Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1733

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
200.048.983-01 SKG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldvordering in kort geding. Vordering van Engelkes voorshands niet voldoende aannemelijk voor toewijzing in kort geding. Nader onderzoek nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.048.983/01 SKG

13 juli 2010

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. Karin BONVIE,

wonende te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DARK STONE B.V.,

gevestigd te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braasem,

APPELLANTEN,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RICK ENGELKES HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. Rick ENGELKES,

wonende te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal,

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. K.S. Loilargosain, te ‘s-Gravenhage.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellanten worden hier opnieuw gezamenlijk Bonvie c.s. genoemd en afzonderlijk Bonvie respectievelijk Dark Stone. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk Engelkes c.s. genoemd en afzonderlijk Engelkes Holding respectievelijk Engelkes.

1.2 Het hof heeft tussen partijen op 12 januari 2010 een incidenteel arrest gewezen. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst het hof naar dit arrest.

1.3 Engelkes c.s. hebben daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden en producties in het geding gebracht, met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen met veroordeling van Bonvie c.s. in de proceskosten van het hoger beroep met inbegrip van die van het incident.

1.4 Partijen hebben hun zaak op 14 juni 2010 doen bepleiten bij monde van hun raadslieden. Voor Bonvie c.s. heeft het woord gevoerd mr. J.E. Mazel, advocaat te Amsterdam en voor Engelkes c.s. hun advocaat voornoemd, beiden mede aan de hand van pleitnotities. Partijen hebben bij die gelegenheid aanvullende stukken in het geding gebracht en inlichtingen verschaft.

1.5 Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. Waarvan het hof uitgaat

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging nummer 2.1 tot en met 2.10 een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is met uitzondering van de vaststelling in 2.2 niet in geding, zodat het hof in zover van die feiten zal uitgaan.

De eerste grief gaat over de vaststelling in 2.2. Daarop komt het hof hieronder nog terug.

4. Behandeling van het hoger beroep

4.1 Het gaat in dit geding om de volgende kwestie. Bij de omschrijving die hieronder volgt maakt het hof in het bijzonder ook gebruik van de bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep van partijen verkregen inlichtingen die onbestreden zijn gebleven.

4.1.1 In het voorjaar van 2006 is Bonvie met Engelkes overeengekomen om namens hem te investeren in een vastgoedproject onder de naam “Palm” in Dubai. Met betrekking tot dit project hebben Bonvie en Engelkes de vormgeving van hun samenwerking vastgelegd in een door de notaris opgestelde en door hen ondertekende overeenkomst d.d. 20 april 2006.

4.1.2 Dit project heeft voor Engelkes winst opgeleverd.

Engelkes heeft daarna in verschillende vastgoedprojecten in Dubai geïnvesteerd. Bonvie was ook bij deze investeringen betrokken.

Deze investeringen hadden veelal plaats in projecten die nog in aanbouw waren en waarbij periodiek nieuwe bouwtermijnen gestort dienden te worden.

4.1.3 Medio juni 2008 heeft Engelkes op het vastgoedproject “Waterhome” winst gerealiseerd. Dat bedrag is ten behoeve van Engelkes betaald aan Light Stone Ltd (verder: Light Stone); via deze vennootschap voert Bonvie in Dubai onroerend goed activiteiten uit.

Na aftrek van kosten bedroeg de winst van Engelkes 3.515.000,- in de munteenheid van de Verenigde Arabische Emiraten (AED). Light Stone heeft het bedrag groot 3.515.000,- AED aan Engelkes overgemaakt met dien verstande dat de doorbetaling van 3.000.000,- AED is tegengehouden, omdat Engelkes deze gelden alsnog in een nieuw project wilde investeren. Het bedrag van 3.000.000,- AED is ten behoeve van Engelkes door Light Stone eind juni 2008 betaald aan de zogenoemde developer van het project, IFA Hotels & Resorts. Het bedrag werd op 3 juli 2008 afgeboekt van de bankrekening van Light Stone bij de Emirates Bank in Dubai.

Volgens partijen bedroeg de tegenwaarde in euro’s van 3.000.000,- AED toentertijd ongeveer € 670.000,-.

