Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1374

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
200.030.034-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot verkoop van aandelen bevat de bepaling dat deze binnen vijf jaar voor dezelfde prijs kunnen worden teruggekocht wanneer koper geen werkzaamheden meer verricht voor twee statutair directeuren van de vennootschap. Rechtsgeldige terugkoopoptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 693
JIN 2010/649
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[S],

wonende te [X],

APPELLANT,

mr. E. Bongers, advocaat te Haarlem,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INFLATION EXCHANGE FUND NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, advocaat te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant – hierna [S] – is bij dagvaarding van 12 maart 2009 en herstelexploit van 17 april 2009 in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank te Amsterdam onder zaaknummer 390072 /HA ZA 08-401 op 17 december 2008 uitgesproken vonnis.

1.2 [S] heeft bij memorie grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd als aldaar overwogen.

1.3 Geïntimeerde – hierna IEF Nederland – heeft bij memorie de grieven bestreden, bewijs aangeboden (zie mva pag. 3 onder 11) en geconcludeerd als aldaar verwoord.

1.4 Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep in de derde rechtsoverweging onder 3.1 tot en met 3.10 feiten vastgesteld. Die vaststelling is niet in geschil zodat ook het hof die feiten als uitgangspunt neemt.

4. Beoordeling

4.1 De zaak betreft het volgende.

Bij notariële akte van 11 april 2003 heeft Inflation Exchange Fund Holding N.V. – hierna IEF Holding - 3.462 aandelen in IEF Group verkocht en geleverd aan [S] tegen betaling van € 10.000,-. Deze akte houdt onder meer in hetgeen de rechtbank in haar vonnis van 17 december 2008 onder 3.1. heeft overwogen.

IEF Nederland is als rechtsopvolgster onder algemene titel getreden in de rechten en plichten van IEF Holding N.V. jegens [S] uit hoofde van deze akte. [F] en [N] zijn statutair direkteur van IEF Nederland.

Bij brief van 1 oktober 2007 heeft [S] aan [N] en [F] laten weten dat hij zijn werkzaamheden voor vennootschappen die beheerst werden door [F] en [N] wilde beëindigen. Kort nadien is het tot feitelijke beëindiging van zijn werkzaamheden gekomen.

Bij brief van 29 oktober 2007 aan de directie van IEF Group heeft [S] meegedeeld zijn aandelen in IEF Group te willen verkopen en aan te bieden aan de overige aandeelhouders.

Bij brief van 4 december 2007 aan [S] heeft IEF Nederland de terugkoopoptie, opgenomen in de hiervoor genoemde akte van 11 april 2003, ingeroepen. Op 11 december 2007 heeft notaris De Jong aan [S] een concept-akte “Levering van aandelen” en een “Volmacht levering aandelen op naam” gezonden.

Op 13 december 2007 heeft IEF Nederland de koopprijs van € 10.000,- gestort onder de notaris. [S] heeft de aandelen niet aan IEF Nederland overgedragen.

Grossman Investments B.V., hierna Grossman, die naast IEF Nederland en [S] aandeelhouder is van IEF Group, heeft op 16 oktober 2008 schriftelijk verklaard bereid te zijn op eerste verzoek van de notaris die belast wordt met de levering van aandelen door [S] in IEF Nederland alle eventueel benodigde medewerking te zullen verlenen aan die levering en afstand te doen van al haar eventueel aan de statuten van IEF Group te ontlenen rechten, uitsluitend voor zover zulks noodzakelijk is om de levering te kunnen effectueren.

4.2 IEF Nederland vordert in dit geding – voor zover van belang en kort weergegeven - dat [S] wordt veroordeeld om, tegen betaling van € 10.000,- door IEF Nederland, mee te werken aan de levering aan IEF Nederland conform de als productie 9 aan de inleidende dagvaarding gehechte concept-akte van levering van de ten processe bedoelde 3.462 aandelen in het kapitaal van IEF Group B.V.

4.3 De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.

4.4 De hiervoor onder 4.1. genoemde akte van levering van

11 april 2003 houdt onder meer in:

“C. Als onderdeel van de [S]-overeenkomst bedingt Holding bij deze van [S], die bij deze uitdrukkelijk aan Holding verleent:

het voor levering vatbare recht om onder dezelfde voorwaarden en bepalingen als in deze akte vervat van [S] (terug) te kopen en te verwerven voor een koopprijs van tienduizend euro (EURO 10.000,-) kosten koper:

drieduizend vierhonderdtweeënzestig (3.462) volgestorte aandelen,(…).

