Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN3124

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
23-003250-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW8665, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW8665
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CIE-informatie is geen NN-informatie. Bevoegdheid betreden loods.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003250-08

datum uitspraak: 22 juli 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 5 juni 2008 in de strafzaak onder parketnummer 15-660264-07 tegen

(naam verdachte),

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum),

adres: (adres).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 mei 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

"hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 06 september 2005 tot en met 15 november 2006 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd (in een pand en/of loods aan de (adres) een (groot) aantal hennepplanten en/of hennepstekken, in elk geval op 15 november 2006 opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 489 hennepplanten en/of 17136 hennepstekken, in elk geval een (groot) aantal hennepplanten en/of hennepstekken, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijstII, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; art 3 ahf/ond D Opiumwet"

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 15 november 2006 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en bewerkt in een loods aan de (adres) een groot aantal hennepplanten en hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van gevoerde verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de bevindingen en verklaringen van de politie rechtsreeks voortvloeien uit het onrechtmatig handelen van de politie en als verboden vrucht dienen te worden uitgesloten van het bewijs, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken.

De raadsman voert daartoe twee gronden aan, te weten:

a. er was onvoldoende verdenking, dat wil zeggen geen redelijk vermoeden van schuld voorafgaand aan het betreden van het pand waar de stekkenkwekerij is aangetroffen, omdat sprake is geweest van CIE-informatie afkomstig van een onbekend gebleven informant, waarbij geen oordeel gegeven kon worden omtrent de betrouwbaarheid van de informatie. Waar het de waardering in dit bestek betreft dient informatie die aldus is verkregen en is verstrekt op één lijn met een anonieme melding te worden gesteld.

Voorts is slechts onderzoek gedaan naar de adresgegevens en geboortedatum van de verdachte en werd geconstateerd dat het in de melding genoemde pand eigendom was van de persoon die ook in de melding werd genoemd. Verder onderzoek om tot een concrete verdenking jegens de verdachte te komen alvorens dwangmiddelen toe te passen, is niet gedaan.

Gezien de startinformatie (van de informant) en het ontbreken van enig concreet onderzoek naar de juistheid van die informatie was geen sprake van rechtmatige toepassing van dwangmiddelen (waaronder het doorzoeken van het pand en het ontmantelen en in beslag nemen van hetgeen daar werd aangetroffen);

b. de doorzoeking is onrechtmatig geweest, ook omdat de verdachte geen toestemming heeft gegeven voor de doorzoeking in het pand, noch voor de inbeslagname van hennep en van een auto. Nergens blijkt dat de verdachte toestemming heeft verleend om achter de schuifdeur het pand te doorzoeken en om de bovenverdieping van het pand te doorzoeken. Die toestemming heeft hij niet gegeven zodat -nu een machtiging voor de toepassing van het dwangmiddel van doorzoeking ontbreekt- de doorzoeking van de loods niet rechtmatig is geweest, aldus zakelijk weergegeven de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad a.

Het hof volgt de raadsman niet in het door hem betrokken uitgangspunt dat informatie afkomstig van een CIE-informant, op één lijn dient te worden gesteld met een anonieme tip. Immers, anders dan het in het geval waarin door een anoniem gebleven persoon een tip is gegeven heeft in het voorliggende geval, waarin door een informant aan de CIE informatie is aangedragen enige toetsing plaatsgehad, reeds omdat die informant als zodanig in het register is ingeschreven. Daarbij komt het volgende.

Voorts is het hof van oordeel dat het proces-verbaal betreffende de informatie die bij de CIE is binnengekomen, voldoende informatie bevat om daarop een redelijke verdenking van aanwezigheid van hennepplanten in het genoemde perceel te gronden.

Uit de inhoud van het door (naam en rang verbalisant) op 17 oktober 2006 opgemaakte proces-verbaal blijkt dat sprake is geweest van twee in tijd onderscheiden meldingen, waarin gesproken wordt van overtreding van de Opiumwet, het bestaan van een plantage op een met name genoemde locatie met een gedetailleerde plaatsbepaling en waarbij namen worden genoemd van zowel de verdachte als de eigenaar van de loods. Laatstgenoemde elementen van de melding zijn door middel van een administratief onderzoek geverifieerd. Zo bezien hebben de aldus voorliggende gegevens een toereikende grondslag gevormd voor het ontstaan van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet, toen en daar, op grond waarvan de politie bevoegd was het pand te betreden.

Ad b.

Het hof geeft de raadsman na dat de toestemming van de verdachte om het pand te betreden niet expliciet uit het proces-verbaal blijkt en dat in dit verband de verslaglegging van hetgeen is voorgevallen en is verricht, bepaald geen schoonheidprijs verdient.

Het hof is evenwel van oordeel dat het antwoord op de vraag of de verdachte toestemming heeft gegeven het pand te betreden dan wel medewerking heeft gegeven bij het openen van deuren die toegang boden tot verschillende ruimtes in casu in het midden kan blijven omdat er op een juiste wijze gebruik is gemaakt van op grond van de Opiumwet aan de ambtenaren van politie toekomende bevoegdheden. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Zoals hiervoor reeds is overwogen bestond er naar het oordeel van het hof een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet. Dit betekent dat de politie de betredingsbevoegdheid van artikel 9, lid 1, onder b, van de Opiumwet mocht toepassen. Op grond hiervan is het de politie toegestaan in een perceel zoekend rond te kijken. Het hof stelt, anders dan de raadsman, vast dat uit het proces-verbaal blijkt dat van doorzoeking van het pand in de zin van artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering, waarvoor de aanwezigheid van de officier van justitie vereist zou zijn geweest, geen sprake is geweest.

Opsporingsambtenaren hebben de verschillende ruimtes in het perceel betreden waarbij kort gezegd een zogeheten stekkenkwekerij voor de hand werd aangetroffen. Vervolgens is deze met toepassing van het derde lid van artikel 9 van de Opiumwet in beslag genomen.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, zodat het verweer in al zijn onderdelen wordt verworpen.

Verzoek tot het horen van een getuige

De raadsman heeft het hof bij pleidooi verzocht de verbalisanten die het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij hebben opgesteld als getuigen te (doen) horen over de gang van zaken tijdens de betreding van het pand, indien het hof de raadsman niet zou volgen in het hierboven omschreven betoog. Nu het hof oordeelt dat er geen gebreken kleven aan de toepassing van wettelijke bevoegdheden is het hof van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en 4 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 190 uren subsidiair 95 dagen hechtenis en 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaren. Bij deze vordering heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich geruime tijd schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten en het knippen van hennepstekken. Het gebruik van cannabisprodukten kan de gezondheid van de gebruikers daarvan benadelen. Bovendien leidt de teelt van cannabis veelal tot negatieve maatschappelijke effecten.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 juni 2010 is de verdachte eerder veroordeeld, onder meer wegens overtreding van de Opiumwet.

Het hof constateert dat weliswaar sprake is van een geringe overschrijding van de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn in hoger beroep, doch acht deze zo beperkt dat het hierin geen aanleiding vindt de op te leggen straf te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 200 (tweehonderd) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.M. Steinhaus en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 juli 2010.