Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4538

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
200.039.319/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alles overziend kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat de communicatie tussen partijen op dit punt alles behalve optimaal is geweest. Het hof is van oordeel dat, hoewel klaagster zelf ook contact met de notaris had kunnen leggen om er zeker van te zijn dat de (juiste) verrekenposten in de eindafrekening zouden worden opgenomen, het in de onderhavige zaak wel degelijk ook op de weg van de notaris had gelegen om een meer actieve houding aan te nemen.

Het hof ziet in deze omstandigheid echter onvoldoende grond om de klacht van klaagster gegrond te verklaren, gelet ook op enerzijds de in dezen passieve houding van klaagster zelf en anderzijds het feit dat inderdaad, indien nodig, de eindafrekening nog op de dag het transport had kunnen worden aangepast. Het hof bekrachtigt de beslissing van de kamer van toezicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 10 augustus 2010 in de zaak onder nummer 200.039.319/01 NOT van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. D.D. Senders,

tegen

[de notaris],

oud-notaris te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. M.G.M. de Bont.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante, hierna klaagster, heeft bij een op 3 augustus 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Haarlem, hierna de kamer, van 8 juli 2009, waarbij de kamer de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, hierna de notaris, ongegrond heeft verklaard.

1.2. Namens de notaris is op 16 februari 2010 per fax een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof op 25 februari 2010. Verschenen zijn klaagster en de notaris, beiden vergezeld van hun gemachtigden. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klaagster aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notaris – voor zover ter zitting van de kamer gehandhaafd en in het kort weergegeven – dat hij bij de overdracht van haar bedrijfspand haar belangen niet heeft behartigd en slechts de belangen van de koper van haar bedrijfspand en assurantieportefeuille in het oog heeft gehouden.

4.2. Klaagster stelt dat de notaris in opdracht van de koper een andere datum voor het passeren van de leveringsakte heeft vastgesteld zonder haar daarover te informeren of om nadere gegevens te verzoeken.

Verder is klaagster van mening dat de notaris, toen koper hem met de mededeling dat zekerheidstelling niet langer noodzakelijk was had verzocht om een andere leveringsdatum vast te stellen, de juistheid van de door de koper gedane mededeling bij klaagster had moeten verifiëren.

Volgens klaagster heeft de notaris, nu hij dit alles heeft nagelaten, onzorgvuldig en partijdig gehandeld.

Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst klaagster nog naar de inhoud van haar brief van 25 april 2007 gericht aan de koper, waarin onder meer de navolgende – voor onderhavige zaak relevante – passages voorkomen:

“(…) Ik heb in overleg met u de termijn verkort en gesteld op 18 april 2007.

Na u en uw financier uitstel te hebben verleend tot uiterlijk 18 april 2007 om de financiering voor de aankoop (…) in orde te krijgen, hebben wij beide kunnen vaststellen dat de financiering niet tijdig was gerealiseerd. (…)

(…) Ik heb u op 18 april 2007 of direct daarna medegedeeld dat de exclusiviteit van onze onderhandeling hiermee kwam te vervallen. Ik heb u geïnformeerd met andere partijen informatieve gesprekken te zullen gaan voeren. U toonde daarvoor begrip en u heeft daarmee ingestemd. (…)”.

4.3. Klaagster verwijt de notaris in haar beroepschrift dat hij in strijd met zijn verplichtingen, voortvloeiende uit de Wet op het notarisambt heeft gehandeld alsmede met de zorgvuldigheid die van een notaris, gezien zijn belangrijke functie in de maatschappij, verwacht mag worden.

4.4. In hoger beroep is door klaagster nog aangevoerd dat de kamer in rechtsoverweging 5.2. van de bestreden beslissing ten onrechte overweegt dat klaagster door ondertekening van de brief van koper gedateerd 6 april 2007 er (onder meer) mee akkoord zou zijn gegaan dat de levering zou plaatsvinden op een zodanige datum als dat een bank en notariële instellingen dat mogelijk zouden maken. Klaagster wijst erop dat die akkoordverklaring geschiedde onder de voorwaarde dat de bankgarantie uiterlijk 18 april 2007 gesteld diende te worden en dat aan die voorwaarde niet is voldaan.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. Voor de weergave van het volledige standpunt van de notaris verwijst het hof naar het verweerschrift in hoger beroep.

