Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN3135

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200.052.772-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verrekening na gedeeltelijke afwijking van huwelijkse voorwaarden door rechtbank, met name gebruikersvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 20 juli 2010 in de zaak met zaaknummer 200.052.772/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. van Gestel te Hilversum,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.M. Kostense te Den Haag.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 6 januari 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 5 september 2007, 8 oktober 2008 en 7 oktober 2009 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 346579 / FA RK 06-4400. Hij heeft daarbij zijn verzoek gewijzigd.

1.3. De vrouw heeft op 18 februari 2010 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De man heeft op 31 maart 2010 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.

1.5. Zowel de man als de vrouw hebben op 26 april 2010 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 6 mei 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.8. Zoals overeengekomen ter terechtzitting heeft de man het hof nader bericht bij telefax van 21 mei 2010. De vrouw heeft op het daarin gestelde gereageerd bij telefax van 4 juni 2010.

1.9. De man heeft op 14 juni 2010 een telefax met bijlagen aan het hof gezonden als reactie op de telefax van de vrouw van

4 juni 2010. Het hof heeft partijen op 23 juni 2010 bericht dat het hof op dit nadere bericht geen acht slaat omdat bij de behandeling ter zitting aan partijen slechts gelegenheid is gegeven tot een eenmalige poging overeenstemming te bereiken en het hof nadere discussie niet toestaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1975 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Partijen leven sinds 4 juli 2005 gescheiden. Hun huwelijk is op 2 april 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 november 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn thans twee meerderjarige kinderen geboren.

2.2. In de huwelijkse voorwaarden is - voor zover in hoger beroep van belang - bepaald:

Artikel 1

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd, bestaan maar wel een deelgenootschap als hierna in de artikelen 6 en volgende geregeld.

Artikel 2

De kosten van de huishouding, deze kosten genomen in de ruime zin der wet, komen geheel ten laste van de man, met dien verstande, dat deze kosten ten laste van de vrouw komen voorzover zij niet uit de inkomsten en/of het vermogen van de man mochten kunnen worden voldaan.

Artikel 6

Het deelgenootschap tussen de echtgenoten verplicht hen tot onderlinge verrekening (deling) van, gedurende het bestaan van dit deelgenootschap, plaatsvindende vermeerdering van beider vermogens […]

Artikel 7

Na het eindigen van het deelgenootschap kan ieder der echtgenoten de deling van beider eventuele vermogensvermeerdering vorderen, in dier voege, dat de ene echtgenoot verplicht zal zijn uit zijn vermogen zoveel aan de andere echtgenoot uit te keren, dat uiteindelijk beider vermogen met een gelijk bedrag is vermeerderd […]

Bij het vaststellen der bovenbedoelde vermogensvermeerdering of – vermindering zullen buiten beschouwing worden gelaten […] rechten en aanspraken op pensioen en – onverminderd het hierna bepaalde – niet tot pensioen betrekkelijke rechten en aanspraken, welke voortvloeien uit overeenkomsten van levensverzekering.

Artikel 8

De vermeerdering of vermindering van het vermogen van een echtgenoot is gelijk aan het verschil tussen het zuiver saldo van zijn vermogen op het ogenblik van het einde van het deelgenootschap casu quo op het in de plaats daarvan in de wet aangewezen tijdstip (zijn eindvermogen) en het zuiver saldo van zijn stamvermogen. Vorenbedoelde vermeerdering, casu quo, vermindering, dient nog te worden verhoogd, casu quo verlaagd, met hetgeen ter zake van een overeenkomst van levensverzekering, voor zover deze geen rechten en aanspraken op pensioen geeft, door die echtgenoot tijdens het bestaan van het deelgenootschap is opgeofferd […]

Vorenbedoelde verhoging, casu quo verlaging, blijft achterwege ten aanzien van overeenkomsten van levensverzekering, welke kunnen worden aangemerkt als normale gezinsverzekeringen, bijvoorbeeld voor oudedagsvoorziening van de echtgenoten of voor verzorging van de weduwe.

Het […] stamvermogen wordt gevormd door:

a. […]

b. de goederen, die de echtgenoot tijdens het bestaan van het deelgenootschap door erfopvolging, making of schenking heeft verkregen verminderd met de op die verkrijgingen drukkende schulden, lasten, rechten en kosten.

