Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4108

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
07/00071
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de aan de maatschap opgelegde aanslagen ozb. Daarnaast is in geschil of hij alsnog bezwaar kan maken tegen de waardebeschikking waarop de aanslagen zijn gebaseerd. Tenslotte is in geschil of het object, een gehuurde kantoorunit, als een zelfstandig object in de zin van de Wet Woz moet worden aangemerkt en of de heffingsambtenaar de waarde van de unit terecht heeft vastgesteld op € 51.084.

Naar het oordeel van het Hof is, nu vaststaat dat belanghebbende maat is van de maatschap en de maatschap in gebreke is gebleven met betaling van de aanslagen terecht aansprakelijk gesteld. In zoverre is het gelijk aan de invorderingsambtenaar.

Het standpunt van de invorderingsambtenaar dat belanghebbende geen grieven kan aanvoeren tegen de hoogte van de waarde van de unit vindt echter naar het oordeel van het Hof geen steun in het recht.

Wat betreft de objectafbakening: De kantoorunit heeft geen eigen toilet- en watervoorziening en de huurder(s) zijn aangewezen op de elders in het gebouw aanwezige en gezamenlijk te gebruiken sanitaire voorzieningen. De unit is daarom geen afzonderlijk geheel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder letter c van de Wet Woz. De waardebeschikking moet worden vernietigd evenals de aanslagen ozb.

Hoger beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 16
Invoeringswet Invorderingswet 1990 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1456 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2012
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P07/00071

8 juli 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Y, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. SBR 06/1078 van de rechtbank Utrecht in het geding tussen

belanghebbende

en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Utrecht,

de invorderingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De invorderingsambtenaar heeft met dagtekening 29 november 2005 belanghebbende op grond van artikel 33 van de Invorderingswet 1990 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor drie belastingschulden van de maatschap […], inclusief invorderingskosten, ten bedrage van in totaal € 420,80.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraak gedagtekend 17 januari 2006, de aansprakelijkstelling gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 26 januari 2007 heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 februari 2007, aangevuld bij brief van 26 maart 2007. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Bij brief van 23 mei 2007 heeft de invorderingsambtenaar de beschikking met betrekking tot de invorderingskosten ten bedrage van € 165 vernietigd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2007. Nadat de voorzitter het onderzoek ter zitting had gesloten, is het onderzoek heropend.

1.7. Bij brief van 27 december 2007 heeft het Hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn hoger beroepschrift aan te vullen. De tekst van deze brief luidt - voor zover van belang - als volgt:

Ter zitting heeft u verzocht met overeenkomstige toepassing van artikel 49 van de Invorderingswet uw hoger beroepschrift te mogen aanvullen. Het Hof is van oordeel dat aan dit verzoek kan worden tegemoetgekomen.

Het Hof verwerpt vooralsnog de opvatting van verweerder, dat in dit geval het bepaalde in het zesde lid van het zojuist genoemde artikel van toepassing is.

U wordt verzocht de vorenbedoelde aanvulling vóór 25 januari 2008 aan het Hof te doen toekomen.

1.8. Op 24 januari 2008 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de invorderingsambtenaar.

Op 14 maart 2008 zijn nadere stukken ontvangen van de invorderingsambtenaar. Deze zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.9. Op 15 januari 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting van 21 december 2007 en van 15 januari 2010 is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De tekst van de beschikking aansprakelijkstelling van 29 november 2005 luidt, voorzover van belang, als volgt:

Blijkens de belastingadministratie van de directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de Gemeente Utrecht, is de belastingschuldige Maatschap […] kantoorhoudende/gevestigd te […] 200 […][…] [Y]t volgens de hieronder vermelde aanslag(en) in gebreke gebleven met de betaling van zijn/haar belastingschuld, te weten een bedrag van € 420,80 exclusief eventueel verschuldigde invorderingsrente.

Ingevolge artikel artikel 33 van de Invorderingswet 1990 bent als maat, (hoofdelijk) aansprakelijk voor de schulden van bovengenoemde belastingschuldige en stel ik u derhalve ingevolge artikel 49 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk voor het bedrag van € 420,80, dit is inclusief het bedrag aan verwijtbare vervolgingskosten.