5.2. Volgens de notaris ligt de kern van het geschil tussen hem en klaagster in het feit, dat het in onderhavige situatie gaat om een koopovereenkomst gesloten tussen twee deskundige partijen: klaagster, de verkopende partij, was makelaar/verzekeringsagente en de koper was verzekeringsagent. De notaris is van mening dat vooral klaagster geacht moet worden deskundig te zijn in het opstellen van koopovereenkomsten van onroerende zaken. Klaagster zou moeten weten dat een overeenkomst niet kan worden ontbonden zonder wederzijdse instemming, of althans niet zonder een in die overeenkomst voorgeschreven, regelmatige, ingebrekestelling.

5.3. De notaris is van mening, dat klaagster uit het oog is verloren dat er tussen haar en de koper op 28 maart 2007 een bindende overeenkomst tot stand is gekomen, waardoor zij gehouden was aan de levering van het onroerend goed mee te werken. Dit brengt volgens de notaris mee, dat er derhalve geen sprake was van een onderhandelingssituatie waaruit klaagster zich zonder meer nog kon terugtrekken, zoals door haar gesuggereerd in de hiervoor onder 4.2. deels geciteerde brief aan koper van 25 april 2007.

5.4. Verder is de notaris van mening,dat de koper aan zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst, te weten het verkrijgen van afdoende financiering, heeft voldaan en dat de koper klaagster dus terecht heeft aangesproken op nakoming van de koopovereenkomst. De notaris heeft partijen dan ook zijns inziens terecht uitgenodigd om uitvoering te geven aan die koopovereenkomst. Volgens de notaris is dan ook geen sprake van veronachtzaming van de belangen van klaagster.

5.5. In zijn verweerschrift benadrukt de notaris dat hij en zijn medewerkers niet betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen tussen partijen noch bij de totstandkoming of het opstellen van de desbetreffende koopovereenkomst. Voorts geeft de notaris aan,dat er na ontvangst door hem van de koopovereenkomst weinig contact is geweest tussen partijen enerzijds en de notaris dan wel zijn medewerkers anderzijds zodat het de notaris en de behandelend kandidaat-notaris onbekend was wat zich precies tussen partijen heeft afgespeeld.

6. De beoordeling

6.1. Het hof verenigt zich met hetgeen door de kamer in de rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.3 is overwogen.

6.2. Het hof voegt daar nog aan toe dat de verwijzing door klaagster naar de voorwaarde inzake het stellen van een bankgarantie uiterlijk op 18 april 2007 (zie hiervoor onder 4.4.) niet tot een ander oordeel leidt. Klaagster ziet er ten onrechte aan voorbij dat de koopovereenkomst inzake het bedrijfspand onder 11.1 de bepaling bevat dat voor ontbinding in gebreke stelling bij aangetekend schrijven is vereist. Nu gesteld noch gebleken is dat een dergelijke in gebreke stelling heeft plaatsgevonden en evenmin aan de notaris was gebleken van een beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden, heeft de kamer met juistheid geoordeeld dat de notaris in casu niet de belangen van klaagster heeft veronachtzaamd door een andere leveringsdatum vast te stellen.

6.3. Het hof overweegt voorts dat de kamer ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van klaagster dat het opmerkelijk is te noemen dat de notaris, die aan de hand van een eerder door klaagster opgesteld overzicht wist dat er een aantal verrekenposten was, deze niet heeft opgenomen in de door hem opgestelde eindafrekening van 10 mei 2007. Deze eindafrekening is samen met de brief van 10 mei 2007, waarin werd aangekondigd dat de leveringsakte op 15 mei 2007 zou worden gepasseerd, aan klaagster verzonden. Dit is volgens klaagster te meer verwijtbaar, nu klaagster bij brief van 10 april 2007, waarin zij de notaris informeerde over het door partijen overeengekomen uitstel van de overdrachtsdatum, eveneens te kennen gaf dat de eerder door haar ingediende verrekenposten zouden wijzigen en dat zij een nieuwe versie van het door haar verstrekte overzicht – inclusief de wegens het uitstel gederfde rentevergoeding – zo spoedig mogelijk naar de notaris zou sturen. .

