Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN3429

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
08-00281
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende transporteerde mest in contaimerbakken en sloeg deze op. De mest werd niet gelost, maar afgevoerd in dezelfde container waarin deze was aangevoerd.

Aan de hand van diverse monsteronderzoeken bij aan- en afvoer gedurende het jaar 2003 is een fosfaatoverschot komen vast te staan van 106 kg (0,06 % van de totaal aangevoerde hoeveelheid fosfaat).

Het Hof is van oordeel dat onder deze specifieke omstandigheden, waarbij tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat exact dezelfde partijen droge mest zijn aangevoerd en weer zijn afgevoerd, er geen grond bestaat een naheffingsaanslag op te leggen, omdat vast staat dat er geen sprake is van een werkelijk fosfaatoverschot.

Volgt vernietiging van de naheffingsaanslag.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet 29
Meststoffenwet 31
Meststoffenwet 32
Meststoffenwet 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1975
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00281

29 juli 2010

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/5812 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 29 september 2005 aan belanghebbende, abusievelijk aangeduid als A B.V., voor het jaar 2003 een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd, berekend op € 5.670. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 17 maart 2006 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 19 februari 2008 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag zoals deze ambtshalve tot € 954 was verminderd gehandhaafd en de Staat der Nederlanden gelast het griffierecht ad € 38 aan belanghebbende te vergoeden.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 maart 2008, aangevuld bij brief van 20 maart 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende hield zich in 2003 onder meer bezig met het transport en de opslag van dierlijke meststoffen. De dierlijke meststoffen betroffen vaste meststoffen en werden aangevoerd in containerbakken. De containerbakken - met inhoud - werden opgeslagen op het bedrijf van belanghebbende en na verloop van tijd weer afgevoerd. Er vond nimmer lossing plaats, de mest werd afgevoerd in dezelfde container waarin deze was aangevoerd. Alle containers die werden aangevoerd, werden ook weer afgevoerd.

2.2. Voor het jaar 2003 diende belanghebbende een ‘Fosfaataangifte voor intermediairs MINAS’ in. De aangifte luidde als volgt:

‘Aanvoer in 2003 Fosfaat (…) in kg

1. Bemonsterde en geanalyseerde dierlijke meststoffen 163.311

3. Overige organische meststoffen (…) 2.895

5. Beginvoorraad dierlijke mest (…) 1.721

167.927

Afvoer in 2003 Fosfaat (…) in kg

7. Bemonsterde en geanalyseerde dierlijke meststoffen 161.910

9. Overige organische meststoffen (…) 2.895

11. Beginvoorraad dierlijke mest (…) 2.492

167.927

Berekening fosfaatheffing Fosfaat (…) in kg

13. Totaal aanvoer fosfaat 167.927

14. Totaal afvoer fosfaat 167.927

15. Fosfaatoverschot

€ 9 x

16. Fosfaatheffing € ’

2.2. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag de fout bij de optelling “Afvoer in 2003” gecorrigeerd. Bij de ambtshalve vermindering van 20 november 2006 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag in de fosfaatheffing aangepast. Hierbij heeft de inspecteur de volgende gegevens gehanteerd:

‘Aanvoer in 2003 Fosfaat (…) in kg

1. Bemonsterde en geanalyseerde dierlijke meststoffen 161.987

3. Overige organische meststoffen (…) 2.895

5. Beginvoorraad dierlijke mest (…) 1.721

166.603

Afvoer in 2003 Fosfaat (…) in kg

7. Bemonsterde en geanalyseerde dierlijke meststoffen 161.110

9. Overige organische meststoffen (…) 2.895

11. Beginvoorraad dierlijke mest (…) 2.492

166.497

Berekening fosfaatheffing Fosfaat (…) in kg

13. Totaal aanvoer fosfaat 166.603

14. Totaal afvoer fosfaat 166.497

15. Fosfaatoverschot 106

€ 9 x

16. Fosfaatheffing € 954’

De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 954 en het bedrag van de naheffingsaanslag berekend door het fosfaatoverschot van 106 kg (zijnde 0,06 % van de totaal aangevoerde hoeveelheid fosfaat) te vermenigvuldigen met het tarief van € 9 per kilo. Dit fosfaatoverschot is komen vast te staan aan de hand van diverse monsteronderzoeken bij aan- en afvoer gedurende het jaar 2003.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“4.2. De juistheid van het door verweerder (Hof: de inspecteur) nader vastgestelde verschil tussen de hoeveelheden aan- en afvoer van fosfaat van 106 kg is door eiser niet betwist.