Soort belasting of Jaar Aanslagnummer Bedrag van de Betaald/ Vervolgings- Bedrag

heffing aanslag Verminderd kosten waarvoor aansprakelijk wordt gesteld

OZBGebr.Bedrijf 2001 […].90007.1 € 82,00 €0,00 € 55,00 € 137,00

OZBGebr. Bedrijf 2002 […].90008.2 € 84,70 €0,00 € 55,00 € 139,70

OZBGebr. Bedrijf 2003 […].90009.3 € 89.10 €0,00 € 55,00 € 144,10

TOTAAL € 420,80

2.2. Belanghebbende is één van de maten in de maatschap […] (hierna: de maatschap). De maatschap verricht haar werkzaamheden in een gehuurde kantoorunit, […]14 (hierna: het object). De unit bevindt zich in een bedrijfsverzamelgebouw aan de […] 200 te [Y]. In dit gebouw hebben zich verschillende ondernemers gevestigd.

2.3. In het taxatierapport, opgemaakt op 13 maart 2008 door R. Reijers, WOZ-taxateur, is vermeld dat het object een bruto vloeroppervlakte heeft van circa 36 m². Van het object heeft een deel van het aantal vierkante meters betrekking op een gescheiden en afsluitbare ruimte (hierna: de afsluitbare ruimte). Daarnaast is van de gemeenschappelijke ruimtes in het gebouw, zoals bijvoorbeeld gangen en toiletruimtes, eveneens een deel van het aantal vierkante meters aan het object toegerekend.

2.4. De kantoorunit heeft geen eigen water- of toiletvoorziening. De sanitaire voorzieningen die zich buiten de afsluitbare ruimte bevinden worden ook gebruikt door andere huurders van units in het bedrijfsverzamelgebouw.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. De rechtbank heeft in de uitspraak, waar eiser als belanghebbende en de invorderingsambtenaar als verweerder is aangeduid, het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij onder meer het volgende overwogen:

Overwegingen

(…)

2.2 Bij beschikking van 29 november 2005 heeft verweerder eiser, met toepassing van artikel 33 van de IW hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de belastingschulden inclusief vervolgingskosten van de maatschap […].

Eiser heeft op 23 december 2005 bezwaar gemaakt tegen deze beschikking tot aansprakelijkstelling. Bij het thans bestreden besluit van 17 januari 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2.3 Mede gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd merkt de rechtbank in de eerste plaats op dat gezien het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit van 29 november 2005, in het kader van dit geding slechts kan worden beoordeeld of verweerder eiser op goede grond hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de door de maatschap […] onbetaald gebleven belastingschulden verhoogd met invorderingskosten.

Het vorenstaande houdt in dat de rechtbank niet kan treden in de vraag of verweerder ten onrechte heeft verzuimd nieuwe beschikkingen en aanslagen op te leggen met als tenaamstelling maatschap […], of verweerder ten onrechte een aantal malen brieven van algemene strekking als bezwaarschriften heeft aangemerkt, verweerder ten onrechte een dwangbevel heeft betekend op […], verweerder ten onrechte tijdens het invorderingstraject de tenaamstelling van de aanslagen heeft gewijzigd en de dwangbevelen heeft herbetekend op maatschap […].

(…)

2.6 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is tussen partijen dat eiser maat is van de maatschap […], een en ander als bedoeld in artikel 33 van de IW en stelt eveneens vast dat de maatschap […] in gebreke is gebleven met het betalen van de aanslagen onroerend zaaksbelasting over de jaren 2001, 2002 en 2003.