2.3. Als peildatum voor de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden geldt 1 juli 2006.

2.4. Partijen hadden in gemeenschappelijk eigendom een woning gelegen aan [a] te [b]. Deze is verkocht en geleverd op

1 oktober 2009. De man en de vrouw hebben ieder € 356.393,68 uit de verkoopopbrengst ontvangen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is op verzoek van partijen de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld. Voorts is - voor zover van belang - bepaald dat:

- de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 89.318,96 aan de vrouw zal voldoen;

- de man bij zijn uittreding uit de maatschap te ontvangen goodwill tussen partijen op het moment van uitkering wordt verdeeld tegen de dan te vertegenwoordigen waarde;

- de waarde van de Polis AXA met nummer N0159128 op het moment van uitkering gelijkelijk tussen partijen wordt gedeeld.

3.2. De man verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen, voor zover hij veroordeeld is om in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 89.318,96 aan de vrouw te voldoen, hij de belastingaanslag van de vrouw tot 1 juli 2006 dient te voldoen en hij de polis AXA onder nummer N0159218 op het moment van uitkering met de vrouw dient te delen. Hij verzoekt de vrouw te veroordelen voor het voortgezet gebuik van de echtelijke woning en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 34.485,- aan de man te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2009 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat de koopsompolis bij AXA tegen de waarde van 1 juni 2006 dient te worden gesplitst, waarbij partijen ieder de daarop rustende belastingclaim voor hun rekening dienen te nemen. In zijn verweerschrift in incidenteel hoger beroep verzoekt hij als aanvulling op zijn verzoek in hoger beroep de vrouw te veroordelen het bedrag van € 89.318,96 aan de man terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der voldoening tot de dag van terugbetaling.

3.3. De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep het door de man verzochte af te wijzen.

3.4. De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarbij is bepaald dat de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 89.318,96 aan de vrouw moet voldoen en de door de man bij zijn uittreding uit de maatschap te ontvangen goodwill tussen partijen op het moment van uitkering wordt verdeeld tegen de alsdan te vertegenwoordigen waarde en opnieuw rechtdoende:

- een onafhankelijke accountant opdracht te geven om het hof te adviseren over de omvang en samenstelling van het wettelijk deelgenootschap dat tussen partijen verrekend dient te worden met inachtneming van hetgeen in het incidenteel hoger beroep namens de vrouw is gesteld;

- de man te bevelen alle door de vrouw gevraagde gegevens aan de desbetreffende accountant te overhandigen;

- te bepalen dat de accountant alle informatie van beide partijen verkrijgt die hij nuttig of nodig acht;

- naar aanleiding van het advies van de accountant het bedrag vast te stellen dat verrekend dient te worden uit hoofde van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden en te bepalen dat de partij die het betreft dit bedrag aan de andere partij dient te voldoen.

3.5. De man verzoekt de verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4. Beoordeling van hoger beroep

4.1. De man heeft in principaal hoger beroep zeven grieven tegen de bestreden beschikkingen ingediend, de vrouw in incidenteel hoger beroep veertien. Het hof zal deze grieven hierna, per onderwerp en waar mogelijk gezamenlijk, bespreken.

Gebruiksvergoeding

4.2. De eerste grief in principaal hoger beroep gaat over de door de man verzochte gebruiksvergoeding met betrekking tot de voormalig echtelijke woning aan de [a] te [b]. De vrouw heeft vanaf het moment dat de man deze woning verliet op 4 juli 2005 tot aan het transport op 1 oktober 2009 alleen in deze woning gewoond. De man heeft in zijn verzoekschrift tot echtscheiding op 3 juli 2006 een door de vrouw aan hem te betalen gebruiksvergoeding verzocht. Blijkens de tussenbeschikking van

5 september 2007 in deze zaak zijn partijen in maart 2007 met betrekking tot de woning en de gebruiksvergoeding overeengekomen dat de woning zo snel mogelijk zou worden verkocht en dat de vrouw tot de verkoop en levering gebruik zou kunnen maken van de woning, waarbij de man afzag van de eerder door hem verzochte gebruiksvergoeding indien de woning zou zijn verkocht en geleverd vóór 31 augustus 2007. In de eindbeschikking van 7 oktober 2009 heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van de man ten laste van de vrouw een gebruiksvergoeding te bepalen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te worden afgewezen.

De man stelt dat de vrouw zich niet aan genoemde afspraak heeft gehouden en de verkoop heeft tegen gewerkt. Hij verzoekt het hof een gebruiksvergoeding te bepalen van 4% over zijn aandeel in de overwaarde, te weten een bedrag van € 1.187,- per maand, over de periode 1 september 2007 tot 1 oktober 2009. Hij maakt derhalve aanspraak op een bedrag van

€ 29.675,-.

De vrouw ontkent dat zij de verkoop van de woning heeft tegengewerkt. Zij stelt dat de man de bijdrage in haar levensonderhoud per 1 juli 2007 heeft verhoogd met het bedrag dat hij tot dat moment betaalde aan hypotheekrente, waarna zij deze rente tot aan de datum van transport heeft betaald, zodat zij op deze wijze haar bijdrage aan de woonlasten heeft geleverd.