Dit recht kan worden uitgeoefend door de enkele schriftelijke wilsverklaring van Holding gericht aan [S], indien [S], al dan niet via een door hem beheerste vennootschap, op eigen verzoek of uit eigener beweging niet langer werkzaam is of wil zijn voor of bij enige door de heer mr. [F] en/of de heer drs. [N] beheerste vennootschap; door het uitbrengen van een dergelijke wilsverklaring door Holding komt – zonder dat enige nadere handeling van Holding en/of [S] is vereist – een koopovereenkomst tot stand tussen [S] als verkoper en Holding als koper betreffende voormelde aandelen tegen voormelde koopprijs.

Dit recht vervalt – zonder enige nadere waarschuwing of vergoeding – indien het niet binnen vijf jaar na heden is uitgeoefend.”

4.5 Grief 1 is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de in de akte van 11 april 2003 geformuleerde koopoptie een rechtsgeldige titel voor levering van de aandelen kan zijn.

In de toelichting op deze grief betoogt [S] dat hij, gelet op artikel 9 lid 2 van de statuten van IEF Group, de aanbiedingsregeling correct heeft doorlopen.

De rechtbank is, aldus [S], in het geheel niet ingegaan op zijn verweer dat de terugkoopoptie nietig is op grond van de artikelen 2:195 lid 2 jo. 2:195 lid 6 BW, 2:25 BW en 2:195a lid 3 BW.

Op de overdracht van zijn aandelen is, aldus [S], een blokkeringsregeling van toepassing.

Volgens artikel 2:195 lid 6 BW dient elke blokkeringsregeling een regeling te bevatten op grond waarvan de aandeelhouder die conform de blokkeringsregeling aandelen wil of moet overdragen, kan verlangen dat de prijs van de aandelen door een of meer onafhankelijke deskundigen wordt vastgesteld.

Volgens [S] staat het partijen niet vrij om op het punt van de prijsvaststelling van niet overdraagbare aandelen een andere regeling te treffen. Wet noch statuten van IEF Group laten toe, aldus [S], dat hij gedwongen wordt tot overdracht van zijn aandelen zonder prijsvaststelling door deskundigen.

4.6 Niet in geschil is dat op 29 oktober 2007 toen [S] zijn aandelen in IEF Group aan zijn mede-aandeelhouders aanbood, naast IEF Nederland alleen Grossman aandeelhouder was van IEF Group.

Evenmin is in geschil dat Grossman te kennen heeft gegeven de aandelen van [S] in IEF Group niet te willen kopen.

Uit het feit dat IEF Nederland een beroep gedaan heeft op de terugkoopoptie kan worden afgeleid dat zij de aandelen van [S] wel wil kopen.

Op grond van deze omstandigheden is aannemelijk dat indien de statutaire aanbiedingsregeling was gevolgd dit ertoe zou hebben geleid dat IEF Nederland de aandelen van [S] zou hebben gekocht.

Dat betekent dat nu het doorlopen van de statutaire aanbiedingsregeling tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid, [S] bij zijn verweer dat de overdracht van de aandelen conform de terugkoopoptie betekent dat in strijd gehandeld wordt met de statutaire aanbiedingsregeling geen rechtens te respecteren belang heeft en dit verweer reeds daarom terecht door de rechtbank is verworpen.

4.6.1 Ook de stelling dat de prijs van de ten processe bedoelde aandelen door een of meer onafhankelijke deskundigen vastgesteld had moeten worden, wordt verworpen.

Vast staat dat [S] met IEF Holding overeengekomen is dat hij zijn aandelen in IEF Group tegen dezelfde prijs als waarvoor hij ze gekocht had, zou overdragen als hij – kort gezegd – niet langer meer werkzaam wilde zijn voor of bij enige door [F] en of [N] beheerste vennootschap.

Bij brief van 1 oktober 2007 heeft [S] [N] en [F] laten weten zijn werkzaamheden voor vennootschappen die beheerst worden door hen te willen beëindigen en is daartoe kort na 1 oktober 2007 ook daadwerkelijk overgegaan.

Dat betekent dat hij op dat moment op grond van de met IEF Holding gesloten overeenkomst gehouden was de aandelen aan IEF Holding of diens rechtsopvolger te verkopen tegen dezelfde prijs als waarvoor hij ze verworven had.

Artikel 9 lid 2 van de op 9 februari 2007 gewijzigde statuten van IEF Group bepaalt – voor zover hier van belang -:

“Indien één van de partijen dit wenst zal de prijs van de aandelen worden vastgesteld door één of meer onafhankelijke deskundigen. “

Nog daargelaten dat deze bepaling is vastgesteld nadat [S] met IEF Holding de terugkoopoptie reeds waren overeengekomen, uit deze formulering volgt dat partijen van deze regeling kunnen afwijken.

