vast en daarom is het niet non-existent. Het besluit kon ingevolge het analoog toe te passen artikel 2:14 lid 1 BW slechts nietig zijn indien het in strijd is met de wet of de statuten.

Strijd met de wet hebben de gemeente niet ingeroepen.

Evenmin blijkt het besluit, zoals getoetst door de Generale Commissie, in strijd met de statuten noch valt in te zien dat de Generale Commissie daartoe moest besluiten.

4.14 Volgens de gemeenten is het Rapport op het punt van de presbytoriaal-synodale kerkorde onjuist en daarom ook de drie besluiten van de Generale Synode en vervolgens die van de Generale Commissie.

Naar het oordeel van het hof miskent deze redenering dat de burgerlijke rechter de beslissing van de Generale Commissie slechts marginaal beoordeelt. Een kerkorde wordt nu eenmaal in hoge mate bepaald door argumenten van leerstellig karakter die een vaak eeuwenlange ontwikkeling hebben doorgemaakt. De door de gemeenten aan de situatie van de gereformeerde kerken ontleende argumenten (uit de rechtspraak en literatuur) treffen geen doel omdat die kerken in ieder geval (overwegend) presbyteriaal zijn, terwijl de PKN dat juist voor de NHK bestrijdt. Een aantal argumenten van de gemeenten dateert van vóór de instelling van de NHK in 1816, geeft van de gevolgen daarvan geen rekenschap en gaat daarom niet (zonder meer) op.

4.15 Verder voeren de gemeenten, naar het hof begrijpt, tegen de drie beslissingen van de Generale Commissie het argument aan van de vrijheid van godsdienst, geloof en belijden.

Naar aanleiding daarvan oordeelt het hof als volgt.

Duidelijk is dat de gemeenten willen vasthouden aan de belijdenisgeschriften van artikel X lid 2 HKO 1951 (de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels) en een uitbreiding daarvan in gemoede niet (kunnen) aanvaarden. Hoewel hun opvatting dat enkel zij de NHK voortzetten en dat juist de andere gemeenten zich daarvan hebben losgemaakt daarop consequent voortbouwt, kunnen zij met het op hun geloofsovertuiging gestoelde beroep op de vrijheid van godsdienst nog niet de door de Generale Commissie getoetste besluiten van de Generale Synode tot aanvaarding van het Rapport, tot wijziging van de PKO en tot de kerkvereniging aantasten. De vrijheid van godsdienst is in de interkerkelijke verhouding niet zo ruim dat gemeenten, die zich volgens de niet onjuist geoordeelde besluitvorming van de NHK niet van haar kunnen afsplitsen, met een beroep op hun geloofsovertuiging dat effect alsnog zouden kunnen bewerkstelligen. Immers ook aan de andere leden van de NHK en de PKN komt vrijheid van godsdienst toe. Op basis van hun verlangen naar vereniging en na een langdurig en intensief Samen op Weg-proces heeft de NHK, zoals haar vrijstond, gekozen voor de vereniging met een aantal andere kerken. Daarbij heeft zij of de PKN getracht om voor de gemeenten c.q. leden zoveel mogelijk hun eigen identiteit te waarborgen (maatregelen te treffen voor het voortbestaan van de hervormde gemeenten) en voorzieningen te treffen met het oog op een nieuw kerkelijk leven voor hen die geen deel meer willen uitmaken van de PKN. Inderdaad geldt dat in zaken van godsdienst niemand aan kerkelijke regelingen of uitspraken kan worden gebonden, die dat niet wenst. De regel dat uittreden uit een kerkelijk genootschap dan zal vrijstaan, rechtvaardigt binnen de kerkstructuur van de NHK echter niet dat een gemeente met alle (vermogens-)rechten van de kerk scheidt, ook al beschouwen zulke gemeenten zich als enige belijdende en rechtmatige voortzetters van de kerk.