4.3. Het hof overweegt als volgt. Partijen waren gezamenlijk eigenaar van de woning. In beginsel waren beide partijen dan ook gerechtigd voor gelijke delen tot het genot en het gebruik daarvan. Het bepaalde in artikel 3:169 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij recht heeft, schadeloos te stellen door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten beheersen tot maatstaf. De man heeft de woning op 4 juli 2005 verlaten. De vrouw ontkent niet dat de man, in ieder geval vanaf de aanvang van de echtscheidingsprocedure, heeft aangedrongen op verkoop van de woning omdat aanstonds duidelijk was dat de vrouw deze niet zou kunnen financieren. De man heeft vanaf zijn vertrek uit de woning tot 1 juli 2007 de volledige hypotheekrente betaald en tot aan de datum verkoop alle overige aan de woning verbonden eigenaarslasten. De vrouw heeft vanaf 1 juli 2007 tot aan datum verkoop de volledige hypotheekrente betaald. In dat laatste feit ziet het hof echter geen aanleiding om geen gebruiksvergoeding vast te stellen en de man aldus geen rendement te doen genieten van zijn aandeel in de woning, te meer daar de man ook zijn aandeel leverde in de kosten van de woning door de overige eigenaarslasten volledig te blijven voldoen. Het feit dat het in ieder geval vanaf maart 2007 de bedoeling van partijen was de woning zo snel mogelijk te verkopen doch dat dit eerst - door welke oorzaak ook - in 2009 is gelukt, acht het hof evenmin een zodanige relevante omstandigheid die er toe moet leiden dat de toekenning van een gebruiksvergoeding achterwege blijft. De vraag is wel of de door de man gevorderde vergoeding als redelijk en billijk heeft te gelden. De man vordert 4% over zijn aandeel in de overwaarde van de woning. Het hof acht dit percentage te hoog, nu de rente die werd uitgekeerd op spaarrekeningen in genoemde periode aanzienlijk lager lag. Het hof acht in de onderhavige situatie een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding over de periode 1 september 2007 tot aan datum verkoop van € 14.837,50 redelijk en billijk. De eerste grief van de man in principaal hoger beroep slaagt dan ook deels.

Reaal polis en Axa polis

4.4. De tweede grief van de man luidt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de man om te bepalen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid en de partijbedoeling de artikelen 2 en 7 van de huwelijksvoorwaarden niet naar de letter dienen te worden gevolgd, maar dat de man de polis van levensverzekering bij Reaal zonder verrekening kan behouden en dat de polis bij Axa per de peildatum kan worden gesplitst, heeft afgewezen.

De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 5 september 2007 de vrouw toegelaten tot het bewijs dat het in afwijking van artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden, de bedoeling van partijen is geweest dat dit artikel alleen zou gelden ingeval van (voor)overlijden van de man en niet ingeval van echtscheiding. De rechtbank heeft de vrouw geslaagd geacht in het haar opgedragen bewijs, waardoor zowel de Reaal polis als de Axa polis in de verrekening dienen te worden betrokken. De man heeft geen grieven aangevoerd tegen de verleende bewijsopdracht, noch tegen het feit dat de rechtbank de vrouw geslaagd heeft geacht in het haar opgedragen bewijs.

Ter terechtzitting van het hof heeft de man zijn standpunt als volgt verduidelijkt. De man heeft tijdens het huwelijk tweemaal een erfenis ontvangen. Voorts de opbrengst van de verkoop van de eerste echtelijke woning die zijn privé-eigendom was. Krachtens artikel 2 van de huwelijksvoorwaarden kwamen de kosten van de huishouding volledig ten laste van het inkomen en het vermogen van de man. De man stelt dat bovengenoemd privévermogen dat hij tijdens het huwelijk heeft ontvangen volledig is opgegaan aan de kosten van de huishouding. Hij acht het niet redelijk dat met betrekking tot artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden wel wordt afgeweken van de letter van die voorwaarden en met betrekking tot artikel 2 niet. Hij acht het redelijk dat het aan de huishouding bestede privévermogen dat hij becijfert op € 100.000,- in de verrekening alsnog aan hem toekomt. De totale waarde van de polis is volgens de man per de peildatum € 130.000,-. Hij is bereid het resterende bedrag van € 30.000,- met de vrouw te delen. Mocht het hof dit standpunt van de man niet volgen dan biedt hij bewijs aan dat het nimmer de bedoeling van partijen is geweest alleen de man met zijn privévermogen de kosten van de huishouding te laten voldoen.