4.1.4 Bonvie heeft op 13 maart 2009 aan Engelkes een aan haar e-mailadres gerichte en op 24 juni 2008 gedateerde

e-mail doorgestuurd, welke laatste e-mail afkomstig was van Jamal Al Shawish, assistent sales manager van IFA Hotels & Resorts. In deze e-mail staan de gegevens van de villa, ten behoeve van de ontwikkeling waarvan Engelkes 3.000.000,- AED had geïnvesteerd, namelijk villa CBR V9.

Partijen noemen het project ook Fairmont Villa.

4.1.5 Jamal Al Shawish heeft op 24 juni 2008 naar een

e-mailadres van Bonvie een e-mailbericht gezonden waarin de voor villa CBR V9 verschuldigde bouwtermijnen staan, als volgt:

“Payable now ----- 9,000,000 AED

1st/04/09 -------- 5,600,000 AED

1st/12/09 -------- 5,600,000 AED

Completion ------ 5,900,000 AED”.

4.1.6 Deze laatste investering is geen succes geworden. De verkoop van de villa waarop Bonvie naar haar zeggen eind juni 2008 rekende en meende te mogen rekenen, is niet doorgegaan. De koper die zij op het oog had, heeft zich teruggetrokken.

4.1.7 In oktober 2008 is Engelkes in Dubai geweest. Hij heeft bij die gelegenheid gesproken over de juridische en fiscale inbedding van zijn investeringen in vastgoed in Dubai met de accountant V. Krishnamurthi.

Engelkes heeft omstreeks die periode ermee ingestemd dat betaling aan hem van het geïnvesteerde bedrag groot 3.000.000,- AED nog enige maanden zou worden uitgesteld.

4.1.8 Tussen Bonvie en Engelkes is begin 2009 een geschil ontstaan over de investering van 3.000.000,- AED.

Engelkes heeft zich op het standpunt gesteld dat op Bonvie de verplichting rust om 3.000.000,- AED aan hem terug te betalen. De door hem gegeven toestemming om 3.000.000,- AED te investeren was niet toereikend voor de investering in het door Bonvie gekozen project, aldus Engelkes. Hij heeft slechts toestemming gegeven voor een risicoloze investering, waarbij hij het geld te allen tijde zou kunnen terughalen. De door Bonvie gekozen investering voldoet zijns inziens niet aan deze kwalificatie.

Bonvie heeft dit standpunt van Engelkes bestreden.

4.1.9 Engelkes heeft vanaf begin 2009 moeilijkheden ondervonden, doordat van hem voldoening werd verlangd van betalingstermijnen die verband hielden met zijn andere investeringen in Dubai.

Bonvie heeft een regeling getroffen die meebracht dat Engelkes verder niet aansprakelijk is gehouden voor de bouwtermijnen in verband met villa CBR V9.

4.1.10 Engelkes en Bonvie hebben geprobeerd hun geschil onderling op te lossen. Daarbij was betrokken de accountant M.R. de Laat. Hij heeft van zijn bevindingen bij brief van 16 maart 2009 verslag gedaan. Hij geeft daarin te kennen dat Bonvie in zijn aanwezigheid heeft erkend aan Engelkes 3.000.000,- AED verschuldigd te zijn.

4.1.11 Engelkes en Engelkes Holding hebben in augustus 2009 ten laste van Bonvie en Dark Stone alsmede andere vennootschappen van Bonvie een reeks conservatoire beslagen gelegd, waarvan volgens de in zover onbestreden gebleven opgave van Bonvie bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep in dit geding thans nog van belang zijn de beslagen:

- op het woonhuis van Bonvie te Aerdenhout,

- op het bedrijfspand van Bonvie te Amsterdam,

- op privérekeningen van Bonvie, waaronder een beslag onder F. van Lanschot Bankiers N.V. met betrekking tot het aan Bonvie verschuldigde (bankrekeningnummer 632675225).

