Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN3102

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
200.056.931/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg eerdere beslissing van het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 29 juni 2010 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.056.931/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. A.W.M. Willems te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.P.D. de Mönnink te Haarlem.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 15 februari 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 november 2009 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 156110/09-1042.

1.3. De vrouw heeft op 1 april 2010 een verweerschrift ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 28 april 2010 nadere stukken ingediend.

1.5. De man heeft op 29 april 2010 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 12 mei 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1989 gehuwd. Hun huwelijk is op 8 februari 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidings-beschikking van 8 november 2005 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 1990 en […] (hierna: [kind b]) [in] 1993 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De kinderen verblijven in het kader van een co-ouderschapregeling de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man.

2.2. Bij de echtscheidingsbeschikking is – voor zover thans van belang – een door de man te betalen voorlopige uitkering tot levensonderhoud van de vrouw vastgesteld van € 2.440,- per maand.

2.3. Bij beschikking van 12 december 2006 van de rechtbank is bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw dient te betalen van € 1.300,- per maand. Deze beschikking is nadien gewijzigd door dit hof bij beschikking van

7 juni 2007, waarbij een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 2.000,- per maand is bepaald.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1955. De kinderen wonen deels bij hem.

Hij was van 1 december 1999 tot 1 september 2007 werkzaam bij [...] N.V., sinds 1 januari 2001 als managing director. Zijn gemiddelde jaarsalaris in 2004, 2005 en 2006 is bij beschikking van dit hof van 7 juni 2007 vastgesteld op € 163.721,- bruto. In verband met de beëindiging van zijn dienstverband heeft de man een bedrag van € 350.000,- ontvangen, dat hij heeft ondergebracht in een stamrecht B.V. genaamd [naam B.V.], waarvan de man alle aandelen bezit.

Sinds 1 september 2007 verricht de man als consultant werkzaamheden via [naam B.V.] Blijkens de aangifte IB van de man over 2007 bedroeg zijn inkomen € 167.714,- bruto zonder aanvulling uit de ontslagvergoeding en in 2008 € 101.592,- bruto. Blijkens de jaaropgave 2009 bedroeg het inkomen van de man € 81.553,- bruto.

Vanaf 1 december 2009 tot 1 juli 2010 verricht de man op freelance basis consultancywerkzaamheden voor […].

Vanaf 1 januari 2010 verdient hij daarmee € 8.500,- bruto per maand.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 1.221,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde bedraagt € 325.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 119,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de school van [kind b].

Hij heeft kosten in verband met de gedeelde zorgregeling voor de kinderen van € 351,- per maand.

2.5. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1959. De kinderen wonen deels bij haar.

Zij is parttime (80%) werkzaam bij […]. Blijkens de cumulatieven op de salarisspecificatie van december 2007 bedroeg haar fiscaal loon in 2007 € 62.942,-. Blijkens de jaaropgave 2008 en 2009 bedroeg haar fiscaal loon in die jaren respectievelijk

€ 73.688,- en € 75.461,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw bewoonde woning betaalt zij € 1.819,- per maand aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt zij € 68,- per maand. Zij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 552.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 107,- per maand. Daarnaast betaalt zij € 100,- aan premie voor een zorgverzekering ten behoeve van [kind a].

Zij heeft kosten in verband met de gedeelde zorgregeling van € 351,- per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is de man niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek de beschikking van dit hof van 7 juni 2007 te wijzigen in die zin dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, met ingang van 1 mei 2009, op nihil wordt bepaald.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de beschikking van dit hof van 7 juni 2007 te wijzigen en te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud per 1 mei 2009 wordt gesteld op nihil, althans op een zodanig bedrag en voor een zodanige termijn als het hof juist acht.

