Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN3120

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
23-001855-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging op kermis Schagen. Vrijspraak tenlastegelegde poging moord/doodslag c.q. zware mishandeling, nu in het dossier onvoldoende bewijs te vinden is dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer met een mes in diens rug heeft gestoken en evenmin voldoende bewijs aanwezig is voor het medeplegen. De aanwezigheid van de verdachte en het door hem gepleegde geweld tegen slachtoffer 1 levert een voldoende significante bijdrage op aan de openlijke geweldpleging tegen slachtoffers 2 en 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001855-08

datum uitspraak: 10 juni 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 26 maart 2008 in de strafzaak onder de parketnummers 14-810260-07 en 14-811027-05 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 11 en 12 maart 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

onder 1:

primair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) een persoon, genaamd [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg),

- met (een) mes(sen), althans met(een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen) in de rug van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of

- met (een) pijp(en) en/of (een) staaf/staven en/of een helm, althans met (een) hard(e) voorwerp(en) (meermalen) op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade), aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel (een geperforeerde long), heeft toegebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg), met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen), in de rug van die [slachtoffer 1] gestoken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen, op of aan de openbare weg, te weten op de Markt, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het

- met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen) steken in de rug van die [slachtoffer 1] en/of

- met (een) pijp(en) en/of (een) staaf/staven en/of (een) knuppel(s) en/of een helm, althans met (een) hard(e) voorwerp(en) (meermalen) op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] slaan en/of

- schoppen en/of slaan tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 1];

onder 2:

primair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- met (een) pijp(en) en/of (een) staaf/staven en/of (een) knuppel(s), althans met (een) hard(e) voorwerp(en) (meermalen) op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen, op of aan de openbare weg, te weten op de Markt, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het

- met (een) pijp(en) en/of (een) staaf/staven en/of (een) knuppel(s), althans met (een) hard(e) voorwerp(en) (meermalen) op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] slaan en/of

- schoppen en/of slaan tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3];

onder 3:

hij op of omstreeks 2 september 2006 in (de gemeente) Den Helder als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op/nabij de Krugerstraat en/of de Hertzogstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 4]) schade was toegebracht;

onder 4:

hij op of omstreeks 2 september 2006 in (de gemeente) Den Helder als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, te weten de Krugerstraat en/of de Hertzogstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

onder 5:

hij op of omstreeks 2 september 2006 in (de gemeente) Den Helder als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [KENTEKEN], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Krugerstraat en/of de Hertzogstraat, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden;

onder 6:

hij op of omstreeks 2 september 2006 in (de gemeente) Den Helder op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Krugerstraat, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende en gekomen op of nabij de kruising of splitsing van bovengenoemde weg en de voor het openbaar verkeer openstaande (zij)weg de Hertzogstraat,

- (bij het afslaan) zijn voertuig niet steeds onder controle heeft gehad/gehouden en/of onvoldoende rechts heeft gehouden en/of

- (dientengevolge), gezien verdachtes rijrichting, op het weggedeelte bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen en/of

- (vervolgens) met zijn voertuig is gebotst/aangereden tegen/op een op/aan/nabij die kruising of splitsing en/of weg (de Hertzogstraat) stilstaande/geparkeerde personenauto,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

onder 7:

hij op of omstreeks 20 augustus 2006 in de gemeente Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een personenauto (Opel Kadett, [kenteken]), geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en/of die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, naar die personenauto is gegaan, waarna verdachte en/of (een van) zijn mededader(s), althans alleen met een schroevendraaier een of meerdere portierslot(en) heeft geforceerd en/of heeft opengebroken en/of in die auto is/zijn gaan zitten en/of met een schroevendraaier het contactslot heeft geforceerd en/of heeft losgemaakt en/of (een deel van) de stuurkolom heeft opengebroken en/of heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

onder 8:

primair:

hij op of omstreeks 27 december 2006 in de gemeente Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 5], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- (met kracht) de kleding en/of het lichaam van die [slachtoffer 5] heeft vastgepakt en/of

- één of meermalen (met kracht) het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 5] tegen een deur heeft geduwd/geslagen en/of

- één of meermalen (met kracht) heeft getrokken aan en/of geduwd tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] (waardoor die [slachtoffer 5] ten val kwam) en/of

- (terwijl die [slachtoffer 5] op de vloer lag) één of meermalen (met kracht) heeft geschopt en/of getrapt op/tegen het hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 5],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 27 december 2006 in de gemeente Den Helder opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 5]),

- één of meermalen (met kracht) haar hoofd, althans haar lichaam, tegen een deur heeft geduwd/geslagen en/of

- één of meermalen (met kracht) heeft getrokken aan en/of geduwd tegen haar lichaam (waardoor die [slachtoffer 5] ten val kwam) en/of

- (terwijl die [slachtoffer 5] op de vloer lag) één of meermalen (met kracht) heeft geschopt en/of getrapt op/tegen haar hoofd en/of (elders) op/tegen haar lichaam,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde blijkt uit de stukken, onder meer uit de vordering benadeelde partij, dat de aangever [verkeerde naam slachtoffer 1] is geheten, in plaats van [slachtoffer 1] zoals ten laste gelegd. Het hof zal deze kennelijke verschrijving verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich niet verenigt met de bewezenverklaring en de bewijsmotivering.

