Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4453

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
200.053.850-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzoek verlenging termijn artikel 1:157 lid 4 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 10 augustus 2010 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.053.850/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.C. Mens te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. C.C.S. Vermeulen te Amstelveen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 14 januari 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 oktober 2009 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk 157648 / FA RK 09-1632.

1.3. De man heeft op 26 februari 2010 een verweerschrift ingediend.

1.4. Van de zijde van de man heeft het hof op 16 april 2010 nadere stukken ontvangen.

1.5. De zaak is op 26 april 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1981 gehuwd. Hun huwelijk is op 10 juni 1997 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 6 mei 1997 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is één thans meerderjarig kind geboren.

2.2. Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van NLG 1.200,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, welke uitkering thans geïndexeerd € 761,- per maand bedraagt.

Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1951. Hij leeft samen met zijn partner, die voorziet in eigen levensonderhoud.

Hij heeft een eenmanszaak genaamd […]. Het bedrijfsresultaat van die onderneming bedroeg in 2006, 2007 en 2008, respectievelijk € 34.054,-, € 10.631,- en € 27.617,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man en zijn partner bewoonde woning betalen zij € 1.089,- per maand aan rente.

Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betalen zij € 77,- per maand. Zij hebben de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 364.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 130,- per maand.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1952. Zij is alleenstaand.

Zij ontvangt een uitkering ingevolge de WAO/WIA van € 1.046,- bruto per maand.

Aan huur en enige servicekosten betaalt zij € 410,- per maand. Zij ontvangt een huurtoeslag van € 154,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 116,50 per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 61,- per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is afgewezen het verzoek van de vrouw te bepalen dat de termijn gedurende welke de man haar de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde uikering tot haar levens-onderhoud dient te betalen, wordt verlengd tot de dag waarop de vrouw de leeftijd van 65 jaar bereikt.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. In het onderhavige geval is de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege geëindigd op 10 juni 2009, na het verstrijken van de in artikel 1:157 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde termijn van twaalf jaar. Beoordeeld moet worden of de beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de genoemde termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

4.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam aannemelijk geworden dat de man gedurende de gehele periode van zijn onderhoudsverplichting niet de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw heeft betaald, doch in plaats daarvan haar huurlasten heeft voldaan, en dat de vrouw daarmee heeft ingestemd. Dit heeft dan ook als uitgangspunt te gelden bij de beoordeling van de onder 4.1 geformuleerde vraag.

4.3. Anders dan de rechtbank, is het hof op grond van een vergelijking van de inkomsten en lasten die de vrouw vóór 10 juni 2009 had met de inkomenssituatie waarin zij na beëindiging van de uitkering is komen te verkeren, van oordeel dat sprake is van een substantiële terugval in inkomen aan de zijde van de vrouw ten gevolge van die beëindiging, zodat deze voor de vrouw ingrijpend is.

4.4. Teneinde vervolgens de onder 4.1 geformuleerde vraag bevestigend te kunnen beantwoorden, zijn bijzondere omstandigheden nodig aan de zijde van de vrouw, die ter zake ook de stelplicht en de bewijslast draagt. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de vrouw verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre haar behoefte aan voortduring van de uitkering nog verband houdt met het huwelijk, en of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

4.5. Vaststaat dat de vrouw, na een huwelijk van bijna zestien jaar waaruit [in] 1982 een dochter is geboren en gedurende welk huwelijk zij niet heeft gewerkt, fulltime als uitzendkracht is gaan werken. Zij was toen vijfenveertig jaar. Zij is naar eigen zeggen in 2002 arbeidsongeschikt geraakt. Op grond van de overgelegde stukken moet worden aangenomen dat de vrouw eerst voor 55-65% arbeidsongeschikt was en daarna volledig. Ter zitting in hoger beroep heeft zij gesteld sinds 2005 voor 55-65% arbeidsongeschikt te zijn verklaard. Uit de door de man bij het verweerschrift overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2003 van de vrouw blijkt dat de vrouw in 2003 naast haar WAO-uitkering nog inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Onduidelijk is of de vrouw daarna nog heeft gewerkt. In elk geval verricht de vrouw thans geen werkzaamheden.

Het hof neemt het (gedeeltelijk) ontbreken van de verdiencapaciteit van de vrouw mede in aanmerking bij de beantwoording van de vraag of aan de zijde van de vrouw bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn, genoemd in artikel 1:157 lid 4 BW, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. De omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheid is ontstaan na de ontbinding van het huwelijk, maakt dat niet anders.

4.6. Naar het oordeel van het hof heeft in het onderhavige geval als uitgangspunt te gelden dat de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van de vrouw er niet aan in de weg staat dat zij haar resterende verdiencapaciteit benut teneinde, in aanvulling op haar WAO-uitkering, in haar levensonderhoud te voorzien, zodanig dat zij in elk geval haar huurlasten, die door de man voor zijn rekening werden genomen, kan voldoen. Het ligt op de weg van de vrouw te stellen en, bij betwisting, te onderbouwen en zonodig te bewijzen dat en waarom dit in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd dan wel anderszins niet mogelijk is.

Geconstateerd moet worden dat de vrouw niet aan deze verplichting heeft voldaan. Zij moet derhalve geacht worden haar resterende verdien-capaciteit te kunnen benutten tot het bovengenoemde doel, zodat de gevolgen van het onbenut blijven van deze capaciteit voor haar rekening komen.

4.7. Gelet op het voorgaande en nu de vrouw voor het overige geen bijzondere omstandigheden heeft aangedragen, is er onvoldoende grond voor het oordeel dat beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de in artikel 1:157 lid 4 BW genoemde termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Haar inleidend verzoek is derhalve niet toewijsbaar, zodat de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L. Diender, A. van Haeringen en H.S.G. Verhoeff in tegenwoordigheid van

mr. B.J. Schutte als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2010.