Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1308

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
200.021.681
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenrecht, coniferen binnen twee meter van de erfafscheiding als bedoeld in art. 5:42 lid 2 BW. Extinctieve verjaring van vordering tot opheffing onrechtmatige toestand. Schade aan schuur door omwaaien coniferen waarvan de wortels door buurman zijn weggenomen, art. 5:44 lid 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [Appellant],

2. [Appellante],

beiden wonend te [A],

APPELLANTEN in het principaal hoger beroep,

VERWEERDERS in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.A.M. de Vries-Meijer,

kantoorhoudend te Alkmaar,

t e g e n

1. [Geïntimeerde 1],

2. [Geïntimeerde 2],

beiden wonend te [A],

GEÏNTIMEERDEN in het principaal hoger beroep,

APPELLANTEN in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P. Feenstra,

kantoorhoudend te Zoetermeer.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [Appellant] c.s. en [Geïntimeerde] c.s. genoemd.

Bij dagvaarding van 17 december 2008 zijn [Appellant] c.s. in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank te Alkmaar van 9 april 2008 en 8 oktober 2008, onder zaak- en rolnummer 92967/ HA ZA 07-93 gewezen tussen [Geïntimeerde] c.s. als eisers in conventie/verweerders in reconventie en [Appellant] c.s. als gedaagden in conventie/eisers in reconventie.

[Appellant] c.s. hebben acht grieven voorgesteld, bescheiden in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen voor zover in reconventie gewezen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van Smit c.s. alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [Geïntimeerde] c.s. in de proceskosten van beide instanties.

[Geïntimeerde] c.s. hebben geantwoord en incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van negen grieven. Zij hebben voorts hun eis vermeerderd, bescheiden in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen voor zover in reconventie gewezen zal bekrachtigen en die vonnissen voor zover in conventie gewezen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, naar het hof begrijpt, de vorderingen van [Geïntimeerde] c.s. alsnog zal toewijzen, evenals de vermeerderde eis, met veroordeling van [Appellant] c.s. in de kosten van de procedure in beide instanties.

Vervolgens hebben [Appellant] c.s. in het incidenteel hoger beroep geantwoord, verdere bescheiden in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen voorzover in conventie gewezen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [Geïntimeerde] c.s. alsnog zal afwijzen met de verplichting tot terugbetaling, vermeerderd met rente van hetgeen door [Appellant] c.s. aan [Geïntimeerde] c.s. is betaald ingevolge het bestreden eindvonnis, met veroordeling van [Geïntimeerde] c.s. in de kosten van de procedure, naar het hof begrijpt, van het incidenteel appel.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis onder 2 a tot en met i een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Omtrent deze vaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling in principaal en in incidenteel appel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen zijn buren. [Geïntimeerde] c.s. wonen aan de [A-straat 1] en [Appellant] c.s. aan de [A-straat 2]. Hun tuinen grenzen aan elkaar. In de tuin van [Geïntimeerde] c.s., op ongeveer 30 centimeter afstand van de grens met de tuin van [Appellant] c.s. stonden twee Leylandi-coniferen die in het najaar van 2006 ongeveer negen meter hoog waren. In het voorjaar van 2006 heeft [Appellant] zijn tuin bestraat en daarbij wortels van de coniferen die in zijn tuin lagen, weggezaagd. Tijdens een najaarsstorm zijn beide coniferen omgevallen in de breedterichting van de tuin van [Geïntimeerde] c.s. met schade als gevolg.