Vrijspraak

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de stukken in het dossier onvoldoende inhouden op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 1] met een mes in diens rug heeft gestoken, terwijl bewijsmiddelen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verdachte als medepleger van die door een ander verrichte gedraging heeft te gelden, ontbreken. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Evenmin acht het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en onder 8 primair is ten laste gelegd. Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde overweegt het hof dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], zodat de verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

hij op 16 juni 2007 in de gemeente Schagen, op de openbare weg, te weten op de Markt, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

- het met een scherp en puntig voorwerp meermalen steken in de rug van die [slachtoffer 1] en

- het met een pijp en een helm meermalen tegen het lichaam die [slachtoffer 1] slaan en

- het geven van een schop en het slaan tegen het lichaam en het hoofd van die [slachtoffer 1];

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

hij op 16 juni 2007 in de gemeente Schagen, op de openbare weg, te weten op de Markt, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3],

welk geweld ten aanzien van die [slachtoffer 2] bestond uit het met een hard voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] slaan en

welk geweld ten aanzien van die [slachtoffer 3] bestond uit het met een hard voorwerp meermalen tegen het lichaam en het hoofd van die [slachtoffer 3] slaan en uit het slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 3];

ten aanzien van feit 3:

hij op 2 september 2006 in de gemeente Den Helder als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Hertzogstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [slachtoffer 4], schade was toegebracht;

ten aanzien van feit 4:

hij op 2 september 2006 in de gemeente Den Helder als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, te weten de Krugerstraat en de Hertzogstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

ten aanzien van feit 5:

hij op 2 september 2006 in de gemeente Den Helder als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [kenteken], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Krugerstraat en de Hertzogstraat, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden;

ten aanzien van feit 6:

hij op 2 september 2006 in de gemeente Den Helder op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Krugerstraat, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende en gekomen op of nabij de kruising of splitsing van bovengenoemde weg en de voor het openbaar verkeer openstaande (zij)weg de Hertzogstraat,

- bij het afslaan zijn voertuig niet steeds onder controle heeft gehouden en onvoldoende rechts heeft gehouden en

- dientengevolge, gezien verdachtes rijrichting, op het weggedeelte bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen en

- vervolgens met zijn voertuig is aangereden tegen een nabij die kruising of splitsing geparkeerde personenauto,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg kon worden gehinderd;

ten aanzien van feit 7:

hij op 20 augustus 2006 in de gemeente Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een personenauto (Opel Kadett, [kenteken]), toebehorende aan [eigenaar] en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen door middel van braak, naar die personenauto is gegaan, waarna verdachte met een schroevendraaier een portierslot heeft geforceerd en heeft opengebroken en verdachte en zijn mededader in die auto zijn gaan zitten en verdachte met een schroevendraaier het contactslot heeft geforceerd en de stuurkolom heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 8 subsidiair:

hij op 27 december 2006 in de gemeente Den Helder opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 5],

- tegen een deur heeft geduwd en

- met kracht heeft geduwd tegen haar lichaam waardoor die [slachtoffer 5] ten val kwam en

- terwijl die [slachtoffer 5] op de vloer lag meermalen met kracht heeft geschopt tegen haar lichaam,

waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen hem onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en feit 2 subsidiair

Het hof overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 meer subsidiair en feit 2 subsidiair als volgt.

Op 16 juni 2007 heeft er op de kermis in Schagen een vechtpartij plaatsgevonden.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er, voorafgaande aan deze vechtpartij, door een groep afkomstig uit (de omgeving van) Den Helder, waar de verdachte deel van uitmaakte, min of meer plannen zijn gemaakt om te gaan vechten met een andere groep, afkomstig uit (de omgeving van) Schagen, waar [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] deel van uitmaakten. Een deel van de groep uit Den Helder, waaronder de verdachte, is op 16 juni 2007 met dezelfde trein en gezeten in dezelfde coupé vanuit Den Helder naar Schagen gereisd.

Tijdens die treinrit zijn in die coupé de door één of meer groepsgenoten meegebrachte steek- en slagwapens tevoorschijn gehaald, welke wapens de verdachte naar eigen zeggen ook gezien heeft.