4.16 De binding van de gemeenten aan deze beslissing beperkt niet de vrijheid van godsdienst van individuele leden. Die vrijheid gaat in de verhouding tot de NHK niet zover dat een gemeente als zodanig met een beroep daarop een bindend besluit van haar eigen kerkorde naast zich kan neerleggen of daaruit kan uittreden met behoud van alle rechten. Dit wordt niet anders door een (door de gemeenten ervaren) kerkverandering, die de gemeenten om gewetenswil niet (kunnen) accepteren. Ook dan blijft dat de structuur van de NHK, waaraan de gemeenten op basis van voormelde oordelen zijn gebonden, uitsluit dat een gemeente uittreedt. Van (indirecte) gewetensbezwaren en misbruik van meerderheidsmacht is in ieder geval geen sprake onder de door de PKN aanvaarde bijzondere zorg voor de in haar optiek uittredende leden, mits deze, alle omstandigheden in aanmerking genomen, hen daadwerkelijk helpt om hun kerkelijk leven reëel voort te zetten en gestalte te geven. Een en ander is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.17 De gemeenten hebben aangevoerd dat hen na 1 mei 2004 namen, ambten en alle eigendommen zijn afgenomen, terwijl het kerkelijk vermogen gezamenlijk bezit vormt, waarvan hen op zijn minst alsnog een rechtmatig (pro rata) deel moet worden toegekend.

Naar het oordeel van het hof zal deze kwestie moeten worden onderzocht in het kader van de overgangsbepalingen van bijzondere zorg in de daar voorziene rechtsgang, die uiteindelijk aan de burgerlijke rechter ten toets zal staan. Aan de beoordeling van het onder 6 gevorderde komt het hof dus in deze procedure niet toe.

4.18 Op grond van dit een ander heeft de Generale Commissie op 12 december 2002 in redelijkheid kunnen besluiten zoals zij heeft gedaan. Ook is niet gebleken van nietigheid van het besluit van de Generale Synode van 8 juni 2001. Daarom gaat de primaire redenering van de gemeenten, inhoudend dat de nietigheid van dit besluit de beide opvolgende besluiten meetrekt, niet op. De beide andere besluiten vloeien voort uit het besluit van de Generale Synode van 8 juni 2001. Tegen de toetsingsbesluiten daarvan door de Generale Commissie van 20 november 2003 en van 21 april 2004 hebben de gemeenten in hoger beroep geen afzonderlijke bezwaren aangevoerd, behalve dan dat de bezwaarden in de procedure voor het besluit van 20 november 2003 te weinig voorbereidingstijd en te weinig spreektijd hebben gekregen. In het licht van het grote aantal bezwaarschriften (meer dan 2100), waarvan aannemelijk is dat deze in overwegende mate dezelfde strekking hadden, en de gezamenlijke mondelinge behandeling, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld om in elkaars aanwezigheid hun standpunten mondeling toe te lichten, heeft de Generale Commissie echter naar het oordeel van het hof de bezwaarden bij monde van ongeveer 40 sprekers voldoende gelegenheid geboden om hun reeds schriftelijk kenbaar gemaakte bezwaren, zij het kort, mondeling toe te lichten.

Daarom blijven ook deze besluiten in stand.

4.19 Uiteindelijk kan niet worden geoordeeld dat gebondenheid van de gemeenten aan de besluitvorming in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De NHK is krachtens fusie opgegaan in de PKN. De gemeenten zijn daarin meegenomen en kunnen, mogelijk wel in geloofsopzicht maar in ieder geval niet in juridisch opzicht worden aangemerkt als voorzetters van de NHK onder de HKO van 1951, hoezeer dit laatste de gemeenten ook vanuit hun geloofsovertuiging mag tegenstaan.