4.1.12 Engelkes c.s. hebben Bonvie en Dark Stone in rechte betrokken door hen in kort geding te dagvaarden voor de voorzieningenrechter. Bonvie en Dark Stone hebben tegenvorderingen ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft de geldvordering van Engelkes tegen Bonvie toegewezen. De geldvordering van Engelkes tegen Dark Stone en de geldvorderingen van Engelkes Holding tegen Bonvie en Dark Stone werden afgewezen. De tegenvorderingen van Bonvie en Dark Stone werden evenmin toegewezen.

4.2 Bonvie en Dark Stone zijn in hoger beroep gekomen van dit vonnis.

Zij hebben Engelkes Holding in het hoger beroep betrokken, hoewel de vordering van Engelkes Holding werd afgewezen. Het belang van Bonvie en Dark Stone bij dit onderdeel van het hoger beroep is gelegen in de proceskostenveroordeling die ondanks de afwijzing van de vordering van Engelkes Holding ten gunste van Engelkes Holding is uitgevallen. Het hof komt daarop hieronder nog terug.

4.3 De eerste grief gaat over de vaststelling van de voorzieningenrechter onder 2.2 dat Engelkes door tussenkomst van Bonvie in verschillende vastgoedprojecten in Dubai heeft geïnvesteerd. Die vaststelling zou onjuist zijn, omdat niet Bonvie heeft geïnvesteerd maar haar vennootschap Light Stone. Ter ondersteuning van deze stelling heeft Bonvie gewezen op tal van stukken waaruit kan blijken dat Light Stone zich in Dubai heeft beziggehouden met de investeringen in vastgoed van Engelkes en dat daaruit voortvloeiend betalingsverkeer via Light Stone is gelopen. Engelkes heeft daartegenover staande gehouden dat hij met Bonvie heeft samengewerkt en dat de door hem gestelde terugbetalingsverplichting op haar rust.

De tweede grief hangt met de eerste grief samen. Volgens Bonvie had de voorzieningenrechter moeten onderzoeken of Light Stone toestemming had om 3.000.000,- AED te investeren in een ander vastgoedproject.

4.4 Bij de bespreking van deze grieven stelt het hof voorop dat tussen partijen onbestreden vast staat dat Bonvie zich in Dubai bij investeringen in vastgoedprojecten heeft bediend van haar vennootschap Light Stone. Het feit dat Bonvie zich ten behoeve van die investeringen met behulp van Light Stone heeft bewogen in het rechtsverkeer van Dubai brengt echter niet noodzakelijkerwijs mee dat de samenwerkingsafspraken waaruit de investeringen zijn voortgekomen, zijn gemaakt tussen Light Stone en Engelkes.

Het gaat immers om te onderscheiden rechtsverhoudingen.

Engelkes is in 2006 met Bonvie in persoon een samenwerkingsverband aangegaan waarin Engelkes als opdrachtgever en Bonvie als opdrachtnemer heeft te gelden. Bonvie wijst weinig precies aan wanneer en hoe Light Stone in plaats van haar de opdrachtnemer van Engelkes zou zijn geworden. Op grond van al hetgeen na het eerste vastgoedproject tussen Bonvie en Engelkes is voorgevallen kan thans niet worden uitgesloten dat Light Stone in plaats van Bonvie de opdrachtnemer van Engelkes is geworden maar erg waarschijnlijk is het voorshands niet. Hetgeen Bonvie in dit verband heeft aangevoerd heeft immers veel meer van doen met de uitvoering van de door Engelkes gegeven opdrachten en is daarom niet beslissend.

Verdere beoordeling van deze grieven kan evenwel achterwege blijven in verband met het oordeel van het hof over grief III.

Hetzelfde geldt op grond van bovenstaande overwegingen voor grief V, die in hoofdzaak uitgaat van een vorderingsrecht van Engelkes tegen Light Stone, en grief VI alsmede voor de door Engelkes in hoger beroep aan zijn vordering ten grondslag gelegde aansprakelijkheid van Bonvie als bestuurder van Light Stone.

Het hof zal in zijn hierna volgende overwegingen veronderstellenderwijze ervan uitgaan dat Bonvie in persoon de opdrachtnemer van Engelkes is gebleven.