De vrouw daarentegen stelt dat de volledige waarde van de Reaal polis gedeeld dient te worden, doch niet tegen genoemde peildatum, doch per 1 oktober 2009 omdat de man tot die datum premie voor deze verzekering heeft betaald, welke premie van invloed is geweest op de hoogte van de door de man aan de vrouw betaalde partneralimentatie. Haar stelling is dan ook dat zij voor de helft heeft meebetaald aan de premie en om die reden gerechtigd is mee te delen in de helft van de waarde van de polis per 1 oktober 2009.

4.5. Het hof volgt het standpunt van de man niet. Een afwijkende partijbedoeling kan de overeengekomen huwelijkse voorwaarden niet vervangen. Wel kan een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk zijn voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In het onderhavige geval is met betrekking tot artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden van belang dat het bij het opmaken van deze voorwaarden reeds duidelijk was dat de man aanzienlijk meer inkomen zou gaan verwerven dan de vrouw. De man had immers een universitaire opleiding geneeskunde gevolgd, terwijl de vrouw geen enkele studie had gevolgd. Het door hen beoogde traditionele huwelijk heeft zich daadwerkelijk verwezenlijkt. Zodra de zoon van partijen werd geboren, heeft de vrouw zich volledig aan het huishouden gewijd. Zij heeft vanaf 1985 geen werkzaamheden buitenshuis verricht. Onder die omstandigheden overeenkomen dat de kosten van de huishouding volledig uit het inkomen en vermogen van de man zullen worden bekostigd, is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De door de rechtbank met betrekking tot artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden genomen beslissing, maakt een en ander niet anders. Gelet op het voorgaande is het door de man aangeboden bewijs niet ter zake dienend.

4.6. Evenmin volgt het hof het standpunt van de vrouw dat de Reaal polis verrekend dient te worden per 1 oktober 2009 en niet per de peildatum. De vrouw heeft haar standpunt dat zij voor de helft aan de premies van deze verzekering na 1 juli 2006 heeft bijgedragen onvoldoende onderbouwd nu het hof uit de in deze procedure overgelegde stukken niet kan opmaken hoe de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud tot stand is gekomen, noch daargelaten dat haar standpunt rekentechnisch onjuist is.

4.7. Het voorgaande betekent dat zowel de tweede grief in principaal hoger beroep als de zevende grief in incidenteel hoger beroep faalt.

4.8. Met betrekking tot de Axa polis heeft de rechtbank bepaald dat met betrekking tot deze polis een andere peildatum heeft te gelden omdat de polis per 23 december 2001 premievrij is gemaakt en de premie volledig is betaald uit inkomen dat tot het wettelijke deelgenootschap behoort. Daartegen richt zich de derde grief van de man. Hij stelt zich op het standpunt dat de waarde van de polis per 1 juli 2006, de peildatum, dient te worden verrekend. De vrouw deelt dat standpunt niet en richt bovendien een grief tegen het feit dat de rechtbank, bij gebreke van een opgave van de waarde van de polis per 1 juli 2006, de waarde per 1 januari 2006 in aanmerking heeft genomen.

4.9. Op grond van de huwelijkse voorwaarden heeft 1 juli 2006 als peildatum voor de verrekening van de huwelijkse voorwaarden te gelden. Het enkele feit dat de polis per 23 december 2001 premievrij is gemaakt, acht het hof onvoldoende om af te wijken van de tussen partijen geldende overeenkomst. Het standpunt van de rechtbank dat de premies betaald zijn uit inkomen dat tot het wettelijk deelgenootschap behoort, is onjuist. Inkomen behoort niet tot het wettelijk deelgenootschap. Het deelgenootschap verplicht echtgenoten tot deling van de vermeerdering van beider vermogens gedurende het bestaan van dit deelgenootschap, welk deelgenootschap is geëindigd op 1 juli 2006. Wel dient de man de waarde per de peildatum met de vrouw te verrekenen en niet de waarde per 1 januari 2006 zoals de rechtbank heeft bepaald. Uiteraard dient daarbij rekening te worden gehouden met de op deze uitkering verschuldigde belastingclaim. Het hof kan niet bepalen dat ieder der partijen de belastingclaim die op haar/zijn deel rust voor haar/zijn rekening neemt zoals door de man verzocht, omdat bij het hof niet bekend is of de fiscus bereid is op die wijze met partijen af te rekenen. Het hof zal dan ook bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig is voor de op de uitkering rustende belastingclaim. Het voorgaande betekent wel dat de derde grief van de man alsmede de zevende grief van de vrouw slaagt.