3.2 In eerste aanleg hebben [Geïntimeerde] c.s. in conventie gevorderd dat [Appellant] c.s. worden veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 10.075,- in hoofdsom aan schadevergoeding. Hij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [Appellant] c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die is ontstaan door het doorzagen van de wortels van de coniferen, ten gevolge waarvan de coniferen zijn omgevallen. De schade bestaat volgens [Geïntimeerde] c.s. uit de kosten van herstel in oude toestand. De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis overwogen dat Smit c.s. onrechtmatig jegens [Geïntimeerde] c.s. hebben gehandeld door de wortels van de coniferen door te zagen en voorts dat voldoende is aangetoond dat de coniferen als gevolg van dat handelen zijn omgewaaid. De rechtbank heeft vervolgens in het bestreden eindvonnis een bedrag van € 5.365,-, aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente toegewezen, het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

3.3 Tegen dit oordeel zijn [Appellant] c.s. niet opgekomen in het principaal appel. [Geïntimeerde] c.s. vorderen in incidenteel appel alsnog een toewijzing van het gevorderde bedrag van € 10.075,-. In de memorie van antwoord in het incidenteel appel voeren [Appellant] c.s. aan dat het wegzagen van de wortels van de Leylandi-coniferen niet onrechtmatig is jegens [Geïntimeerde] c.s. en dat het toegewezen bedrag van € 5.365,- alsnog dient te worden afgewezen. Daarmee komen zij naar het oordeel van het hof te laat op tegen de veroordeling in het eindvonnis om het bedrag van € 5.365,- aan [Geïntimeerde] c.s. te betalen. [Appellant] c.s. hadden een grief ter bestrijding van dit onderdeel van het dictum in het bestreden eindvonnis in de memorie van grieven in principaal appel naar voren moeten brengen. Hun standpunt in de memorie van antwoord in incidenteel appel dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen, kan niet leiden tot een afwijzing van de genoemde vordering van [Geïntimeerde] c.s. Dit standpunt kan dus, tenzij éen of meer grieven van [Geïntimeerde] c.s. slagen, verder onbesproken blijven. Het gaat bij de beoordeling van het incidenteel appel slechts om de vraag of een hoger bedrag dan € 5.365,- moet worden toegewezen.

Verdere beoordeling van het incidenteel appel

3.4 Hieromtrent overweegt het hof het volgende. [Geïntimeerde] c.s. hebben in grief A aangevoerd dat de rechtbank bij de begroting van de kosten voor het verwijderen van het bovengronds deel van de omgevallen coniferen willekeurig een korting heeft toegepast en op een bedrag van € 1.040,- had dienen uit te komen in plaats van op het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 1.025,-. Naar het oordeel van het hof hebben [Geïntimeerde] c.s. geen argumenten gegeven die nopen tot een afwijking van het door de rechtbank begrote bedrag: de rechtbank heeft een bedrag vastgesteld dat tussen twee overgelegde begrotingen ligt van Copijn Utrecht Boomspecialisten B.V. en Jansen Hoveniers B.V. De grief faalt. In grief B voeren [Geïntimeerde] c.s. terecht aan dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.5 is vergeten om een bedrag van € 575,- toe te wijzen voor het verwijderen van de wortelstobben. Dit bedrag is echter wel – impliciet - opgenomen in de slotoptelling om tot het eindbedrag van € 5.365,- te komen, zodat de grief belang ontbeert. In grief C voeren [Geïntimeerde] c.s. ten aanzien van het onderhoud van de nieuwe coniferen aan dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 500,- heeft toegewezen, in plaats van de gevorderde kosten van € 995,-. Gezien het oordeel in principaal appel, waarover hierna, gaan [Geïntimeerde] c.s. er ten onrechte van uit dat zij gerechtigd zijn om de nieuwe coniferen tot negen meter te laten opgroeien. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om meer toe te wijzen dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag. Datzelfde geldt voor de overige door [Geïntimeerde] opgevoerde posten die zien op het herstellen van de vijver en het rozenprieel, het leveren van een tuinset, het vernieuwen van houten vlonders en sierbestrating en het vervangen van diverse vernielde planten en struiken. Het hof volgt de overwegingen van de rechtbank ter zake en ziet in de stellingen van [Geïntimeerde] c.s. bij gebreke van afdoende onderbouwing geen aanleiding om over te gaan tot toewijzing van een hoger totaalbedrag dan € 5.365,-. De aan de memorie van grieven in incidenteel appel gehechte foto’s leiden niet tot een ander oordeel. De grieven D tot en met H zijn aldus tevergeefs voorgesteld.