3.3. De vrouw verzoekt het appel van de man ongegrond te verklaren, althans de verzoeken van de man in appel als ongegrond af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Uit de stukken blijkt immers dat de vrouw in 2007 € 62.942,- verdiende terwijl haar inkomen in 2009 € 75.461,- bedroeg. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt voorts dat zij in 2010 waarschijnlijk € 76.126,- zal verdienen. Gelet op deze relevante inkomensvermeerdering is sprake van een wijziging van omstandigheden en wordt de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

4.2. Partijen verschillen van mening over de behoefte van de vrouw aan de door het hof bij beschikking van 7 juni 2007 vastgestelde uitkering tot levensonderhoud, alsmede over de draagkracht van de man.

Behoefte van de vrouw

4.3. Met betrekking tot de behoefte van de vrouw stelt de man dat zij meer kan verdienen dan bovengenoemd inkomen omdat zij dit inkomen genereert door vier dagen per week te werken terwijl zij volgens hem in staat moet worden geacht vijf dagen per week te werken. Het hof volgt de man niet in deze stelling. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat er bij haar werkgever, gelet op de huidige economische situatie, op dit moment geen mogelijkheid bestaat om fulltime te kunnen werken, nog daargelaten dat ze eveneens de gedeeltelijke zorg heeft over de 16-jarige zoon van partijen en dat zij nooit meer dan vier dagen per week heeft gewerkt.

Uitgaande van een behoefte van de vrouw zoals tussen partijen niet in geschil is, van € 87.403,- en het door haar in 2009 genoten inkomen, van € 75.461,- heeft de vrouw een aanvullende behoefte van € 11.942,- op jaarbasis, derhalve € 995,- per maand.

Draagkracht van de man

4.4. Met betrekking tot de draagkracht van de man overweegt het hof als volgt. De man geeft een onjuiste uitleg aan de beschikking van het hof van 7 juni 2007. De man stelt dat de in die beschikking onder rechtsoverweging 4.8 genoemde termijn van twee jaren inmiddels is verstreken, de ontbindingsvergoeding door hem volledig is verbruikt en dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw om die reden op nihil moet worden gesteld.

Het rekenvoorbeeld dat het hof in voornoemde beschikking heeft gegeven, had evenwel betrekking op de situatie dat de man geen andere inkomsten had dan zijn WW-uitkering van € 30.000,-. Nu is gebleken dat de man in de afgelopen jaren een aanmerkelijk hoger inkomen heeft genoten, is de termijn dat hij zijn inkomsten kan aanvullen langer dan de genoemde twee jaar.

4.5. Uit de overgelegde cijfers van de stamrecht B.V. blijkt voorts dat er nog voldoende kapitaal is om het huidige inkomen van de man gedurende geruime tijd aan te vullen tot het niveau vóór de beëindiging van zijn dienstbetrekking per 1 mei 2007. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat de man voldoende draagkracht heeft om de hiervoor genoemde behoefte van de vrouw te kunnen betalen, zodat het hof dat bedrag (€ 995,- per maand) zal vaststellen en de beschikking van dit hof van 7 juni 2007 in die zin zal wijzigen met ingang van 1 mei 2009.

4.6. Gelet op het voorgaande behoeft de stelling van de man dat hij geen pensioen opbouwt geen bespreking meer. Door de lagere uitkering tot levensonderhoud van de vrouw kan de man immers het gedeelte dat hij daardoor overhoudt ten behoeve van zijn pensioenopbouw reserveren.

4.7. Voor zover de man vanaf 1 mei 2009 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 4.5 vermelde uitkering, kan van de vrouw, nu een dergelijke uitkering van maand tot maand pleegt te worden verbruikt en de vrouw er niet eerder dan heden rekening mee heeft hoeven houden dat de uitkering tot haar levensonderhoud zou worden verlaagd, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van dit hof van 7 juni 2007 en bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 mei 2009 op € 995,- (zegge: negenhonderd vijfennegentig euro) per maand, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 1 mei 2009 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de uitkering tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, R.G. Kemmers en D. Kingma in tegenwoordigheid van

mr. G.H. Verschuur-Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2010.