Auto

4.10. De rechtbank heeft de waarde van de auto van de man voor € 13.500,- in de verrekening betrokken. Zowel de man als de vrouw richten hiertegen een grief. De man stelt dat de auto niet apart verrekend dient te worden, omdat de waarde van de auto voor een bedrag van € 11.500,- is verdisconteerd in de verrekening van de waarde van de eenmanszaak, terwijl de vrouw zich op het standpunt stelt dat de auto een waarde vertegenwoordigt van € 20.000,-.

4.11. Het hof acht aannemelijk dat de auto per de peildatum een waarde vertegenwoordigde van € 11.500,-, te meer daar gebleken is dat de man de auto in 2008 heeft ingeruild voor een bedrag van € 8.000,-. Gelet daarop is niet aannemelijk dat de auto per 1 juli 2006 een waarde van € 13.500,- of € 20.000,- vertegenwoordigde. Daarnaast volgt het hof op grond van de overgelegde stukken de man in zijn standpunt dat de auto is inbegrepen in de waarde van de eenmanszaak die tussen partijen verrekend dient te worden. De vierde grief van de man slaagt dan ook, terwijl de vierde grief van de vrouw faalt.

Verrekening inkomstenbelasting 2004, 2005 en een halfjaar 2006

4.12. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd een bedrag van € 77.078,- aan te betalen inkomstenbelasting in de verrekening te betrekken. De vrouw heeft zich daarmee akkoord verklaard, zodat de grief slaagt en het hof met genoemd bedrag rekening zal houden.

Makelaarskosten

4.13. De zesde grief gaat over een door de man betaalde rekening van de makelaar die bemiddeld heeft bij de verkoop van de voormalig echtelijke woning van 29 juni 2006 tot een bedrag van € 357,-. De man stelt dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem dient te vergoeden. De vrouw betwist dat de man deze rekening na 1 juli 2006 heeft voldaan en dat zij de helft van deze rekening dient te betalen.

4.14. Het hof volgt de vrouw niet in haar standpunt. Gelet op de datum van de rekening en de omschrijving op de rekening: “waarde-indicatie huur/verkoop” is niet alleen aannemelijk dat deze nota is voldaan na de peildatum doch ook dat de werkzaamheden mede zijn verricht ten behoeve van de vrouw. De grief slaagt dan ook. De vrouw dient met de man een door haar te betalen bedrag van € 178,50 te verrekenen.

Merrie

4.15. De merrie heeft bij verkoop € 4.500,- opgebracht. De rechtbank heeft overwogen dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de merrie tot het stamvermogen van de man behoort en niet in de verrekening dient te worden betrokken. Daartegen richt zich de zevende grief van de man. De zesde grief van de vrouw richt zich tegen het feit dat de rechtbank heeft verzuimd de rente over de belegging in de merrie tot een bedrag van € 1.361,64 in de verrekening te betrekken, hetgeen door de man op grond van artikel 8 sub c van de huwelijkse voorwaarden wordt erkend.

4.16. De vrouw betwist niet dat de merrie uit het privé vermogen van de man is betaald. Zij stelt echter dat de man regelmatig gelden overboekte van zijn privérekening naar de gezamenlijke rekening, zodat door vermenging niet meer valt vast te stellen hoe de aankoop heeft plaatsgevonden. Het hof volgt de vrouw hierin niet. Zij erkent dat de merrie van de privérekening van de man is betaald. Zij heeft onvoldoende ingebracht tegen de stelling van de man dat de accountant de overboekingen heeft gecontroleerd en heeft vastgesteld dat de merrie uit privégelden is voldaan. Dat betekent dat de grief slaagt en dat de man niet een bedrag van € 4.500,- met de vrouw behoeft te verrekenen. Ook de zesde grief van de vrouw slaagt, zodat de man op grond daarvan wel een bedrag van € 1.361,64 met de vrouw dient te verrekenen.

Goodwill

4.17. Met betrekking tot de goodwill heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de vergoeding voor de goodwill die de man zal ontvangen indien hij uit de maatschap treedt, tussen partijen verdeeld dient te worden tegen de waarde die de goodwill op dat moment vertegenwoordigt. De vrouw richt een grief tegen deze overweging. Zij wenst dat de helft van de goodwill per 1 juli 2006 aan haar wordt uitgekeerd. De man stelt dat eerst op het moment dat hij uittreedt er met zijn plaatsvervanger zal worden onderhandeld over de hoogte van de goodwill, dat er alsdan belasting over de goodwill verschuldigd is en dat de uitkering op dit moment onbepaald en niet rentedragend is. Hij verwijst naar HR 12-10-2001, LJN ZC3697.