3.5 [Geïntimeerde] c.s. hebben in incidenteel appel hun eis vermeerderd, hetgeen toelaatbaar is. Zij vorderen € 5.000,- aan immateriële schade wegens gederfde levensvreugde en psychisch letsel ten gevolge van de houding van [Appellant] c.s. Het hof wijst deze vordering af aangezien uit hetgeen [Geïntimeerde] c.s. hebben voorgesteld niet volgt dat aan de eisen van artikel 6:106 lid 1 sub b, waar [Geïntimeerde] c.s. zich op hebben beroepen, is voldaan. Daarnaast vorderen zij dat [Appellant] c.s. worden veroordeeld om binnen vier weken na betekening van dit arrest voor eigen rekening over te gaan tot het plaatsen van een houten schutting (van palen en planken) van een voor [Geïntimeerde] c.s. deugdelijke en aanvaardbare kwaliteit op de kadastrale erfgrens tussen de percelen ([A-straat 1 en 2]) op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat [Appellant] c.s. hierin in gebreke mochten blijven. Het hof zal deze vordering toewijzen omdat de coniferen ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [Appellant] c.s. zijn omgewaaid en de schutting hebben beschadigd, zodat het op de weg van [Appellant] c.s ligt om op hun kosten een schutting te plaatsen en daartoe het initiatief te nemen. Dat er enige takken van het erf van [Geïntimeerde] c.s. op het erf van [Appellant] c.s. zouden overhellen, zoals [Appellant] c.s. stellen, vormt een onvoldoende argument om het plaatsen van de schutting niet ter hand te nemen. Overigens zal pas na het plaatsen van de schutting duidelijk zijn of deze takken overhellen op het erf van [Appellant] c.s. of dat zij kunnen worden opgebonden aan de zijde van het erf van [Geïntimeerde] c.s. Aan het plaatsen van een schutting dienen [Geïntimeerde] c.s. hun medewerking te verlenen, zoals de rechtbank heeft geoordeeld onder 3.5 van het dictum van het bestreden eindvonnis. Het hof ziet evenals de rechtbank en op de door de rechtbank aangevoerde gronden geen aanleiding om aan deze medewerking een dwangsom te verbinden. Met dit oordeel zijn tevens grief VI en VII in principaal appel besproken. Deze grieven falen.

4. Slotsom in incidenteel appel

De grieven hebben geen succes. Grief I (per abuis genummerd G) ziet op de compensatie van de proceskosten zowel in conventie als in reconventie. Gelet op de beoordeling van de grieven A tot en met H ziet het hof geen aanleiding van het oordeel van de rechtbank af te wijken. De bestreden vonnissen voor zover in conventie gewezen, zullen worden bekrachtigd. De grief voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenveroordeling in reconventie zal het hof hierna bespreken. De vermeerdering van eis die ziet op de vordering van een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding zal worden afgewezen. De vordering tot het plaatsen van een schutting op de kadastrale erfgrens zal worden toegewezen. Daaraan zal een dwangsom worden verbonden van € 250,- per dag voor iedere dag dat [Appellant] c.s. in gebreke blijven om aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,-. [Geïntimeerde] c.s. zijn in overwegende mate in het ongelijk gesteld. Zij dragen de proceskosten van het incidenteel appel.

