Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN3117

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
23-001856-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging op kermis Schagen. Vrijspraak tenlastegelegde poging moord/doodslag c.q. zware mishandeling, nu in het dossier onvoldoende bewijs te vinden is dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer met een mes in diens rug heeft gestoken en evenmin voldoende bewijs aanwezig is voor het medeplegen. Voldoende significante bijdrage aan de openlijke geweldpleging, aangezien de verdachte opzet op het geweld heeft gehad door naar de vechtpartij toe te lopen en een klap uit te delen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001856-08

datum uitspraak: 10 juni 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 26 maart 2008 in de strafzaak onder parketnummer 14-810277-07 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 11 en 12 maart 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

onder 1:

primair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) een persoon, genaamd [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg),

- met (een) mes(sen), althans met(een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen) in de rug van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of

- met (een) pijp(en) en/of (een) staaf/staven en/of een helm, althans met (een) hard(e) voorwerp(en) (meermalen) op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade), aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel (een geperforeerde long), heeft toegebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg), met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen), in de rug van die [slachtoffer 1] gestoken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen, op of aan de openbare weg, te weten op de Markt, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het

- met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen) steken in de rug van die [slachtoffer 1] en/of

- met (een) pijp(en) en/of (een) staaf/staven en/of (een) knuppel(s) en/of een helm, althans met (een) hard(e) voorwerp(en) (meermalen) op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] slaan en/of

- schoppen en/of slaan tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 1];

onder 2:

primair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- met (een) pijp(en) en/of (een) staaf/staven en/of (een) knuppel(s), althans met (een) hard(e) voorwerp(en) (meermalen) op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 in de gemeente Schagen, op of aan de openbare weg, te weten op de Markt, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het

- met (een) pijp(en) en/of (een) staaf/staven en/of (een) knuppel(s), althans met (een) hard(e) voorwerp(en) (meermalen) op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] slaan en/of

- schoppen en/of slaan tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3];

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde blijkt uit de stukken, onder meer uit de vordering benadeelde partij, dat de aangever [slachtoffer 1] is geheten, in plaats van [foutieve naam slachtoffer 1] zoals ten laste gelegd. Het hof zal deze kennelijke verschrijving verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich niet met de bewezenverklaring en de bewijsmotivering verenigt.

Vrijspraak

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de stukken in het dossier onvoldoende inhouden op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de verdachte als medepleger heeft te gelden van door een ander, met het op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van/aan [slachtoffer 1] gericht opzet, toegebracht steekletsel. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Hetzelfde oordeel treft hetgeen aan de verdachte onder 2 primair wordt verweten. Daartoe overweegt het hof, dat de stukken in het dossier onvoldoende inhouden op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met op hun dood of op het aan hen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht opzet heeft geslagen, terwijl bewijsmiddelen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verdachte als medepleger van die door een of meer anderen verrichte gedragingen heeft te gelden, ontbreken.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

hij op 16 juni 2007 in de gemeente Schagen, op de openbare weg, te weten op de Markt, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

- het met een scherp en puntig voorwerp meermalen steken in de rug van die [slachtoffer 1] en

- het met een pijp en een helm meermalen tegen het lichaam die [slachtoffer 1] slaan en

- een schop en het slaan tegen het lichaam en het hoofd van die [slachtoffer 1];

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

hij op 16 juni 2007 in de gemeente Schagen, op de openbare weg, te weten op de Markt, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3],

welk geweld ten aanzien van die [slachtoffer 2] bestond uit het met een hard voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] slaan en

welk geweld ten aanzien van die [slachtoffer 3] bestond uit het met een hard voorwerp meermalen tegen het lichaam en het hoofd van die [slachtoffer 3] slaan en uit het slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 3].

Hetgeen onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en feit 2 subsidiair

Het hof overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en feit 2 subsidiair in het bijzonder als volgt.

Op 16 juni 2007 heeft er op de kermis in Schagen een vechtpartij plaatsgevonden.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat er, voorafgaande aan deze vechtpartij, door een groep afkomstig uit (de omgeving van) Den Helder min of meer plannen zijn gemaakt om te gaan vechten met een andere groep, afkomstig uit (de omgeving van) Schagen, waarvan de in de tenlastelegging genoemde [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] deel uitmaakten. Volgens de door [getuige 1] herhaald afgelegde verklaring heeft zij gehoord, dat door leden van de groep uit Den Helder is besproken dat de verdachte met het oog op de aanstaande vechtpartij een slagwapen zou meebrengen.

Een deel van de groep uit Den Helder, waaronder de verdachte, is op 16 juni 2007 met dezelfde trein vanuit Den Helder naar Schagen gereisd.

Vanaf het station Schagen is de groep uit de trein, inclusief de verdachte, naar de kermis gelopen, alwaar ook de groep uit Schagen aanwezig was.