4.18. Nu de vrouw niet weerspreekt dat thans nog niet valt vast stellen welk bedrag aan goodwill de man te zijner tijd zal ontvangen omdat eerst (kort voor) het moment van zijn uittreden met zijn plaatsvervanger zal worden onderhandeld over de hoogte van de goodwill en derhalve ook thans nog niet kan worden berekend hoeveel belasting de man te zijner tijd over de te ontvangen vergoeding zal moeten betalen, acht het hof het in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst dat de man eerst met de vrouw zal dienen af te rekenen zodra hij de goodwill heeft ontvangen en de daarover verschuldigde belasting heeft afgedragen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man, die is geboren [in] 1947, inmiddels 63 jaar oud is en ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij in ieder geval bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd de maatschap zal verlaten, zodat de vrouw binnen afzienbare tijd het haar toekomende zal ontvangen. De eerste grief in incidenteel hoger beroep faalt dan ook.

Verrekening saldi bankrekeningen

4.19. De rechtbank heeft voor de peildatum van de saldi op de bankrekeningen 31 december 2005 gehanteerd en vastgesteld dat het tussen partijen te verrekenen banksaldo per 31 december 2005 € 19.099,- bedroeg. De vrouw stelt in incidenteel hoger beroep dat ook voor de saldi op de bankrekeningen als peildatum 1 juli 2006 gehanteerd dient te worden en dat niet van belang is dat de alimentatiebetaling voor de vrouw per 1 januari 2006 is ingegaan. In zijn telefax van 21 mei 2010 gaat de man eveneens uit van de banksaldi per 1 juli 2006. Om die reden zal het hof het standpunt van de vrouw volgen. De man stelt in genoemde telefax dat het saldo van de bankrekeningen per die datum € 48.561,- bedraagt, als volgt samengesteld:

[1] -/- € 2.420,50

[2] € 8.670,83

[3] € 42.311,38

Totaal € 48.561,--

Volgens de man dient bij dit bedrag te worden opgeteld de borg ad € 1.500,- die de man aan het te verrekenen vermogen dient te vergoeden. Van het totaalbedrag dient volgens de man een bedrag van € 10.807,- te worden afgetrokken, omdat partijen dit bedrag conform de bestreden beschikking als uitkering waterschade apart dienen te verrekenen, terwijl deze uitkering is inbegrepen in het door de man genoemde saldo op de rekening met nr. [3]. Hetzelfde geldt voor een bedrag van € 982,41 zijnde de VVAA retourprovisie, welk bedrag op rekeningnummer [4] is ontvangen en waarvan het saldo in het kader van de verrekening van de waarde van de onderneming van de man zal worden verrekend. Aldus heeft de vrouw recht op de helft van € 38.272,-, derhalve een bedrag van € 19.136,- volgens de man.

De vrouw stelt in haar reactie van 4 juni 2010 dat er eind 2006 meer bankrekeningen waren dan de hiervoor genoemde en wenst inzicht daarin. Voorts wenst zij dat debetrentes die de man volgens haar onnodig heeft laten ontstaan, niet meegenomen worden in de saldi van de bankrekeningen en derhalve niet meegenomen worden in de verrekening.

4.20. Het hof oordeelt als volgt. In eerste aanleg heeft de man bij brief van 19 november 2008 aan de rechtbank gesteld dat hij zijn winstdelen (van respectievelijk € 12.000,- en € 16.000,-) na het uiteengaan van partijen heeft overgeschreven op een nieuw geopende rekening met nummer [5]. Hij heeft erkend dat deze bedragen moeten worden verrekend met de saldi die volgens hem in eerste aanleg € 19.099,- bedroegen en waarvan hij thans stelt dat het om een bedrag van € 38.272,- gaat. Anders dan de vrouw stelt heeft de man met zijn uitleg afdoende aangetoond dat daarnaast geen verrekening behoeft plaats te vinden van voornoemde rekening. Van de overige rekeningen die de vrouw noemt in haar telefax van 3 juni 2010 is de rekening met nummer [6] de zakelijke rekening-courant rekening, het saldo van die rekening is meegenomen bij de berekening van het zakelijk vermogen. Op de rekening met nummer [2] komt het hof terug bij de bespreking van het stamvermogen van de man. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat op rekeningnummer [7] op de peildatum enig saldo stond. Nu deze rekening niet voorkomt in de belastingaangifte van de man over 2005 waarin vermeld de saldi van de diverse rekeningen per 31 december 2005, gaat het hof ervan uit dat deze rekening eerst is geopend na de peildatum c.q. het feitelijk uiteengaan. Gelet op het feit dat het saldo op deze rekening per 31 december 2006 nihil is, ziet het hof geen aanleiding tot toewijzing van het verzoek van de vrouw tot inzage in deze rekening. Voorts geldt, dat nu het hof zoals door de vrouw gewenst uitgaat van de peildatum 1 juli 2006 voor de banksaldi, er geen aanleiding is de kennelijk in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juli 2006 betaalde debetrente, niet te laten doorwerken in de te verrekenen saldi. Haar stelling dat de man zijn zakelijke rekening die wordt meegenomen bij de bepaling van de waarde van de onderneming heeft vermengd met privébetalingen, heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd. Het voorgaande betekent dat voor de verrekening van de banksaldi het door de man genoemde bedrag van € 38.272,- in aanmerking zal worden genomen.