4.5 De derde grief gaat over de inhoud van de door Engelkes eind juni 2008 aan Bonvie gegeven opdracht om namens hem 3.000.000,- AED in een vastgoedproject in Dubai te investeren en de wijze waarop Bonvie uitvoering heeft gegeven aan die opdracht. Volgens Bonvie heeft de voorzieningenrechter ten onrechte aanvaard dat zij slechts risicoloos mocht investeren en dat zij met de door haar gekozen investering in strijd met de door Engelkes gegeven opdracht heeft gehandeld.

Volgens Engelkes had hij een geclausuleerde opdracht aan Bonvie gegeven die inhield dat de investering risicoloos moest zijn, waarmee hij in het bijzonder ook bedoelde dat hij desgewenst zonder al te veel problemen en tijdverlies over de geïnvesteerde som zou kunnen beschikken. Bonvie heeft dat bestreden. Ook heeft zij aan de orde gesteld dat in het geval haar, Bonvie, schending van haar contracts-verplichtingen zou kunnen worden verweten op haar geen terugbetalingsverplichting groot 3.000.000,- AED is komen te rusten. Zij heeft bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep betoogd dat Light Stone erin geslaagd is om ten behoeve van Engelkes aanvullende afspraken met de developer te maken die inhouden dat de door Light Stone ten behoeve van de Fairmont villa namens Engelkes aan de developer betaalde gelden voor een ander vastgoedproject mogen worden aangewend en dat Engelkes in zover een vorderingsrecht ter grootte van 3.000.000,- AED op de developer heeft behouden.

4.6 Naar het oordeel van het hof roept de gang van zaken rondom de investering in de Fairmont Villa zoveel vragen op dat in dit kort geding niet kan worden gezegd dat de vordering van Engelkes voorshands voldoende aannemelijk is geworden om voor toewijzing in aanmerking te komen. Met betrekking tot de gang van zaken is nader onderzoek nodig waarvoor dit kort geding zich niet leent. Terzijde merkt het hof op dat partijen over dezelfde kwestie een bodemprocedure voeren die inmiddels zover is gevorderd dat daarin een comparitie na antwoord heeft plaatsgehad. Het hof overweegt verder als volgt.

4.7 Voorafgaand aan de investeringsbeslissing van Engelkes heeft er, naar voorshands moet worden aangenomen, buitengewoon summier overleg tussen partijen plaatsgehad. Over hetgeen toentertijd precies tussen partijen is voorgevallen is het hof gebrekkig geïnformeerd. In elk geval heeft het hof kunnen vaststellen dat het bedrag van 3.000.000,- AED al naar Engelkes onderweg was, toen werd besloten het opnieuw in vastgoed in Dubai te investeren. Die toedracht wijst niet op een toentertijd bij Engelkes levende behoefte om het geld liquide te houden. Het is thans onvoldoende duidelijk of en zo ja in hoever hij zijn bedoelingen aan Bonvie heeft uiteengezet. De investeringen die Bonvie voordien voor Engelkes had bewerkstelligd behoefden haar op zichzelf geen aanleiding te geven te denken dat Engelkes het voornemen had minder risico te lopen.

Daartegenover staat evenwel dat Bonvie jegens Engelkes de uit artikel 7:401 Burgerlijk Wetboek voortvloeiende verplichting had om bij haar werkzaamheden voor Engelkes de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. De gebrekkige wijze waarop zij Engelkes vanaf eind juni 2008 aanvankelijk heeft geïnformeerd over zijn investering van 3.000.000,- AED is daarmee bezwaarlijk verenigbaar. Voor het uiteindelijke antwoord op de vraag wat in de omstandigheden van dit geval in dit verband verder van Bonvie mocht worden verlangd, is eveneens verder feitenonderzoek noodzakelijk, waaronder – zo nodig - onderzoek naar de vraag of Bonvie indertijd mocht menen voor Engelkes een risicoloze deal te sluiten.