Geoordeeld moet worden dat [S] en IEF Holding bij eerdergenoemde overeenkomst van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. Niet valt in te zien dat de door [S] en IEF Holding gesloten overeenkomst, inhoudende onder welke omstandigheden [S] gehouden is zijn aandelen in IEF Group te verkopen aan IEF Holding en tegen welke prijs, rechtsgeldigheid mist.

4.7 Grief 1 faalt in alle onderdelen.

4.8 Met grief 2 maakt [S] de rechtbank een verwijt ter zake van het feit dat deze zijn beroep op het opschortingsrecht niet heeft gehonoreerd.

In de toelichting op deze grief betoogt [S] dat er op IEF Nederland als rechtsopvolgster onder algemene titel van IEF Holding een aanbiedingsplicht rustte haar aandelen in IEF Group aan Grossman en hem, [S], aan te bieden.

IEF Nederland heeft niet aan deze plicht voldaan, hetgeen meebrengt, aldus [S], dat IEF Nederland geen levering van de aandelen van [S] in IEF Group had kunnen verlangen alvorens zelf aan eerdergenoemde aanbiedingsplicht te voldoen.

4.8.1 Gesteld noch gebleken is dat [S] ooit IEF Nederland heeft gesommeerd tot aanbieding van de aandelen over te gaan.

Het beroep van [S] op het opschortingsrecht moet dan ook reeds daarom worden verworpen.

4.9 Grief 3 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de redelijkheid en billijkheid er niet aan in de weg staan dat IEF Nederland een beroep op de terugkoopoptie toekomt.

In de toelichting op deze grief betoogt [S] dat op 1 juli 2004 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 zijn dienstverband met Rovast, één van de door [F] en [N] beheerste vennootschappen, is beëindigd. Vanaf dat moment heeft hij steeds getracht concrete toezeggingen te verkrijgen over zijn honorering, maar zonder succes. Dit betekende dat hij, aldus [S], in een zeer afhankelijke positie kwam van [F] en [N] die hem er uiteindelijk toe hebben gebracht zijn banden met [F] en [N] te verbreken.

Volgens [S] verzetten de redelijkheid en billijkheid zich er tegen dat hij wordt opgeknoopt aan het feit dat hij als eerste kenbaar heeft gemaakt de samenwerking te willen beëindigen.

Het is onbegrijpelijk, aldus [S], dat bij de beantwoording van de vraag of IEF Nederland [S] onverkort aan de terugkoopoptie kan houden, geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat [S] negentiende van de 5 jaarstermijn heeft vol gemaakt.

4.10 Ook deze grief treft geen doel.

De ten processe bedoelde terugkoopoptie houdt in dat deze vervalt indien deze optie niet binnen vijf jaar na 11 april 2003 is uitgeoefend.

Tussen partijen is niet in geschil dat [S] binnen 5 jaar na 11 april 2003 – in oktober 2007 – zijn werkzaamheden voor vennootschappen die door [F] en [N] werden beheerst heeft beëindigd en aan de directie van IEF Group te kennen heeft gegeven de aandelen te willen verkopen.

Dat betekent dat de terugkoopoptie op dat moment - oktober 2007 – nog gold. Dat reeds negentiende van de bedoelde termijn was verstreken, brengt niet mee dat een beroep op deze terugkoopoptie in strijd met de redelijkheid en billijkheid moet worden geacht.

Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat de stellingen van [S] dat [F] en [N] afspraken niet zijn nagekomen over de omzetting van zijn dienstverband in fees, deelnemingen en winstrechten en de samenwerking met hem hebben ondergraven en gefrustreerd te vaag zijn, gelet op het door [S] en [F] en [N] over en weer gestelde omtrent de samenwerking vanaf april 2003 tot oktober 2007.

Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de daarvoor gegeven motivering geheel en maakt een en ander tot het resp. de zijne.

Voorts deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat [S] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat de handelwijze van [F] en [N] zoals door [S] gesteld – zo deze handelwijze overigens al komt vast te staan nu een en ander door IEF Nederland gemotiveerd is weersproken - meebrengt dat IEF Nederland naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid [S] niet aan – kort gezegd – de terugkoopoptie kan houden.

Al het door [S] gestelde leidt niet tot een ander oordeel.

4.11 Het bewijsaanbod van [S] wordt als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd.

5. Slotsom

Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [S] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding in hoger beroep te dragen.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [S] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van IEF Nederland tot aan dit arrest begroot op € 491,25 aan verschotten en € 894,- aan salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs A.D.R.M. Boumans, S. Clement en H.J.M. Boukema en is in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 30 maart 2010.