Desgevraagd heeft klaagster ter zitting medegedeeld, dat zij niet heeft gereageerd op de in genoemde brief van 10 mei 2007 vermelde oproep om onjuistheden in de toegezonden stukken door te geven omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de eigendomsoverdracht niet plaats zou vinden. Volgens klaagster werd die indruk bij haar versterkt in een telefoongesprek dat zij op 14 mei 2007 met een medewerkster van de notaris heeft gevoerd. De notaris heeft daarop ter zitting aangevoerd, dat hij niet heeft overwogen om voorafgaand aan de eigendomsoverdracht contact met klaagster op te nemen voor een actueel overzicht van de eerder door haar ingediende verrekenposten, omdat de mogelijkheid bestond dat de geplande eigendomsoverdracht niet door zou gaan. Voorts kon de eindafrekening altijd nog ten tijde van het verlijden van de transportakte aangepast worden, aldus de notaris.

6.4. Alles overziend kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat de communicatie tussen partijen op dit punt alles behalve optimaal is geweest.

De visie van de notaris ter zitting dat hij zichzelf in onderhavige zaak slechts zag als “doorgeefluik” tussen partijen, acht het hof onjuist. Het hof is van oordeel dat, hoewel klaagster zelf ook contact met de notaris had kunnen leggen om er zeker van te zijn dat de (juiste) verrekenposten in de eindafrekening zouden worden opgenomen, het in de onderhavige zaak wel degelijk ook op de weg van de notaris had gelegen om een meer actieve houding aan te nemen. De notaris had klaagster voorafgaand aan de eigendomsoverdracht persoonlijk kunnen benaderen teneinde te verifiëren of hij beschikte over de juiste verrekenposten en eventuele aanpassingen vervolgens tijdig kunnen (laten) verwerken in de eindafrekening.

Het hof ziet in deze omstandigheid echter onvoldoende grond om de klacht van klaagster gegrond te verklaren, gelet ook op enerzijds de in dezen passieve houding van klaagster zelf en anderzijds het feit dat inderdaad, indien nodig, de eindafrekening nog op de dag het transport had kunnen worden aangepast.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.6. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.M.A. Verscheure en A.A. van Berge en op dinsdag 10 augustus 2010 door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-

NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT HAARLEM

Beschikking d.d. 8 juli 2009 van de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen in het arrondissement Haarlem, nader ook “de kamer”, in de zaak onder nummer K.02.09 van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

nader ook klaagster,

advocaat: mr. D.D. Senders,

kantoorhoudende te Hilversum.

---tegen---

[de notaris],

oud-notaris te [plaatsnaam],

nader ook: de notaris.

1. Verloop van de procedure.

Voor het verloop van de procedure verwijst de kamer naar de navolgende aan de kamer tot het nemen van een beslissing overgelegde bescheiden, waarvan de inhoud als hier ingevoegd dient te worden aangemerkt:

- de op 27 januari 2009 ter secretarie van de kamer ingekomen brief van de advocaat van klaagster van 27 januari 2009 met 10 bijlagen;

- de brief van de advocaat van klaagster van 9 februari 2009 met 4 bijlagen;

- de brief van de notaris van 23 maart 2009;

1.2 In de openbare vergadering van de kamer van 28 mei 2009 is klaagster gehoord. De notaris is, zoals hij had bericht, niet verschenen. Klaagster is in de gelegenheid gesteld haar standpunten toe te lichten.

Vervolgens heeft de voorzitter van de kamer de behandeling gesloten en bepaald dat op 8 juli 2009 een beschikking zal volgen.