2.7 De rechtbank kan hierbij aan het standpunt van eiser dat de beschikking/aanslagen te naam waren gesteld van ‘[…]’ in plaats van de ‘maatschap […]’ niet de betekenis toekennen die eiser daaraan meent te moeten toekennen, te weten dat de aansprakelijkstelling niet langer kan worden gehandhaafd. De rechtbank wijst erop dat verweerder eiser als maat van de maatschap […] aansprakelijk heeft gesteld en voor eiser steeds duidelijk is geweest dat de beschikking/aanslagen bestemd waren voor de maatschap. Door hem is alle correspondentie gericht aan […] dan wel de maatschap […] ontvangen en behandeld. Verwarring omtrent de door verweerder bij het opleggen van de in geding zijnde beschikking/aanslagen bedoelde belastingschuldige kan in redelijkheid niet zijn ontstaan, waarbij de rechtbank opmerkt dat eiser, blijkens zijn briefpapier, ook zelf in het verkeer met derden de naam […] gebruikt. (…)

2.8 Het vorenstaande houdt in dat verweerder op goede grond met toepassing van het bepaalde in artikel 33, eerste lid, in samenhang met artikel 49 van de IW eiser hoofdelijk aansprakelijk kan stellen voor de onbetaald gebleven belastingschuld.

2.9 Eiser stelt zich in beroep ten aanzien van de aansprakelijkstelling op het standpunt dat

- hij ten gevolge van de aansprakelijkstelling alsnog bezwaar kan maken tegen de waardebeschikking waarop de aanslagen zijn gebaseerd,

- de waardebeschikking in strijd is met het vertrouwens- dan wel het rechtszekerheidsbeginsel omdat er vanuit mocht worden gegaan dat verweerder de bedrijfsruimte als een onzelfstandige bedrijfsruimte beschouwde, de objectafbakening onjuist is nu ten onrechte het bruto gehuurde oppervlak in aanmerking is genomen,

-verweerder hem niet in de gelegenheid heeft gesteld het bezwaar aan te vullen en toe te lichten,

- het niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan.

2.10 De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat hij, (op) grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de IW, alsnog bezwaar kan maken tegen de waardebeschikking waarop de aanslagen zijn gebaseerd.

De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat op grond van hetgeen hiervoor onder overweging 2.7 is aangegeven er bij eiser geen enkele verwarring heeft kunnen bestaan omtrent de belastingplichtige (maatschap […]) aan wie de aanslagen zijn opgelegd.

Nu eiser, als maat van […], op de hoogte was van alle aan (de maatschap) […] gerichte waardebeschikkingen en aanslagen en eiser om hem moverende redenen geen beroep heeft ingesteld tegen deze waardebeschikking/aanslagen (waartoe een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan), hebben deze waardebeschikking/aanslagen (inclusief de vervolgingskosten) formele rechtskracht gekregen.

2.11 De vraag of vervolgens op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de IW op het beginsel van de formele rechtskracht een uitzondering moet worden gemaakt, beantwoordt de rechtbank in het onderhavige geval ontkennend.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de wetgever met dit artikellid heeft beoogd te bewerkstelligen dat een (derde) aansprakelijk gestelde bezwaar moet kunnen maken tegen de hoogte van de aansprakelijkheidschuld, indien hij daartoe niet eerder in de gelegenheid is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank beoogt dit artikellid echter niet om in geval de belastingplichtige en de aansprakelijk gestelde voor de belastingheffing kunnen worden vereenzelvigd zoals het geval is bij een maatschap en zijn maten, voor een aansprakelijk gestelde maat die eerder bewust heeft afgezien van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de aan de VOF opgelegde aanslagen, alsnog voor de tweede maal de bezwaarprocedure open te stellen. Het beginsel van de formele rechtskracht rechtvaardigt deze beperking.

2.12 Mitsdien kunnen de grieven die zich richten tegen de juistheid van de belastingaanslagen dan wel de onderliggende waardebeschikking, in de onderhavige procedure niet aan de orde komen en kan de argumentatie die daarvoor door eiser wordt aangedragen niet een disculpatie vormen als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de IW. Anders dan eiser, vermag de rechtbank niet in te zien waarom een hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser voor de onderhavige aanslagen onaanvaardbaar is, al was het maar omdat eiser de gelegenheid om de aanslagen zelf aan te tasten op gronden die hij thans ter betwisting van zijn aansprakelijkheid aanvoert, onbenut heeft gelaten.