4.20 De gemeenten hebben getuigenbewijs aangeboden van hun stelling dat het besluit inzake het Rapport op kerkordelijk onregelmatige wijze is stand komen. Dat betreft een juridisch oordeel, geen concrete feiten of omstandigheden waarover getuigen kunnen worden gehoord. Verder achten de gemeenten het van belang om die leden van de Generale Commissie die hebben beslist over het besluit van de Generale Synode van 8 juni 2001 onder ede te horen. De gemeenten hebben dit echter niet toegespitst op een concreet bewijsthema.

Daarom zal het hof beide bewijsaanbiedingen passeren.

4.21 Naast deze inhoudelijke toetsing zal het hof, zoals eerder aangekondigd, ook ingaan op de door de PKN ingeroepen niet-ontvankelijkheden. Het gaat daarbij om de ontvankelijkheid van de wijkgemeenten De Noord en Morgenster, de ontvankelijkheid van de gemeenten in hun vordering tot vernietiging c.a. van het besluit van 8 juni 2001 en de ontvankelijkheid van de gemeenten in verband met de interne kerkelijke rechtsgang.

4.22 Eerst de positie van de (niet als buitengewoon aangemerkte) wijkgemeenten De Noord en Morgenster, die de rechtbank niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun vorderingen.

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Kerkgenootschappen alsmede zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten ingevolge artikel 2:2 lid 1 BW rechtspersoonlijkheid. Volgens artikel 6 van Ordinantie 16 HKO vormen in centrale gemeenten de wijkgemeenten geen afzonderlijke rechtspersoon. Artikel 10a van de Ordinantie 2 voorziet wel in een procedure ter verkrijging van de status van buitengewone wijkgemeente met een eigen identiteit en de mogelijkheid om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen. Gesteld noch gebleken is dat De Noord en Morgenster deze weg hebben gevolgd. De NHK ontzegt dus rechtspersoonlijkheid aan de gewone wijkgemeenten. Daaruit vloeit voort dat zij de wijkgemeenten ook niet als zelfstandige onderdelen wilde aanmerken waardoor deze dan via die (om-)weg wel onder artikel 2:2 lid 1 BW voor rechtspersoonlijkheid in aanmerking zouden komen. Dat (een beroep op) artikel 6 van de Ordinantie 16 in strijd zou komen met de wet (wegens strijd met de openbare orde) valt niet in te zien. Kerkgenootschappen worden immers onder artikel 2:2 lid 2 BW geregeerd door hun eigen statuut en een dergelijk statuut kan ook, zonder in strijd te komen met lid 1, rechtspersoonlijkheid aan bijvoorbeeld wijkgemeenten ontzeggen, ook al voldoet zo’n wijkgemeente aan het vereiste religieuze karakter en is zij "compleet kerk" in de zin van artikel XI van de HKO. Dat deze beide wijkgemeenten zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnamen en mochten deelnemen, heeft de PKN gemotiveerd betwist en staat daarom niet vast. Artikel 6 van Ordinantie 16 staat ook niet op gespannen voet met de artikelen 17 van de Grondwet of 6 EVRM (die de toegang waarborgen tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter) omdat die artikelen slechts gelden voor natuurlijke personen of rechtspersonen en niet beogen uit dien hoofde rechtspersoonlijkheid of procesbevoegdheid in het leven te roepen. Een onaanvaardbaar gebrek aan rechtsbescherming doet zich evenmin voor. De afhankelijkheid van de beide wijkgemeenten van de centrale gemeente vloeit nu eenmaal voort uit het feit dat het wijkgemeenten betreffen. Zij moe(s)ten de discussie dus intern met de centrale gemeente voeren. De omstandigheid dat wijkgemeenten zelf de mogelijkheid hebben om consideraties in te dienen en door de Generale Commissie bij bezwaren en geschillen als belanghebbenden worden ontvangen, verplicht de burgerlijke rechter nog niet de rechtsbescherming in diezelfde lijn door te trekken. Op grond van het voorgaande is toepassing van artikel 6 van Ordinantie 16 ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij moet worden bedacht dat de leden van de wijkgemeenten als natuurlijke personen zelf naar de rechter kunnen gaan, al kunnen zij daarbij niet namens de wijkgemeente optreden. Artikel 6 van Ordinantie 16 en artikel XXXI ("Van de hereniging der Kerken") zijn in 1951 op dezelfde dag van kracht geworden. Daarom is er geen reden om het eerste artikel wegens onvoorziene omstandigheden buiten toepassing te laten. Van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW kan al geen sprake zijn omdat de vraag of de beide wijkgemeenten rechtspersoonlijkheid hebben in dit stadium niet afhangt van een bevoegdheid van de PKN.

