Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1843

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
09/00484
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

de rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 1
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 6
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 7
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00484

15 juli 2010

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

M. te O, belanghebbende,

tegen de uitspraken in de zaak no. AWB 08/6170 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 6 februari 2008 aan belanghebbende over het tijdvak 22 november 2007 tot en met 17 januari 2008 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (nr. 195883512.Y7.13) opgelegd ten bedrage van € 111, alsmede een verzuimboete van € 111.

1.2. Belanghebbende heeft bij brief van 3 maart 2008, bij de inspecteur ingekomen op 5 maart 2008, een bezwaarschrift tegen de sub 1.1.vermelde beschikkingen ingediend.

1.3. Bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 1 september 2008 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de verzuimboete gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft bij brief van 15 september 2008, bij de rechtbank ontvangen op 19 september 2008, tegen de sub 1.3 vermelde uitspraken van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank).

1.5. Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 19 juni 2009, aan partijen verzonden op

22 juni 2009, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.6. Het tegen deze uitspraken ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 juli 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Het Hof neemt over de de door de rechtbank vastgestelde feiten, waartegen door partijen geen grieven zijn aangevoerd. Deze luiden als volgt:

2.1. Eiser (Hof: belanghebbende) was van 5 januari 2007 tot en met 17 januari 2008 houder van de personenauto van het merk Chrysler, type Dodge Caravan, kenteken NF-ZF-30 (hierna de auto).

2.2. Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal van bevindingen van de politie A van 17 april 2007, waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“Omstreeks 11.20 uur, die dag, zag ik onderstaand motorvoertuig rijden, komende uit de richting van de laan en gaande in de richting van de weg te O,

Ik stond op een voor het openbaar verkeer openstaande weg.

Ik heb genoemd voertuig een stopteken gegeven om vervolgens een algemene controle uit te kunnen voeren.

Betrokken

Categorie omschrijving: Vervoermiddel (3065792)

Object: Personenauto

Merk/type: Dodge Caravan Se U9

Kleur: Rood

Land: Nederland

Kenteken: …

Chassisnummer: …

Bouwjaar: 1993

Ik, verbalisant, heb de bestuurder aangesproken en zijn rijbewijs, kentekenbewijs en APK keuringsbewijs gevorderd.

Aan de hand van het rijbewijs heb ik de identiteit van de bestuurder kunnen vaststellen.

Betrokken

Naam: M

Voornamen:

Geboren te: A

Geboren op: …

Geboorteland: Nederland

Nationaliteit: Nederlandse

Adres: laan

Plaats: O

De bestuurder kon niet voldoen aan de vordering van het kentekenbewijs en het APK keuringsbewijs.”

2.3. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de bekeuring die de politie A eiser heeft aangezegd voor het rijden in een voertuig waarvan de APK-vervaldatum is verlopen en het niet op eerste vordering kunnen tonen van het kentekenbewijs. Op de bekeuring is in het vakje “kleur” vermeld “paars”.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, waarbij zij heeft overwogen als volgt:

“4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB), voor zover hier van belang wordt onder de naam motorrijtuigenbelasting een belasting geheven ter zake van het houden van een personenauto. Ingevolge artikel 6 van de Wet MRB wordt de belasting geheven van degene die bij aanvang van het tijdvak het motorrijtuig houdt. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet MRB wordt een motorrijtuig gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2. Vast staat dat eiser (Hof: belanghebbende) van 5 januari 2007 tot en met 17 januari 2008 kentekenhouder was van de auto. Eiser heeft gesteld dat de belasting ten onrechte bij hem wordt nageheven omdat niet hij maar niet nader geïdentificeerde anderen in de auto zouden hebben gereden.

Nog daargelaten dat de rechtbank deze stelling, gelet op de inhoud van het onder 2.2. opgenomen proces-verbaal van bevindingen, ongeloofwaardig acht, treft zij geen doel. Eiser is als houder van het kenteken op grond van artikel 6 van de Wet MRB aangewezen als de persoon die na constatering van het gebruik van de openbare weg motorrijtuigenbelasting verschuldigd is. Voorts heeft eiser gesteld dat de aanduiding van de kleur paars op de bekeuring een aanwijzing vormt dat niet de auto, maar een ander voertuig is gesignaleerd. De rechtbank verwerpt dit betoog onder verwijzing naar het proces-verbaal van bevindingen, dat geen twijfel laat over de identiteit van de op de openbare weg gesignaleerde auto. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd. Voor matiging van het belastingbedrag wegens financiële problemen, zoals door eiser gesteld, laat de wet geen ruimte.

4.3. Ingevolge artikel 14 van de Wet MRB moet de motorrijtuigenbelasting op aangifte worden voldaan. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wet MRB moet in afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen 1959 (de AWR) de belasting zijn betaald bij aanvang van het tijdvak. Indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit ingevolge artikel 37 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c, eerste lid, van de AWR een verzuim ter zake waarvan inspecteur hem een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen. Ingevolge paragraaf 33, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR indien het bedrag niet uiterlijk op de uiterste betaaldatum is voldaan, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, respectievelijk vierde/volgend verzuim. Van een dergelijk verzuim is sprake indien belanghebbende in de periode van twee jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, eerder in verzuim is geweest. De boete bij een vierde verzuim bedraagt € 113, doch nooit meer dan het bedrag van de verschuldigde belasting.

4.4. Op basis van het door verweerder (Hof: de Inspecteur) gestelde, hetgeen door eiser niet is weersproken, neemt de rechtbank aan dat eiser voor ten minste de vierde maal in twee jaar de verschuldigde motorrijtuigenbelasting niet (tijdig) heeft betaald. De boete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Opzet of grove schuld is niet vereist. De rechtbank acht geen omstandigheden aanwezig die aanleiding geven tot matiging van de boete.”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

6.2. In hoger beroep zijn door belanghebbende geen nieuwe grieven bijgebracht.

Slotsom

6.3. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 15 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.