2. Relevante vaststaande feiten.

Bij de behandeling van de klacht wordt van het navolgende uitgegaan:

a. Klaagster heeft een makelaars-, hypotheek- en assurantiekantoor te Hilversum gedreven.

b. Klaagster heeft op 28 maart 2007 met [ ] (hierna: [de koper]) een koopovereenkomst gesloten op basis waarvan klaagster haar bedrijfspand aan de [adres] te [plaatsnaam] aan [de koper] heeft verkocht. De koopsom bedroeg € 405.000,--.

c. Op dezelfde dag heeft klaagster een koopovereenkomst met [de koper] gesloten op basis waarvan zij de assurantieportefeuille aan [de koper] heeft verkocht voor een bedrag van € 95.000,--.

d. In de koopovereenkomst zijn, voor zover hier van belang, de navolgende bepalingen opgenomen: “(…)

Artikel 2. Eigendomsoverdracht

2.1. De akte van levering zal gepasseerd worden op: 16 april 2007, of zoveel eerder of later als partijen nader overeenkomen, ten overstaan van notaris (..) [de notaris] (…).

Artikel 6. Ontbindende voorwaarden

6.1. Deze overeenkomst kan door koper worden ontbonden indien hij (…)

c. op 8 april 2007 voor financiering en/of krediet van de onroerende zaak tot een bedrag van € 405.000,00 geen hypothecaire geldlening of het aanbod daartoe van een erkende geldverstrekkende instelling heeft verkregen, (…)

Artikel 7. Waarborgsom

7.1. Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van koper wordt door deze uiterlijk op 8 april 2007 gestort als waarborgsom in handen van de notaris (…) een bedrag van € 40.500,= (…).

7.2. In plaats van deze waarborgsom te storten kan koper tot op de uiterste datum die in artikel 7.1 genoemd is een schriftelijke bankgarantie doen stellen voor het in artikel 7.1 genoemde bedrag, (…)

Artikel 11. Ingebrekestelling, ontbinding en schadeloosstelling.

11.1. Indien een van de nalatige partij(en), na aangetekend schrijven in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig blijft in de nakoming van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zal deze overeenkomst van rechtswege zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden zijn, (…)”.

e. In verband met het feit dat [de koper] niet kon voldoen aan de in de koopovereenkomst vermelde termijnen heeft hij zich voor uitstel hiervan tot klaagster gewend.

In zijn brief van 6 april 2006 [bedoeld zal zijn 2007] heeft [de koper] onder meer het navolgende aan klaagster en de notaris medegedeeld: “(…)

Betreft: uitstel van of beroep doen op ontbindende voorwaarden tbv aankoop onroerend goed (…) en bedrijfsovername (…)

Op 6 april 2007 heeft Koper in een persoonlijk onderhoud aan Verkoper verzocht om uitstel van de ontbindende voorwaarden naar 24 april 2007 en de leveringsdatum te verplaatsen naar de mooie datum 1 mei 2007 of zoveel eerder of later als dat partijen overeenkomen of zoveel eerder of later als dat een bank en notariële instellingen het mogelijk maken.

Verkoper heeft hiermee ingestemd onder de voorwaarde dat de bankgarantie uiterlijk 18 april 2007 gesteld dient te worden. (…)”.

Deze brief is door klaagster voor akkoord ondertekend.

f. Bij brief van 23 april 2007 heeft de notaris aan klaagster en [de koper] bericht dat de eigendomsoverdracht zal plaatsvinden op 15 mei 2007.

g. Klaagster heeft op 24 april 2007 het bedrijfspand en de assurantieportefeuille aan derden verkocht.

h. Op 25 april 2007 heeft klaagster de notaris telefonisch medegedeeld dat zij geen nieuwe leveringsdatum was overeengekomen met [de koper] en dat de onder punt f genoemde brief dan ook ten onrechte door hem was verzonden.

i. Bij brief van 25 april 2007 heeft klaagster onder meer het navolgende aan [de koper] medegedeeld:”(…)

A priori zou de bankgarantie 8 april 2007 kunnen worden afgegeven. Er is door u, de notaris en uw financier uitstel gevraagd, in eerste aanleg tot 24 april 2007. Ik heb in overleg met u de termijn verkort en gesteld op 18 april 2007.