Kapitaal eenmanszaak

4.21. De man stelt dat er een kapitaal te verrekenen is per de peildatum van € 4.679,-. De vrouw stelt dat de opstelling van de belastingadviseur van de man niet is ondertekend en wijst er op dat nabetalingen met betrekking tot eerdere jaren tot een bedrag van € 74.341,- in de opstelling zijn gehalveerd terwijl deze voor het volledige bedrag dienen te worden meegenomen. Zij komt op een te verrekenen bedrag van € 41.205,- bruto exclusief de waarde van de auto en eventuele nadere nabetalingen.

4.22. Het hof volgt de vrouw in haar stelling dat uit de jaarstukken 2006 nabetalingen blijken met betrekking tot voorgaande jaren tot een bedrag van € 74.341,- en dat dit bedrag ten onrechte door de belastingadviseur is gehalveerd. Het hof volgt de vrouw echter niet in haar stelling dat de door de man overgelegde opstelling buiten beschouwing dient te worden gelaten, omdat deze niet is ondertekend en niet is opgesteld door een accountant. Aan de hand van de overgelegde jaarstukken is er geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de onderliggende cijfers en de op basis daarvan op te maken waardebepaling. Haar verzoek met betrekking tot dit punt een deskundige te benoemen wijst het hof af. Evenmin volgt het hof de vrouw in haar stelling dat de waarde van de auto naast het door haar genoemde bedrag dient te worden verrekend. De auto is opgenomen in de door de man overgelegde berekening. Dat er over 2006 nadien nog nabetalingen hebben plaatsgevonden die voor verrekening in aanmerking komen, heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet aannemelijk gemaakt. Het vorenstaande betekent dat de door de man overgelegde berekening verhoogd dient te worden met een bedrag van € 41.849,50, welk bedrag partijen zullen dienen te verrekenen, zodat de man terzake aan de vrouw een bedrag van € 20.942,75 verschuldigd is.

Stamvermogen van de man

4.23. De rechtbank heeft beslist dat de effectenrekening met rekeningnummer [2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot het stamvermogen van de man behoort, omdat de hoogte van het saldo op deze rekening nagenoeg gelijk is aan het ten tijde van het huwelijk door de man aangebrachte stamvermogen vermeerderd met de door hem tijdens het huwelijk ontvangen erfenis. De vrouw stelt dat het saldo op deze rekening tot het wettelijk deelgenootschap behoort, omdat er aantoonbaar vele betalingen op deze rekening zijn gedaan die tot het wettelijk deelgenootschap behoren. Voorts stelt zij dat de man een royaal bestedingspatroon had, zodat een groot deel van zijn privévermogen zal zijn geconsumeerd. Tot slot stelt zij dat het privévermogen is vermengd met het te verrekenen vermogen.

4.24. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de man privévermogen heeft aangebracht ten tijde van het huwelijk en tijdens het huwelijk een nalatenschap heeft verkregen. De vrouw heeft niet weersproken dat partijen gelet op hun gezamenlijk uitgavenpatroon nimmer vermogen hadden kunnen vormen, omdat de kosten van de huishouding jaarlijks hoger waren dan de inkomsten. Wie van partijen die uitgaven deed, doet voor het hof niet ter zake. Haar stelling dat het saldo op de effectenrekening verrekend dient te worden omdat er vermenging heeft plaatsgevonden met vermogen dat wel verrekend dient te worden, heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd. Het hof komt evenals de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot het oordeel dat het saldo op de effectenrekening niet in de verrekening behoeft te worden betrokken. Daarmee falen de grieven acht tot en met elf van de vrouw.