2.13 Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaarschrift van 23 december 2005 aan te vullen overweegt de rechtbank dat het bezwaarschrift van eiser een inhoudelijke motivering bevatte, waardoor verweerder niet gehouden was om met toepassing van het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb een nadere termijn te stellen voor aanvulling van gronden.

Gelet op de motivering van dit bezwaarschrift en het gegeven dat verweerder -gezien de voor de aanvang van de bezwaarprocedure reeds uitgebreid gevoerde correspondentie tussen partijen- op de hoogte was van eisers grieven, kan ook overigens niet worden gezegd dat verweerder was gehouden eiser in de gelegenheid te stellen zijn bezwaar nader aan te vullen.

Nu eiser in zijn bezwaarschrift niet heeft aangegeven dat hij wenste te worden gehoord, kon verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 25, vierde lid, van de AWR, zonder eiser te horen een beslissing nemen op het door eiser ingediende bezwaar.

2.14 Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven, aan de maatschap […] opgelegde aanslagen. Indien het Hof deze vraag bevestigend beantwoordt, is in geschil of belanghebbende alsnog bezwaar kan maken tegen de waardebeschikking waarop de aanslagen zijn gebaseerd.

Tenslotte is, bij bevestigende beantwoording van die vraag, in geschil of het object als een zelfstandig object in de zin van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) moet worden aangemerkt en zo ja of de heffingsambtenaar de waarde van het object terecht heeft vastgesteld op € 51.084.

5. Standpunten van partijen

5.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte aansprakelijk is gesteld voor de schulden van de maatschap […]. Hij doet daarbij een beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De aanslagen en de waardebeschikking met betrekking tot het object zijn, naar hij stelt, niet tijdig opgelegd.

Voorts stelt belanghebbende dat het object niet zelfstandig is in de zin van de Wet WOZ en dat de wijze van de berekening van de waarde van het object niet juist is.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof van 15 januari 2010 zijn grief dat de tenaamstelling van de waardebeschikking en aanslagen onjuist was, ingetrokken.

5.2. De invorderingsambtenaar is van opvatting dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld en concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. Belanghebbende heeft de mogelijkheid tot het maken van bezwaar zelf voorbij laten gaan. Belanghebbende mocht geen vertrouwen ontlenen aan het feit dat in het verleden geen aanslagen onroerende zaakbelastingen waren opgelegd. Daarnaast stelt de invorderingsambtenaar dat het object in het kader van de Wet WOZ als zelfstandig moet worden beschouwd. Tot slot heeft hij betoogd dat de berekeningswijze van de WOZ-waarde van het object juist is.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende heeft ter zitting zijn stelling met betrekking tot de tenaamstelling van de aan de maatschap opgelegde aanslagen ingetrokken en het Hof ziet geen reden over deze tenaamstelling anders te oordelen. In het volgende zal dit aspect met betrekking tot de juistheid van de aanslagen dan ook niet meer aan de orde komen.

6.2. Nu vaststaat dat belanghebbende maat is van de maatschap […], als bedoeld in artikel 33 van de Invorderingswet 1990 en de maatschap [...] in gebreke is gebleven met de betaling van de aanslagen onroerende zaaksbelasting over de jaren 2001, 2002 en 2003 is belanghebbende naar het oordeel van het Hof terecht aansprakelijk gesteld. In zoverre is het gelijk aan de invorderingsambtenaar.

6.3. De invorderingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbende alleen grieven kan aanvoeren tegen de aansprakelijkstelling en niet tegen de hoogte van de bij beschikking vastgestelde waarde van het object en de daarop gebaseerde aanslagen onroerende zaakbelastingen. Naar het oordeel van het Hof vindt dit standpunt van de invorderingsambtenaar geen steun in het recht. Verwezen wordt hiervoor naar de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer vergaderjaar 2001-2002, 28 183, nr. 3. Uit de parlementaire geschiedenis leidt het Hof af dat de wetgever nadrukkelijk de bedoeling heeft gehad degene die aansprakelijk is gesteld in de gelegenheid te stellen tegen de hoogte van de aanslag, en de daaraan te grondslag liggende waardebeschikking, bezwaar te maken. De uitspraak van de rechtbank kan reeds hierom niet in stand blijven. Ter zitting van het Hof op 21 december 2007 heeft belanghebbende ermee ingestemd dat het Hof de zaak afdoet zonder terugwijzing naar de rechtbank Utrecht.