De verdachte heeft zich op het kermisterrein bij de groep uit Den Helder gevoegd. Op een gegeven moment heeft de groep uit Den Helder een aantal jongens uit de groep Schagen in het vizier gekregen. Volgens de verklaring van de verdachte is hem een beloning van € 100,- in het vooruitzicht gesteld als hij, de verdachte, met het vechten wilde beginnen. Voorts stelt het hof vast, dat op enig moment nabij de attractie van de botsauto's een opstootje is ontstaan tussen de groep uit Den Helder en de groep uit Schagen. De verdachte is toen naar eigen zeggen een rondje over de kermis gaan lopen en is weer bij de botsauto's teruggekeerd. In elk geval op dat moment heeft hij gezien dat de vechtpartij tussen de twee groepen was begonnen. Tijdens die vechtpartij is geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], bij gelegenheid waarvan [slachtoffer 1] meermalen met een mes is gestoken.

In plaats van zich van de plaats waar de gewelddadigheden zich onder zijn ogen voltrokken te verwijderen, heeft de verdachte ervoor gekozen naar die plaats door- dan wel toe te lopen en heeft hij -naar eigen zeggen- zelfs een klap uitgedeeld. De als getuigen gehoorde [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte, een lange blanke jongen, wiens bijnaam "[bijnaam]" is -welke bijnaam ook door de verdachte aan zijn persoon is toegeschreven-, actief aan de vechtpartij heeft deelgenomen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen heeft de verdachte te gelden als deelnemer aan het toen en daar gepleegde openlijk en in vereniging tegen personen gepleegde geweld.

De aanwezigheid van de verdachte bij deze vechtpartij en het door hem in dat bestek gepleegde geweld levert naar het oordeel van het hof eveneens een voldoende significante bijdrage op aan de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Immers, hetgeen op die kermis toen en daar is voorgevallen dient te worden aangemerkt als één, massale vechtpartij, waarbij meer mensen gewond zijn geraakt door gezamenlijk gepleegd (openlijk) geweld.

Ook indien het hof de lezing van de verdachte -waaraan door het hof overigens geen geloof wordt gehecht- volgt -te weten dat toen en daar achtereenvolgens zijn aanwezigheid in de trein, de evenbedoelde gezamenlijke gang vanaf het station naar het kermisterrein en zijn aanwezigheid op de plek waar zich gewelddadigheden voordeden, op louter toeval berust, staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte een voldoende significante bijdrage aan het openlijke geweld tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft geleverd. Immers, ook bezien vanuit dat door de verdachte gekozen perspectief heeft hij opzet op het geweld gehad door ervoor te kiezen zich niet van de plaats waar de gewelddadigheden zich voltrokken te verwijderen, doch daar naartoe te lopen en vervolgens een klap uit te delen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Voor zover de verdachte met de mededeling dat 'hij zich met die klap heeft afgeweerd', heeft bedoeld een beroep op noodweer te doen, faalt dat beroep. Door zich te gedragen zoals hiervoor door het hof is vastgesteld heeft hij immers zichzelf in die -naar het hof de verdachte begrijpt- hachelijke situatie gemanoeuvreerd, terwijl voor hem de mogelijkheid heeft opengestaan het ontstaan van die situatie te vermijden. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair bewezen verklaarde:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het hem onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan een gedeelte van 122 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en hem voorts de schadevergoedingsmaatregel opgelegd

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het openbaar ministerie heeft zijn hoger beroep op 25 juli 2008 ingetrokken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als de rechtbank heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen. Met een groep jongeren uit (de omgeving van) Den Helder heeft hij zich gewelddadig gedragen ten opzichte van een groep jongeren uit (de omgeving van) Schagen. Het geweld is gepleegd op de kermis in Schagen, waarbij rake klappen en schoppen zijn uitgedeeld en een van de slachtoffers tweemaal in zijn rug is gestoken. Gezien de pleegplaats van de vechtpartij moeten ook andere bezoekers van de kermis met het geweld zijn geconfronteerd. Het hof rekent de verdachte aan dat hij -toen hij zag dat er een vechtpartij gaande was- zich daaraan niet heeft onttrokken doch ervoor heeft gekozen zich naar de groep vechtenden te begeven en vervolgens ook een klap uit te delen. Een dergelijke handelwijze is niet alleen zeer bedreigend voor de directe slachtoffers van het geweld, maar versterkt bovendien in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid.

Het hof stelt voorts vast dat de behandeling van het hoger beroep circa 26 maanden heeft geduurd. Daarmee constateert het hof in de appelfase een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doch het hof zal, in aanmerking genomen dat de totale duur van de berechting in eerste aanleg en hoger beroep de gestelde termijn van 4 jaren niet overschrijdt, volstaan met deze constatering.

Het hof houdt bij de strafoplegging aan de verdachte rekening met de op 1 juli 2008 in werking getreden gewijzigde wettelijke regeling van vervroegde invrijheidstelling. Eveneens betrekt het hof bij de strafoplegging het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2010, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar eenmaal eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar dat dit geen geweldsdelict betrof.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 3.760,- zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot een bedrag van EUR 1.890,- worden toegewezen, bestaande uit EUR 90,- ter zake van materiële schade (EUR 15,- "schade t-shirt", en EUR 75,- "schade vest") en EUR 1.800,- ter zake van immateriële schade.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de hiervoor genoemde schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voor zover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], wonende te [plaats], een bedrag van EUR 1.890,00 (duizend achthonderdnegentig euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 1.890,00 (duizend achthonderdnegentig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 1].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. R. Veldhuisen en mr. N.F. van Manen, in tegenwoordigheid van mr. M.N. Maris, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2010.