Na u en uw financier uitstel te hebben verleend tot uiterlijk 18 april 2007 om de financiering voor de aankoop van mijn bedrijf in orde te krijgen, hebben wij beide kunnen vaststellen dat de financiering niet tijdig was gerealiseerd. Dat betreur ik ten zeerste.

Na 18 april 2007 heeft u met uw financier afgesproken dat pas 8 mei 2007 eventueel een bankgarantie zou kunnen worden afgegeven. Een en ander afhankelijk van de beoordeling van uw financieringsaanvraag.

Ik heb u op 18 april 2007 of direct daarna medegedeeld dat de exclusiviteit van onze onderhandeling hiermee kwam te vervallen. Ik heb u geïnformeerd met andere partijen informatieve gesprekken te zullen gaan voeren. U toonde daarvoor begrip en u heeft daarmee ingestemd.

(…)

Desalniettemin, zoals eerder gezegd, ben ik thans in verengaande exclusieve besprekingen met derde. De exclusiviteit is ingegaan op 25 april 2007 en loopt tot 19 mei 2007

Ik heb nog gewacht op resultaat tot 24 april 2007 omdat in eerdere gesprekken uw financier deze datum haalbaar achtte. (…)”.

Klaagster heeft een kopie van deze brief aan de notaris verzonden.

j. Bij faxbericht van 25 april 2007 heeft klaagster de notaris het navolgende medegedeeld:”(…)

Met reactie op uw brief van 23 april jl. deel ik u het volgende mee: Wij hebben op 18, 19 en 20 april [de koper] en zijn bank laten weten geen verder uitstel te ondertekenen en vrij te zijn om met andere partijen in onderhandeling te gaan. [de koper] heeft gezegd het wel te begrijpen na uitstel van 1 april tot 18 april tot 24 april en vanaf 30 januari dit jaar al op financiële zekerheid te wachten.

Wij kunnen [de koper] geen exclusiviteit meer geven tot 19 mei vooralsnog.

Bijgaand doe ik u de bevestiging van deze aan [de koper] toekomen. (…)”.

k. Op 8 mei 2007 is de financieringsaanvraag van [de koper] gehonoreerd, hetgeen hij aan klaagster per die datum heeft medegedeeld.

l. In zijn brief van 10 mei 2007 heeft de notaris aan klaagster onder meer het navolgende medegedeeld:”(…)

Ingesloten doe ik u toekomen de bescheiden terzake de eigendomsoverdracht van bovengemeld pand.

De akte kan door u worden ondertekend op dinsdag 15 mei a.s. om 15.00 uur. (…)”.

m. Op 14 mei 2007 heeft klaagster de notaris en [de koper] schriftelijk medegedeeld alsdan niet te zullen verschijnen.

n. Op 15 mei 2007 heeft de notaris een akte van non-comparitie opgemaakt, waarin is vermeld dat hij heeft geconstateerd dat [de koper] op 15 mei 2007 om 15.00 uur is verschenen en zich bereid heeft verklaard aan het verlijden van de akte van levering mee te werken, dat [de koper] heeft voldaan aan de financiële verplichtingen door storting van de door hem verschuldigde koopsom en kosten, en dat klaagster niet is verschenen, zodat niet tot het verlijden van de akte van levering kon worden overgegaan.

o. Op dezelfde dag heeft de notaris de tussen klaagster en [de koper] gesloten overeenkomst ter zake van het bedrijfspand in het Kadaster ingeschreven.

p. In haar vonnis van 12 november 2008 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage klaagster onder meer veroordeeld om tot levering van het bedrijfspand en de overdracht van de assurantieportefeuille over te gaan, aangezien klaagster niet heeft kunnen bewijzen dat de overeenkomsten op 18 april 2007 met wederzijds goedvinden waren beëindigd.

q. Klaagster heeft met [de koper] uiteindelijk een schikking getroffen.