Vanaf het station Schagen is de groep uit de trein, inclusief de verdachte, gezamenlijk naar de kermis gelopen, alwaar de groep uit Schagen ook aanwezig was. Op een gegeven moment heeft [mededader 1] (uit de groep Den Helder), daartoe door [mededader 2] uit diezelfde groep uitgenodigd, aan de evengenoemde [slachtoffer 1] uit de groep Schagen een duw gegeven, waarmee de beoogde vechtpartij tussen de twee groepen is begonnen. Tijdens die vechtpartij is geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], bij gelegenheid waarvan [slachtoffer 1] meermalen met een mes is gestoken.

De door de verdachte geleverde en door hem erkende bijdrage aan de vechtpartij heeft bestaan uit in elk geval het geven van een knietje en klappen aan [slachtoffer 1]. Daarmee is zijn strafrechtelijk relevante bijdrage aan het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde feit een gegeven.

De aanwezigheid van de verdachte bij deze vechtpartij en het door hem in dat bestek gepleegde geweld levert naar het oordeel van het hof eveneens een voldoende significante bijdrage op aan de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Immers, hetgeen op die kermis toen en daar is voorgevallen dient te worden aangemerkt als één, massale vechtpartij, waarbij meer mensen gewond zijn geraakt door gezamenlijk gepleegd (openlijk) geweld.

Hieraan doet, anders dan de verdediging heeft bepleit, niet af dat de verdachte enkel geweld tegen [slachtoffer 1] heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 8 subsidiair

Het hof overweegt ten aanzien van het bewezen geachte feit 8 subsidiair nog dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het evengenoemde [slachtoffer 5] -zijn partner- pijn en letsel heeft toegebracht, door haar te duwen en, nadat [slachtoffer 5] door toedoen van de verdachte ten val was gekomen, haar meermalen tegen het lichaam te schoppen. De verdachte heeft bij zijn verhoren ten overstaan van de politie als ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep erkend deze gedragingen te hebben verricht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

ten aanzien van het onder 7 bewezen verklaarde:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te

nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

ten aanzien van het onder 8 subsidiair bewezen verklaarde:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het hem onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3, 7 en 8 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 21 maanden, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft voorts ten aanzien van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast. Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair heeft de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 heeft de rechtbank bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ten slotte is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van 25 augustus 2005 door de rechtbank Alkmaar opgelegde en niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie van vier maanden (parketnummer 14/811027-05).

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het openbaar ministerie heeft zijn hoger beroep op 25 juli 2008 ingetrokken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3, 7 en 8 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als de rechtbank heeft opgelegd.

Ten aanzien van de hem onder 5 ten laste gelegde overtreding heeft de advocaat-generaal gevorderd de verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week. Ten aanzien van de overtredingen die onder 4 en 6 aan de verdachte ten laste zijn gelegd heeft de advocaat-generaal gevorderd geen straf of maatregel op te leggen overeenkomstig het bepaalde in artikel 9A Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft ten slotte gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen. Met een groep jongeren uit (de omgeving van) Den Helder heeft hij zich buitensporig gewelddadig gedragen ten opzichte van een groep jongeren uit (de omgeving van) Schagen. Het geweld is gepleegd op de kermis in Schagen, waarbij rake klappen zijn uitgedeeld en een van de slachtoffers tweemaal in zijn rug is gestoken. Gezien de pleegplaats van de vechtpartij moeten ook andere bezoekers van de kermis met het geweld zijn geconfronteerd. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij -wetende van de plannen om te gaan vechten en de meegebrachte wapens- zich niet heeft onttrokken aan de groep en vervolgens een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan het groepsgeweld, door in elk geval aan [slachtoffer 1] klappen en een knietje te geven. Een dergelijke handelwijze is niet alleen zeer bedreigend voor de directe slachtoffers van het geweld, maar versterkt bovendien in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan -kort gezegd- het verlaten van de plaats van een ongeval, het rijden zonder rijbewijs, het rijden in een auto zonder dat deze verzekerd was en het veroorzaken van gevaar op de weg, alles gepleegd op 2 september 2006. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een deelnemer aan het verkeer wordt vereist. Daarbij komt, dat de verdachte door aldus te handelen en na te laten ervan blijk heeft gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan de in wettelijke voorschriften vervatte normen.

Eveneens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal in vereniging van een auto, waarbij de toegang tot de auto is verschaft door middel van braak. De verdachte heeft hiermee schade berokkend aan de rechtstreeks benadeelde en daarnaast bijgedragen aan de maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid van burgers.

