Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4548

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
200.021.532/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het is vaste tuchtrechtspraak dat het op de weg van een gerechtsdeurwaarder ligt om zoveel als mogelijk is een debiteur tijdig in kennis te stellen van het niet doorgaan van een voor een bepaald tijdstip aangekondigd beslag of openbare verkoop. Onder de omstandigheden was het niet tuchtrechtelijk laakbaar om aan klaagster geen mededeling te doen van het niet doorgaan van de verkoop.

Niet kan gezegd worden dat de gerechtsdeurwaarder zoveel als mogelijk heeft gedaan om klaagster tijdig op de hoogte te stellen van het niet doorgaan van de verkoop. Anders dan de kamer acht het hof de klacht slechts op één onderdeel gegrond. Het hof ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om met deze (gedeeltelijke) gegrondverklaring te volstaan en geen maatregel op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 10 augustus 2010 in de zaak onder nummer 200.021.532/01 GDW van:

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],

APPELLANT,

tegen

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 24 december 2008 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 25 november 2008, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder klaagster, gegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van klaagster is op 10 september 2008 een brief ter griffie van het hof ingekomen, waarin klaagster meldt zich te verweren tegen het door de gerechtsdeurwaarder ingestelde hoger beroep.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2009, alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klaagster is – met bericht van verhindering – niet verschenen.

1.4. Na de terechtzitting heeft de gerechtsdeurwaarder op 2 november 2009 – op verzoek van het hof – nog een aantal stukken ingediend. Aan klaagster zijn de stukken bij brief van 9 november 2009 toegestuurd, met het verzoek hierop binnen 14 dagen op de inhoud daarvan te reageren. Van deze mogelijkheid heeft klaagster geen gebruik gemaakt.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar wat de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. Het hof voegt daar het volgende aan toe.

3.2. Op 29 augustus 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op roerende zaken van klaagster. Daarbij zijn die zaken omschreven in een proces-verbaal. Van dat proces-verbaal is direct een afschrift afgegeven aan klaagster. In hetzelfde proces-verbaal staat vermeld dat de executoriale verkoop op woensdag 26 september 2007, ’s middags om 14.00 uur, zal plaatsvinden. Ten slotte wordt in het proces-verbaal vermeld dat de verkoop zal worden aangekondigd door middel van aanplakking en een advertentie in een plaatselijke of regionale krant.

3.3. Op 7 september 2007 heeft de deurwaarder zich opnieuw naar de woning van klaagster begeven om de executiebiljetten van de verkoop aan te plakken. Ter plaatse heeft hij geconstateerd dat de woning leeg stond, dat er op aanbellen niemand open deed en dat de door hem in beslag genomen roerende zaken niet langer aanwezig waren. Hij heeft vervolgens niet aangeplakt en er is ook geen advertentie in een dagblad geplaatst.

3.4. Uit een uittreksel uit de desbetreffende gemeentelijke basisadministratie is gebleken dat klaagster vanaf 2 april 2007 tot 15 oktober 2007 stond ingeschreven op het adres, waar ook het beslag was gelegd: [adres] in [plaatsnaam].

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat de aangezegde executieverkoop van respectievelijk 26 september 2007 en 19 maart 2008 zonder opgaaf van redenen niet is doorgegaan. Klaagster heeft twee maal tevergeefs zitten wachten. Een door de gerechtsdeurwaarder op 19 maart 2008 verzonden brief waarin werd medegedeeld dat de verkoop niet doorging heeft klaagster niet bereikt. Klaagster stelt aan de gerechtsdeurwaarder te hebben doorgegeven dat zij was verhuisd. Het heeft klaagster verbaasd dat zij door de politie werd opgehaald ter zake van verduistering van de roerende zaken waarop een beslag rustte.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht van klaagster gedeeltelijk betwist en verweert zich als volgt.

5.2. De gerechtsdeurwaarder heeft op verzoek van een advocaat beslag gelegd op de roerende zaken van klaagster. Deze advocaat heeft de gerechtsdeurwaarder verzocht de executieverkoop niet door te laten gaan. Het was ook diens initiatief om aangifte te doen van verduistering van de in beslag genomen zaken. Zonder opgaaf van reden kan een executieverkoop afgelast worden dan wel verplaatst.