Tot slot bieden de stellingen onvoldoende houvast om te oordelen dat voldoende aannemelijk is dat Engelkes tot een bedrag groot 3.000.000,- AED schade heeft geleden tengevolge van de door hem gestelde wanprestatie van Bonvie. Dat Bonvie zich in aanwezigheid van M.R. de Laat bereid zou hebben verklaard om 3.000.000,- AED aan Engelkes te betalen wijst op een schadevergoedingsverbintenis van die omvang. Het hof wil aan de verklaring van De Laat in dit kort geding echter geen beslissende betekenis toekennen. Niet alleen heeft Bonvie betwist een dergelijke toezegging te hebben gedaan, ook spelen er zoveel andere vragen dat hier behoedzaamheid geboden is.

4.8 Het hof verbindt aan bovenstaande overwegingen de slotsom dat de derde grief slaagt. Grief IV die indirect eveneens gaat over de inhoud van de door partijen eind juni 2008 gemaakte afspraken, behoeft verder geen afzonderlijke bespreking meer. Hetzelfde geldt voor grief VII, omdat deze betrekking heeft op de toewijsbaarheid van een geldvordering in kort geding.

4.9 Grief VIII heeft betrekking op de door de voorzieningenrechter in conventie gekozen kostenveroordeling.

Bovenstaande overwegingen brengen mee dat deze proceskostenveroordeling niet in stand kan blijven.

Engelkes c.s. zijn in eerste aanleg in conventie zowel tegenover Bonvie als tegenover Dark Stone de in het ongelijk gestelde partij. Zij hebben om die reden de daarmee gemoeide proceskosten te dragen.

4.10 Door middel van een ongenummerde grief hebben Bonvie en Dark Stone betoogd dat ten onrechte niet is voorzien in de opheffing van de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen.

Onbestreden is gebleven dat de ten laste van Dark Stone gelegde beslagen moeten worden opgeheven, omdat niet summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van Engelkes of van Engelkes Holding jegens Dark Stone.

Onbestreden is verder gebleven dat door Engelkes Holding ten laste van Bonvie beslag is gelegd zonder goede grond.

De door Engelkes (en Engelkes Holding) ten laste van Bonvie gelegde beslagen komen niet voor opheffing in aanmerking. Anders dan Bonvie heeft betoogd is niet voldoende duidelijk dat Engelkes geen vordering op haar heeft. Engelkes Holding zal aan deze beslagen geen rechten kunnen ontlenen, omdat niet summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van Engelkes Holding jegens Bonvie.

Deze ongenummerde grief slaagt dus gedeeltelijk. Het hof zal de door Engelkes ten laste Bonvie gelegde beslagen op, kortweg, haar woonhuis, bedrijfspand en privé-rekening(en) in stand laten.

4.11 Met grief IX willen Bonvie en Dark Stone bereiken dat de uitlatingen die, naar het hof begrijpt, door de toenmalige advocaat van Engelkes c.s. mr. Dion Bartels op televisie zijn gedaan over, kortweg, het gedrag van Bonvie jegens Engelkes worden gerectificeerd.

De voorzieningenrechter heeft tot uitgangspunt gekozen dat Engelkes mediastilte in acht heeft genomen en dat de wijze waarop en de uitingen waarmee mr. Bartels namens Engelkes de publiciteit heeft gezocht voor Bonvie onnodig grievend en belastend zijn geweest. Om die reden is geen rectificatie bevolen.

Dat oordeel is juist. De toelichting op grief IX is niet toereikend om de handelwijze van mr. Bartels voor rekening van Engelkes c.s. te brengen. Op grond van die toelichting en in het bijzonder de door Bonvie c.s. in het geding gebrachte beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam d.d. 3 november 2009 houdt het hof er ernstig rekening mee dat mr. Bartels op eigen gezag heeft gehandeld. Voor een veroordeling tot rectificatie van Engelkes c.s. bestaat dus onvoldoende grond.

Grief IX faalt.

4.12 Grief X betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in reconventie. Naar het oordeel van het hof is Bonvie door de voorzieningenrechter terecht aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Voor Dark Stone ligt het anders. Zij heeft gedeeltelijk succes in dit geding, omdat de ten laste van haar gelegde beslagen moeten worden opgeheven. Tussen haar en Engelkes c.s. zal het hof de proceskosten in reconventie compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Er is evenwel alle aanleiding te veronderstellen dat Dark Stone naast Bonvie in reconventie geen afzonderlijke proceskosten heeft gemaakt, zodat per saldo deze beslissing weinig verschil zal maken.