Ten slotte heeft de verdachte zijn levensgezel mishandeld door haar tegen een deur aan te duwen, waardoor zij is gevallen, en haar, nadat zij op de grond was gevallen, diverse trappen tegen haar lichaam te geven. Mishandeling door een levensgezel tast de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aan en wordt door het slachtoffer doorgaans als ingrijpend en bedreigend ervaren, zo ook in dit geval. Het hof houdt er ten voordele van de verdachte rekening mee dat de relatie met het slachtoffer in de tussentijd is hersteld, dat de verdachte en zijn partner intussen samen een kind grootbrengen en de partner van de verdachte binnenkort hun tweede kind verwacht.

Anders dan de vordering van de advocaat-generaal acht het hof de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten in samenhang bezien, zo ernstig dat niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke hechtenis voor de onder 5 ten laste gelegde overtreding en het niet opleggen van een straf of maatregel overeenkomstig het bepaalde in artikel 9A Wetboek van Strafrecht voor de overtredingen die onder 4 en 6 aan de verdachte ten laste zijn gelegd. Het hof zal voor ieder van deze feiten een afzonderlijke straf bepalen, zij het dat deze straffen steeds, mede gelet op het tijdsverloop van bijna vier jaren sinds de pleegdatum en gelet op de draagkracht van de verdachte, in geheel voorwaardelijke vorm zullen worden opgelegd.

Het hof stelt voorts vast dat de behandeling van het hoger beroep circa 26 maanden heeft geduurd. Daarmee constateert het hof in de appelfase een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doch het hof zal, in aanmerking genomen dat de totale duur van de berechting in eerste aanleg en hoger beroep de gestelde termijn van 4 jaren niet overschrijdt, volstaan met deze constatering.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de op 1 juli 2008 in werking getreden gewijzigde wettelijke regeling van vervroegde invrijheidstelling. Eveneens betrekt het hof bij de strafoplegging het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2010, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het hof houdt voorts rekening met de inhoud van het rapport van de psycholoog E. Stam van 20 april 2007 en de nadien door deze psycholoog uitgebrachte brief van 11 februari 2008 ten aanzien van feit 8, alsmede de voorlichtingsrapporten van Reclassering Nederland van 9 mei 2007, ten aanzien van feit 8, en van 7 september 2007, ten aanzien van de feiten 1 en 2. Het hof verwijst in dit kader naar de overweging en de conclusie van de rechtbank op pagina 20 tot en met 22 van het vonnis waarvan beroep, die het hof overneemt. Dat betekent dat het hof van oordeel is dat feit 8 subsidiair de verdachte in enigszins verminderde mate moet worden toegerekend.

Het hof acht, alles afwegende, de navolgende (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en navolgende voorwaardelijke geldboetes passend en geboden.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 25 augustus 2005, parketnummer 14-811027-05, van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, termen aanwezig zijn om de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. Anders dan de rechtbank in het vonnis waarvan beroep zal het hof in plaats van jeugddetentie bepalen dat de veroordeelde een taakstraf bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van 150 (honderdvijftig) uren onbetaalde arbeid, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen, zal hebben te verrichten. Het hof acht geen termen aanwezig tot tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 3.760,- zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft de hoogte van deze vordering betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot een bedrag van EUR 1.890,- worden toegewezen, bestaande uit EUR 90,- ter zake van materiële schade (EUR 15,- "schade t-shirt", en EUR 75,- "schade vest") en EUR 1.800,- ter zake van immateriële schade.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de hiervoor genoemde schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36f, 45, 57, 62, 63, 141, 300, 304 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de artikelen 5, 7, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair, onder 2 primair en onder 8 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3, 7 en 8 subsidiair bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 (vier) dagen.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2 2.00 STK Handschoen Kl: rood olie

3 1.00 STK Lamp Kl: oranje MSHA BRIGHTSTAR zaklamp zwarte rand voor en achter, aan knop ook zwart

4 1.00 STK Schroevedraaier, kl: rood PB190 kruiskop

5 1.00 STK Keukenartikel Kl: zwart BLACK & DECKER nickolson houtrasp

6 1.00 STK Radio Kl: meerkl ONBEKEND Mac Donalds radio met Black Eyed Peas

8 1.00 STK Schroevedraaier Kl: oranje

9 1.00 STK Zakmes Kl: oranje.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Alkmaar van 25 augustus 2005 met parketnummer 14-811027-05:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van 150 (honderdvijftig) uren onbetaalde arbeid, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voor zover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd,

om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], wonende te [plaats], een bedrag van EUR 1.890,00 (duizend achthonderdnegentig euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 1.890,00 (duizend achthonderdnegentig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 1].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) de verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. R. Veldhuisen en mr. N.F. van Manen, in tegenwoordigheid van mr. M.N. Maris, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2010.