De rechtbank heeft hen dus terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

4.23 De gemeenten hebben in hoger beroep in het kader van hun vermeerderde eis (zie rov. 2.2 onder 0) ook rechtstreeks dan wel voor het geval van vernietiging van het toetsingsbesluit het besluit van de Generale Synode van 8 juni 2001 tot aanvaarding van het Rapport aangevochten. Uit rov. 4.5 volgt echter dat zij daartoe in beginsel de bijzondere rechtsgang voor de kerkelijke geschillencommissie behoorden te volgen. Dat hebben zij niet gedaan.

4.24 Anders dan de gemeenten aanvoeren, was voor hen ook na 1 mei 2004 de interne kerkelijke rechtsgang nog beschikbaar omdat deze de relatie tussen de gemeenten en de kerk mede in de beëindigingsfase beheerst en de (wijze van) afwikkeling daarvan. Daaraan waren zij ook gebonden, zelfs als haar leden er (in meerderheid) voor kozen om slechts te blijven functioneren binnen de NHK onder de HKO van 1951. Dat de kerkelijke rechtsgang tegen de aanvaarding van het Rapport en tegen het verenigingsbesluit (hier afgezien van bijzondere zorgkwesties) tot mislukken gedoemd zou zijn, wat daarvan ook zij, rechtvaardigt nog niet dat zij rechtstreeks de burgerlijke rechter kunnen adiëren en levert evenmin een zwaarwegende omstandigheid op voor een uitzondering. Van een onaanvaardbaar gebrek aan rechtsbescherming, een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare binding aan de kerkelijke rechtsgang dan wel misbruik van bevoegdheid is niet gebleken. De gemeenten hadden tijdig de kerkelijke rechtsgang kunnen en moeten volgen.

4.25 Daarnaast is ingevolge het hier eveneens overeenkomstig toepasselijke artikel 2:15 lid 5 BW de bevoegdheid van de gemeenten om (rechtstreeks bij de burgerlijke rechter) vernietiging van het besluit van de Generale Synode van 8 juni 2001 te vorderen, vervallen een jaar na het einde van de dag, waarop aan dat besluit voldoende bekendheid was gegeven. Die termijn was onmiskenbaar verstreken toen zij in hoger beroep hun eis daartoe vermeerderden.

4.26 Ook het besluit van 12 december 2002 heeft de Generale Commissie niet genomen naar aanleiding van bezwaren van die gemeenten die thans het hoger beroep vervolgen. Daarom kunnen zij in hun vordering tot vernietiging, althans onverbindendverklaring van dat besluit te hunnen opzichte eveneens niet worden ontvangen. Mede hierop strandt hun hoger beroep tegen dat besluit.

4.27 Partijen hebben ten slotte geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Daarom wordt aan andere bewijsaanbiedingen voorbijgegaan.

5. De slotsom

5.1 Het hoger beroep moet worden verworpen, zodat het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd.

5.2 De vermeerderde eis zal worden afgewezen, ook die in rov. 2.2 onder 6 aangezien de gemeenten eerst de daartoe bestemde bijzondere kerkrechtelijke rechtgang moeten volgen.

5.3 Partijen zijn gelijk te stellen met broers en zussen. Daarom worden de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank Utrecht van 12 maart 2008;

wijst de in hoger beroep vermeerderde eis af;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, Th.C.M. Willemse en D. Stoutjesdijk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 24 augustus 2010.