5. Slotsom

5.1 De grieven III, X en de ongenummerde grief hebben doel getroffen. Het vonnis waarvan beroep kan gedeeltelijk niet in stand blijven. Het hof geeft er om praktische redenen de voorkeur aan om het bestreden vonnis geheel te vernietigen en de beslissing opnieuw onder woorden te brengen.

In de eerste aanleg zijn geen stellingen onbesproken gebleven die thans nog bespreking behoeven.

5.2 De vordering van Engelkes c.s. zal worden afgewezen.

Engelkes c.s. zijn in de eerste aanleg in conventie de in het ongelijk gestelde partij. Zij hebben daarom de daarmee gemoeide proceskosten van Bonvie en Dark Stone te dragen.

5.3 De tegenvordering van Bonvie zal eveneens worden afgewezen. Zij is te dien aanzien de in het ongelijk gestelde partij en heeft om die reden de in verband met deze vordering in eerste aanleg gevallen proceskosten van Engelkes c.s. te dragen.

5.4 De tegenvordering van Dark Stone slaagt gedeeltelijk.

De vordering van Dark Stone tot opheffing van de ten laste van haar gelegde beslagen zal worden toegewezen, de rectificatievordering zal worden afgewezen. Tussen Dark Stone en Engelkes c.s. zullen de in eerste aanleg in reconventie gevallen kosten worden gecompenseerd. Het hof heeft alle aanleiding te veronderstellen dat Dark Stone naast Bonvie geen afzonderlijke proceskosten heeft gemaakt, zodat geen wijziging behoeft te worden gebracht in de ten laste van Bonvie begrote kosten.

5.5 In hoger beroep heeft Bonvie in de zaak tegen Engelkes als de overwegend in het gelijk gestelde partij te gelden. Engelkes heeft daarom de proceskosten van het hoger beroep te dragen met inbegrip van de kosten van het incident.

Bonvie is in hoger beroep in de zaak tegen Engelkes Holding overwegend in het ongelijk gesteld. Bonvie heeft in die zaak de proceskosten van Engelkes Holding te dragen.

Dark Stone is in haar hoger beroep tegen Engelkes c.s. overwegend in het gelijk gesteld. De proceskosten in haar zaak moeten worden gedragen door Engelkes c.s.

Het hof heeft alle aanleiding te veronderstellen dat Dark Stone naast Bonvie noch Engelkes Holding naast Engelkes afzonderlijke proceskosten heeft gemaakt, zodat het hof de proceskosten van Dark Stone respectievelijk Engelkes Holding op nihil zal begroten.

6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende in kort geding:

wijst de vordering van Engelkes c.s. af;

wijst de vordering van Bonvie af;

heft op de door Engelkes c.s. ten laste van Dark Stone gelegde conservatoire beslagen;

wijst de vordering van Dark Stone voor het overige af;

veroordeelt Engelkes c.s. in de proceskosten van Bonvie en Dark Stone voor zover gevallen in eerste aanleg in conventie en begroot deze kosten aan de zijde van Bonvie en Dark Stone tot de dag van deze uitspraak op € 262,- voor verschotten en € 816,- voor salaris advocaat;

veroordeelt Bonvie in de proceskosten van Engelkes c.s. voor zover gevallen in eerste aanleg in reconventie en begroot deze kosten aan de zijde van Engelkes c.s. op

€ 408,- voor salaris advocaat;

compenseert de in eerste aanleg in reconventie tussen Dark Stone en Engelkes c.s. gevallen proceskosten;

veroordeelt Engelkes in de proceskosten van Bonvie en Dark Stone voor zover gevallen in hoger beroep en begroot deze kosten met inbegrip van de kosten van het incident aan de zijde van Bonvie en Dark Stone tot de dag van deze uitspraak op € 6.259,97 voor verschotten en € 3.576,- voor salaris advocaat;

veroordeelt Bonvie in de proceskosten van Engelkes Holding voor zover gevallen in hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van Engelkes Holding op nihil;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, W.J. Noordhuizen en E.J.H. Schrage en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2010 door de rolraadsheer.