5.3. De gerechtsdeurwaarder betwist de stelling van klaagster dat zij hem op de hoogte heeft gesteld van haar nieuwe adres gegevens. De brief van 18 maart 2008 waarin de afgelasting van de executie werd aangekondigd heeft klaagster niet bereikt, omdat de gerechtsdeurwaarder de brief naar de ex-partner van klaagster heeft verzonden. De gerechtsdeurwaarder heeft telefonisch zijn spijt betuigd hieromtrent.

6. De beoordeling

6.1. Het is vaste tuchtrechtspraak dat het op de weg van een gerechtsdeurwaarder ligt om zoveel als mogelijk is een debiteur tijdig in kennis te stellen van het niet doorgaan van een voor een bepaald tijdstip aangekondigd beslag of openbare verkoop. Er is echter geen wettelijke regel en ook geen gedragsregel, die voorschrijft dat de gerechtsdeurwaarder aan de debiteur de reden van het niet doorgaan dient op te geven. De kamer heeft onder 4.3. onder meer overwogen:

Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder, dat dit (gerechtshof: bedoeld is het niet doorgaan van een eenmaal aangekondigde executieverkoop) zonder opgaaf van reden wel mogelijk is, is dus niet juist. Gelet op het verband waarin deze volzin staat leest het hof die aldus, dat de kamer met de woorden “zonder opgaaf van reden” heeft bedoeld “zonder kennisgeving”.

Uit de door de gerechtsdeurwaarder – na de mondelinge behandeling door dit hof – aan het hof toegezonden stukken, in het bijzonder het aan klaagster in persoon betekende exploot waarin de aanzegging staat vermeld, blijkt dat zij wel de aanzegging heeft gekregen, maar niet is gebleken dat een afzegging haar heeft bereikt.

Uit de brief van 2 november 2009 gericht aan het hof, blijkt dat de kandidaat- gerechtsdeurwaarder op 20 september 2007 heeft besloten de executie niet door te laten gaan. De aangekondigde datum van verkoop was 26 september 2007.

Klaagster heeft niet weersproken dat op 7 september 2007 de in beslag genomen roerende zaken niet meer ter verkoop aanwezig waren. Klaagster moet geacht worden daarvoor verantwoordelijk te zijn. Onder deze omstandigheden was het niet tuchtrechtelijk laakbaar om aan klaagster geen mededeling te doen van het niet doorgaan van de verkoop. Het eerste klachtonderdeel is daarom ongegrond.

6.2. Het tweede klachtonderdeel betreft de niet doorgegane verkoop op 19 maart 2008. Die voorgenomen verkoop was door middel van een aanplakbiljet op 12 maart 2008 aan klaagster aangekondigd. De gerechtsdeurwaarder heeft getracht klaagster van het niet doorgaan van die verkoop op de hoogte te stellen door het sturen van een brief. Die brief is door de gerechtsdeurwaarder naar het verkeerde adres verzonden en bovendien is die brief pas op 18 maart 2008 – zoals klaagster heeft gesteld en door de gerechtsdeurwaarder niet is weersproken – verzonden. Mede gelet op het tijdstip van de aangekondigde verkoop, 11.00 uur, kan niet gezegd worden dat de gerechtsdeurwaarder zoveel als mogelijk heeft gedaan om klaagster tijdig op de hoogte te stellen van het niet doorgaan ervan. Het tweede klachtonderdeel is daarom gegrond.

6.3. Voor zover klaagster heeft beoogd te klagen over de aanhouding inzake de aangifte van de verduistering van de in beslag genomen roerende zaken, is het hof van oordeel dat de aanhouding niet aan de gerechtsdeurwaarder kan worden toegeschreven. Reeds om die reden is dit klachtonderdeel ongegrond.

6.4. Anders dan de kamer acht het hof de klacht slechts op één onderdeel gegrond. Het hof ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om met deze (gedeeltelijke) gegrondverklaring te volstaan en geen maatregel op te leggen. Het hof laat daarbij meewegen de gang van zaken rond de brief van 18 maart 2008, zoals door de gerechtsdeurwaarder in zijn verweerschrift van 12 juni 2008 (eerste aanleg) beschreven en door klaagster niet gemotiveerd weersproken. Op grond daarvan acht het hof het aannemelijk dat klaagster (via haar ex-partner) wel degelijk tijdig van het niet doorgaan van de inhoud van de brief van 18 maart 2008 inzake het niet doorgaan van de executie op de hoogte is geweest.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.6. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht ten aanzien van klacht onderdeel 2 (zoals bedoeld in rechtsoverweging 6.2) gegrond;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.L.G.A. Stille en L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 augustus 2010 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 25 november 2008 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 145.2008 van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

klaagster,

tegen:

[de gerechtsdeurwaarder],

waarnemend gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief van 25 maart 2008 heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief van 29 april 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

Klaagster heeft op 13 mei 2008 telefonisch medegedeeld de klacht te handhaven.