Objectafbakening

6.4. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het object ten onrechte als een zelfstandig object in de zin van de Wet WOZ is aangemerkt. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en letter c, van die wet wordt voor de toepassing van de wet als één onroerende zaak aangemerkt een gedeelte van een gebouwd of ongebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 oktober 2004, nrs. 38.443 en 38.444, LJN AR3500, overwogen dat de enkele omstandigheid dat een kamer in een gebouw afsluitbaar is, nog niet meebrengt dat die kamer blijkens zijn indeling bestemd is om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt in de daaraan in artikel 16, aanhef en letter c, van de Wet Woz te hechten betekenis. Anders dan de heffingsambtenaar meent is de afsluitbaarheid van de afgescheiden ruimte dus niet doorslaggevend.

6.5. Naar het oordeel van het Hof is van belang dat een object, gelet op zijn functie, voldoende zelfstandigheid bezit. Die zelfstandigheid dient onder meer te worden afgeleid uit de aard en inrichting van het object, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik van een ruimte meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. Is dat laatste het geval dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid en kan deze blijkens zijn indeling niet als een afzonderlijk geheel worden gebruikt.

6.6. Voor het gebruik als kantoorruimte acht het Hof de aanwezigheid van sanitaire voorzieningen in het algemeen van wezenlijk belang. De in de afsluitbare ruimte werkzame personen kunnen in de regel immers zonder deze voorzieningen niet gedurende een gehele werkdag functioneren. Dat zich op een andere plaats in het gebouw toiletruimte(s) en sanitaire voorzieningen bevinden en dat een deel van de oppervlakte daarvan is toegerekend aan het object, is niet voldoende. Deze enkele toerekening brengt immers niet mee dat belanghebbende de beschikking heeft over door hem af te sluiten ruimten waarin zich toilet- en watervoorzieningen bevinden.

6.7. Nu vaststaat dat er in het onderhavige object geen eigen toilet- en watervoorziening is en de huurder(s) aangewezen zijn op de elders in het gebouw, dus buiten de afsluitbare ruimte, aanwezige en gezamenlijk te gebruiken sanitaire voorzieningen, is het object geen afzonderlijk geheel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder letter c, van de Wet en dient de beschikking te worden vernietigd. Gelet op de gronden waarop deze beschikking wordt vernietigd, geldt hetzelfde voor de opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. De overige stellingen van belanghebbende kunnen dan ook buiten beschouwing blijven.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

7. Kosten

7.1. Nu het hoger beroep gegrond is heeft belanghebbende recht op vergoeding van het griffierecht in beide instanties. Dit recht bedraagt bij de rechtbank € 37 en bij het Hof € 105, dus in totaal € 142.

7.2. Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel c vermelde reiskosten en de in onderdeel d vermelde verletkosten, gemaakt voor de procedure bij de rechtbank en voor de procedure bij het Hof.

7.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld op de gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse [Y]-Utrecht v.v. voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting van de rechtbank Utrecht tot een bedrag van (afgerond) € 25,-.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit wordt het bedrag van de verletkosten voor de procedure bij de rechtbank vastgesteld op 4 uur á € 50 = € 200.

Voor de procedure bij het Hof wordt het bedrag van de reiskosten vastgesteld op de gemaakte reiskosten [Y]-Amsterdam v.v. per openbaar vervoer tweede klasse voor het bijwonen van de zitting op 21 december 2007 en op 15 januari 2010, tot een bedrag van (afgerond) € 60.

De verletkosten van belanghebbende bedragen in hoger beroep ten hoogste € 318,54 (2 x 3 uur à € 53,09) voor het bijwonen van de zitting op 21 december 2007 en op 15 januari 2010.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de invorderingsambtenaar;

- vernietigt de beschikking tot aansprakelijkstelling;

- veroordeelt de invorderingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 603,54;

- gelast de invorderingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden het door deze voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, J.P.A. Boersma en P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 8 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.