3. Inhoud van de klacht.

3.1 De klacht, zoals deze ter zitting nader is toegelicht, laat zich – zakelijk weergegeven – als volgt omschrijven:

Klaagster verwijt de notaris dat hij haar belangen niet heeft behartigd en slechts de belangen van [de koper] in het oog heeft gehouden, aangezien de notaris in opdracht van [de koper] - zonder haar te informeren of om nadere gegevens te verzoeken - een andere datum heeft bepaald in verband met het passeren van de leveringsakte.

3.2 Het standpunt van klaagster.

Klaagster stelt dat de notaris toen [de koper] hem een nieuwe leveringsdatum had doorgegeven met de mededeling dat zekerheidstelling niet langer noodzakelijk was, de juistheid van deze door [de koper] aangeleverde informatie bij haar had moeten verifiëren. Klaagster verwijst hierbij nadrukkelijk naar haar brief van 25 april 2007.

Nu de notaris dit heeft nagelaten, meent klaagster dat hij onzorgvuldig en zelfs partijdig heeft gehandeld. Klaagster voegt hieraan toe dat bij haar, door een telefoongesprek dat zij met een medewerkster van de notaris op 14 mei 2007 heeft gevoerd, de indruk was ontstaan dat de levering niet langer doorgang zou vinden.

4. Het standpunt van de notaris.

De notaris heeft in zijn brief van 23 maart 2009 voor zover van belang, het navolgende aan de kamer medegedeeld: “(…) In afwachting van een civiele procedure heb ik de stukken van [klaagster] ter hand gesteld van de advocaten van mijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar (…). Ik zal niet aanwezig zijn op de zitting op 16 april 2009. (…)”.

5. De beoordeling.

5.1 Ter beoordeling is de vraag of de notaris zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wet op het notarisambt gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van klaagster, dan wel of hij zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat een notaris niet betaamt, een en ander als bedoeld in artikel 98 van de Wet op het notarisambt.

5.2 Met betrekking tot de klacht overweegt de kamer het navolgende.

Het staat vast dat in ieder geval op 15 mei 2007 [de koper] had voldaan aan zijn financiële verplichtingen ter zake van de levering. Tevens staat vast dat klaagster op 15 mei 2007 niet ten overstaan van de notaris is verschenen. In verband met het vastleggen van een datum voor het transport verwijst de kamer naar de inhoud van de sub e vermelde brief van [de koper] aan klaagster d.d. 6 april 2008. Door de ondertekening door klaagster van die brief is klaagster er (onder meer) mee akkoord gegaan dat de levering zou plaatsvinden op een zodanige datum als dat een bank en notariële instellingen dat mogelijk zouden maken. De notaris kon dan ook, zonder enige regel te schenden, klaagster en [de koper] bij zijn sub f vermelde brief laten weten dat de eigendomsoverdracht op 15 mei 2007 zou plaatsvinden.

5.3 Op het moment dat de notaris werd verzocht om een datum voor het transport te bepalen, beschikte de notaris over geen enkel document waaruit hij kon opmaken dat de koopovereenkomst was ontbonden. Klaagster heeft de notaris evenmin bericht dat de overeenkomst buitengerechtelijk was ontbonden.

Nu [de koper] wenste dat er door klaagster zou worden geleverd en nu [de koper] van zijn kant had voldaan aan zijn (financiële) verplichtingen ter zake van de levering, terwijl klaagster op de transportdatum niet was verschenen, restte de notaris niets anders dan vast te stellen dat hij niet kon overgaan tot het verlijden van de akte van levering, zoals hij heeft vastgelegd in de akte van non-comparitie. De notaris heeft hiermee dan ook niet de belangen van klaagster veronachtzaamd.

De klacht is ongegrond.

6. BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Haarlem:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beschikking is op 8 juli 2009 gegeven door mr. A.J. van der Meer, voorzitter, mrs. N. Vanderveen, C.M. Lambregtse en C. Wisse, leden en mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, plaatsvervangend lid in tegenwoordigheid van de secretaris mr. Y.H. L’Hoir.