Bij brief van 12 juni 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2008, alwaar klaagster is verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft telefonisch op 14 oktober 2008 laten weten dat hij niet kon verschijnen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een ten laste van klaagster gewezen vonnis en heeft in opdracht beslag gelegd op de inboedel van klaagster.

b) Een op 26 september 2007 aangezegde executieverkoop is niet doorgegaan.

c) Op 30 januari 2008 is klaagster vanwege een aangifte verduistering in beslag genomen goederen door de politie meegenomen en na verhoor weer vrijgelaten.

d) Op 12 maart 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder een openbare executieverkoop aangeplakt tegen 19 maart 2008 om 11.00 uur. Deze aangezegde verkoop heeft geen doorgang gevonden.

2. De klacht

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat een aangezegde executieverkoop tot tweemaal toe zonder opgaaf van redenen niet is doorgegaan. Klaagster heeft tweemaal tevergeefs zitten wachten maar er kwam niemand opdagen. Een door de gerechtsdeurwaarder op 19 maart 2008 aan haar verzonden brief waarin werd medegedeeld dat de verkoop niet doorging heeft haar niet bereikt. Klaagster stelt ook aan de gerechtsdeurwaarder te hebben doorgegeven dat zij was verhuisd. Tot haar verbazing werd zij echter door de politie opgehaald wegens een aangifte verduistering van roerende zaken.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft samengevat aangevoerd dat hij beslag heeft gelegd op de inboedel van klaagster. Het niet doorgaan van de executieveiling is door zijn opdrachtgever, een advocaat bepaald. Zoals het ook diens initiatief is geweest om aangifte van verduistering te doen omdat klaagster was vertrokken van het adres waar beslag werd gelegd. Anders dan door klaagster is gesteld heeft zij geen nieuw adres doorgegeven. Klaagster dient zich met vragen dienaangaande tot zijn opdrachtgever te wenden. De opdracht tot tenuitvoerlegging is door de advocaat ingetrokken. Zonder opgaaf van reden kan een executieverkoop worden afgelast dan wel worden verplaatst. De brief waarbij de executieverkoop van 18 maart 2008 werd afgelast is abusievelijk verzonden naar het adres van een medeschuldenaar van klaagster, haar ex-partner. In een telefoongesprek van 27 maart 2008 heef de gerechtsdeurwaarder zich hiervoor geëxcuseerd.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Alvorens tot beoordeling van de klacht over te gaan, wordt overwogen dat ingevolge het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet slechts gerechtsdeurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. Het gerechtsdeurwaarderskantoor [ ] kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde. Nu de klacht niet herleid kan worden tot het handelen van een bepaalde gerechtsdeurwaarder wordt de aan het kantoor verbonden waarnemend gerechtsdeurwaarder aangemerkt als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van deze beschikking al rekening is gehouden.

4.2 Ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.3 Vaste rechtspraak is dat het op de weg van de gerechtsdeurwaarder ligt om een debiteur tijdig in kennis te stellen van het intrekken of niet doorgaan van een beslag dan wel van een executieverkoop. Indien een eenmaal aangekondigde executieverkoop wordt uitgesteld, dan dient dit kenbaar te worden gemaakt aan degene aan wie de verkoop was aangekondigd. Dat is niet gebeurd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder, dat dit zonder opgaaf van reden wel mogelijk is, is dus niet juist. Ook al omdat door de gerechtsdeurwaarder ter zitting niet is weersproken dat klaagster haar nieuwe adres aan zijn medewerker, [X], heeft gemeld. Vast staat dat klaagster op beide dagen heeft gebeld met de gerechtsdeurwaarder en pas toen vernam dat de openbare verkoop niet doorging. De Kamer acht de klacht daarom gegrond en ziet aanleiding na te noemen maatregel op te leggen.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. M.M. Beins, plaatsvervangend-voorzitter en mr. G.H.I.J. Hage en mr. A.C.J.J.M. Seuren (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2008 in tegenwoordigheid van de secretaris.