4.3. Eiser (Hof: belanghebbende) heeft zijn stelling dat voornoemd verlies niet het gevolg is van werkelijk mineralenverlies, maar louter door een analyseverschil, niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting heeft verweerder gemotiveerd verklaard dat het mineralenverlies in dit geval mede wordt veroorzaakt door het invloed van het weer, de wijze van opslag en de mengverhouding van de meststoffen. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Bovendien had eiser de mogelijkheid om, indien hij de uitkomst van de bemonstering betwist, een nieuwe analyse van de meststoffen te laten doen op het moment dat hij het rapport in handen kreeg. Eiser heeft van deze mogelijkheid om hem moverende redenen geen gebruik gemaakt.

4.4. Ingevolge het onder 4.1. opgenomen wettelijk tarief van € 9 per kg fosfaat is het door verweerder, op basis van de belastbare hoeveelheid fosfaat van 106 kg, nader vastgestelde bedrag van de naheffingsaanslag van € 954 juist.”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. In dit kader stelt belanghebbende dat de hoeveelheden aan- en afgevoerde fosfaat aan elkaar gelijk zijn.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. In de Meststoffenwet (hierna: de Wet) zoals die voor het jaar 2003 gold zijn - voor zover hier van belang - de volgende bepalingen opgenomen:

‘Artikel 29

1. Ter zake van het aanvoeren van meststoffen wordt onder de naam "heffing van intermediaire ondernemingen" een regulerende heffing geheven van iedere persoon of rechtspersoon die en ieder samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen dat een onderneming, niet zijnde een bedrijf, voert en in het kader van die onderneming dierlijke meststoffen aanvoert ten behoeve van handel, transport, opslag, be- of verwerking of anderszins.

(…)

Artikel 31

De belastbare hoeveelheid meststoffen wordt bepaald door de hoeveelheid aangevoerde meststoffen, verminderd met de hoeveelheid afgevoerde meststoffen.

Artikel 32

1. De hoeveelheid aangevoerde meststoffen en de hoeveelheid afgevoerde meststoffen worden vastgesteld op basis van het gewicht (…) en het fosfaatgehalte van de in het betreffende kalenderjaar aangevoerde meststoffen en afgevoerde meststoffen.

2. (…)

Artikel 33

Het tarief van de heffing bedraagt € 9,- per kilogram fosfaat.’

6.2. Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd en verduidelijkt dat de cijfermatige berekening van de naheffingsaanslag niet in geschil is, evenmin als de berekening van de hoeveelheid fosfaat zoals die volgt uit de diverse gedurende het gehele jaar verrichte monsteronderzoeken. Belanghebbende is het echter niet eens met het opleggen van de naheffingsaanslag nu er geen sprake kan zijn van een verschil tussen de hoeveelheid aangevoerde en afgevoerde fosfaat omdat het om droge mest gaat die wordt aangevoerd in dezelfde containers als die waarin de mest wordt afgevoerd en er nooit mest van verschillende partijen wordt bijgevoegd, afgehaald of anderszins wordt gemengd.

6.3. De inspecteur heeft de onder 6.2 weergegeven stelling van belanghebbende niet weersproken, maar heeft gesteld dat de enkele omstandigheid dat de resultaten van de monsternemingen leiden tot een verschil van 106 kg fosfaat, meebrengt dat er dient te worden nageheven. Ook ingeval dezelfde containers met dezelfde mest worden aan- en afgevoerd en er in die zin geen sprake kan zijn van een vermis, en het gemeten verschil minimaal is ten opzichte van de getransporteerde en opgeslagen hoeveelheden, dient er gelet op de tekst van de Wet, aldus de inspecteur, te worden nageheven.

6.4. Het Hof is van oordeel dat onder deze specifieke omstandigheden, waarbij tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat exact dezelfde partijen droge mest zijn aangevoerd en weer zijn afgevoerd, er geen grond bestaat een naheffingsaanslag op te leggen, omdat vast staat dat er geen sprake is van een werkelijk fosfaatoverschot.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de fase bij de rechtbank gaat het Hof uit van hetgeen de rechtbank hierover heeft geoordeeld, te weten dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende (die niet was verschenen ter zitting) voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt. Voor de behandeling bij het Hof wordt een veroordeling in de kosten toegekend van de reiskosten van belanghebbende naar het adres van het Gerechtshof te Amsterdam. Deze worden gesteld op de kosten openbaar vervoer ofwel op […], in totaal € 21,70.

7.2. In verband met de registratie van de onderwerpelijke zaak op naam van A B.V. is een griffierecht ten bedrage van € 216 geheven. Aangezien de zaak op naam van X had moeten worden geregistreerd, diende het griffierecht € 107 te bedragen. De griffier dient daarom aan belanghebbende een bedrag van € 109 terug te betalen.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 21,70;

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende vergoedt het voor de behandeling van het beroep (€ 38) en het hoger beroep (€ 107) betaalde griffierecht van in totaal € 145 en

- verstaat dat de griffier aan belanghebbende € 109 terugbetaalt.

Aldus gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder, en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 29 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.