Nabetalingen Movir

4.25. De vrouw stelt in haar twaalfde grief dat de rechtbank over het hoofd heeft gezien dat zowel de Movir als de VVAA betalingen hebben gedaan na 1 juli 2006 die betrekking hebben op de periode tot 1 juli 2006 en die bij de verrekening dienen te worden betrokken. Voorts is volgens de vrouw gebleken dat de man ook een groot aantal betalingen heeft verricht voor 1 juli 2006 die betrekking hebben op de periode na 1 juli 2006. Zij stelt dat de omvang van het wettelijk deelgenootschap nog niet kan worden vastgesteld zonder dat er een deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

4.26. De man is het eens met de vrouw dat er twee winstuitkeringen/premierestituties van Movir en de retourprovisie van de VVAA in de verrekening dienen te worden betrokken. Voor 2005 gaat het om een bedrag voor de vrouw van € 844,- en voor 2006 betreft het een bedrag van € 489,-. De man ontkent dat hij voor 1 juli 2006 de premie voor 2007 heeft voldaan zoals de vrouw suggereert.

4.27. Het hof volgt de vrouw niet dat met betrekking tot deze nabetalingen nader onderzoek dient plaats te vinden. De door de vrouw op dit punt overgelegde producties tonen haar stelling dat er sprake is van een ander te verrekenen bedrag als door de man genoemd tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet aan. Het hof zal dan ook bepalen dat de man ter zake aan de vrouw een totaalbedrag van € 1.333,- dient te vergoeden.

Conclusie

4.28. De conclusie van het voorgaande is dat het hof zich voldoende voorgelicht acht om reeds thans een eindbeschikking te wijzen. Het verzoek van de vrouw een deskundige te benoemen volgt het hof dan ook niet. Op grond van de niet bestreden overwegingen van de rechtbank en de onderhavige beschikking, komt het hof tot navolgende berekening en verrekening:

Door man aan vrouw te betalen

- Helft waarde Reaal polis per 1 juli 2006 minus eventuele helft belastingclaim op uitkering;

- Helft waarde Axa polis per 1 juli 2006 minus helft belastingclaim op uitkering;

- Rente over de belegging in de merrie € 1.361,64 : 2 = € 680,82;

- Helft waarde goodwill indien en zodra deze tot uitkering komt minus de helft van de op deze uitkering rustende belastingclaim;

- saldi bankrekeningen € 38.272,- : 2 = € 19.136,-;

- kapitaal eenmanszaak € 41.849,50 : 2 = € 20.942,75;

- Movir en VVAA € 1.333,-;

- Helft participatie Scheepvaart C.V. € 23.566,- : 2 = € 11.783,-;

- Uitkering waterschade € 10.807,93 : 2 = € 5.403,96;

- Verschil belastingaanslag die de vrouw zou hebben ontvangen indien zij per 1 juli 2006 partneralimentatie bij de belastingdienst diende aan te geven en de feitelijk door de vrouw ontvangen belastingaanslag 2006.

Door vrouw aan man te betalen

- Gebruiksvergoeding € 14.837,50;

- Helft verschuldigde inkomstenbelasting € 77.078,- : 2 = € 38.539,-

- Makelaarskosten € 178,50.

4.29. De man heeft onbetwist gesteld dat hij het door de rechtbank bepaalde door hem aan de vrouw te betalen bedrag van € 89.318,96 aan de vrouw heeft voldaan. Het hof komt tot een andere berekening, doch kan door het ontbreken van de waarde per peildatum van met name de waarde van de polissen bij Axa en Reaal, alsmede de hoogte van de eventueel verschuldigde belasting over de waarde van de uitkeringen, niet het te verrekenen bedrag vaststellen. De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen het door haar ontvangen bedrag van € 89.318,96 terug te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der voldoening tot de dag der terugbetaling. Omdat het hof niet kan berekenen of en zo ja welk bedrag de vrouw aan de man zal dienen terug te betalen, doch het verzoek zo de man te veel heeft betaald, alleszins redelijk voorkomt, zal het hof bepalen dat de vrouw het eventueel te veel ontvangen bedrag van de man aan hem dient terug te betalen binnen twee weken nadat de netto bedragen bekend zijn die partijen ten aanzien van de polissen bij Reaal en Axa met elkaar dienen te verrekenen, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door de man tot de dag der terugbetaling door de vrouw.

4.30. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

In principaal en in incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

stelt de verrekening tussen partijen vast als omschreven onder 4.28 van deze beschikking:

bepaalt dat de vrouw aan de man het naar aanleiding van de bestreden beschikking eventueel teveel door haar ontvangen bedrag aan de man dient terug te betalen binnen veertien dagen nadat aan partijen bekend is welke netto bedragen over en weer verrekend dienen te worden ten aanzien van de waarde van de polissen van verzekering bij Reaal en Axa, het eventueel door de vrouw aan de man terug te betalen bedrag te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door de man tot de dag der volledige terugbetaling door de vrouw;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, G.J. Driessen-Poortvliet en M. Perfors in tegenwoordigheid van

mr. H.T. Gitsels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2010.