Verdere beoordeling van het principaal appel

5. In eerste aanleg hebben [Appellant] c.s. in reconventie gevorderd primair dat [Geïntimeerde] c.s. worden veroordeeld om alle bomen die binnen twee meter van de erfgrens staan te verwijderen en subsidiair dat [Geïntimeerde] c.s. wordt verboden de omgewaaide coniferen terug te plaatsen dan wel andere bomen hoger dan twee meter terug te plaatsen en [Geïntimeerde] c.s. te gelasten alle bomen, struiken en heesters die zich in hun tuin bevinden binnen twee meter respectievelijk een halve meter van de erfgrens, tot maximaal de hoogte van de erfafscheiding terug te snoeien en te gelasten dat deze beplanting onder de hoogte van de erfafscheiding blijft. Daarnaast hebben zij gevorderd dat [Geïntimeerde] c.s. mee moeten werken aan het plaatsen van een gemeenschappelijke erfafscheiding en daarbij de helft van de kosten moet dragen en de helft van de werkzaamheden moet verrichten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. De rechtbank heeft de primaire vordering afgewezen en de subsidiaire vordering in zo verre toegewezen dat [Geïntimeerde] c.s. zijn gelast om een den die zich in hun tuin bevindt binnen twee meter van de erfgrens te snoeien tot maximaal de hoogte van de erfafscheiding en deze gesnoeid te houden. Voorts zijn [Geïntimeerde] c.s. veroordeeld om mee te werken aan het plaatsen van een gemeenschappelijke erfafscheiding. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

6. De grieven I, II en III betreffen de vraag welke bomen er op het erf van [Geïntimeerde] c.s. staan binnen twee meter van de erfafscheiding zoals bedoeld in artikel 5:42 BW. Dit artikel schrijft voor, voor zo ver relevant, dat het niet geoorloofd is om binnen een afstand van twee meter, te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom, van de grenslijn van een anders erf bomen te hebben. Het artikel bepaalt voorts dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van bomen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven.

6.1 In de toelichting op de grieven komt naar voren dat het [Appellant] te doen is om een den, naar het hof begrijpt aangeduid als: “de conifeer in de linker achterhoek van de tuin van [Geïntimeerde] c.s.” en om de twee coniferen die in de plaats van de omgewaaide Leylandi-coniferen zijn geplant. [Appellant] c.s. hebben niet duidelijk gemaakt of er nog andere bomen zijn en zo ja welke, die op de genoemde afstand van de erfgrens staan. De eerste grief faalt om die reden. Ten aanzien van de den heeft de rechtbank geoordeeld dat deze gesnoeid moest worden en tot op de hoogte van de erfafscheiding gesnoeid moet blijven. De vordering van [Appellant] is door de rechtbank in zoverre toegewezen, zodat er geen belang is bij een bespreking van grief III voor zover deze betrekking heeft op de den.

6.2 Ten aanzien van de vervangende coniferen overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat de Leylandi-coniferen een hoogte hadden van ongeveer negen meter en binnen een afstand van twee meter van de erfafscheiding met [Appellant] c.s. stonden. Dat betekent dat er sprake was van een situatie die in strijd was met artikel 5:42 BW. [Geïntimeerde] c.s. zijn er kennelijk van uit gegaan dat [Appellant] c.s. de aanwezigheid van de Leylandi-coniferen moesten dulden door extinctieve verjaring van de vordering tot hun verwijdering. Zij menen, zo verstaat het hof hun stellingen, dat zij op basis van deze verjaring gerechtigd zijn om op dezelfde plaats twee andere coniferen te zetten die een gelijke hoogte kunnen krijgen. De rechtbank heeft in verband hiermee het door [Appellant] c.s. gevorderde verbod om de omgewaaide bomen dan wel andere bomen terug te plaatsen afgewezen op de grond dat [Appellant] c.s. bij een toewijzing zouden profiteren van hun onrechtmatig handelen (het doorzagen van de wortels van de coniferen waarna deze zijn omgewaaid). Grief II keert zich terecht tegen dit oordeel. De vordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand verjaart na 20 jaar vanaf het moment dat er een onrechtmatige toestand is (in dit geval: het moment waarop de coniferen zijn geplant binnen twee meter van de erfgrens met [Appellant] c.s. dan wel boven de erfafscheiding uit steken). Zo de verjaring ten aanzien van de vordering tot verwijdering van de Leylandi-coniferen al voltooid mocht zijn, dan betekent dat niet dat [Geïntimeerde] c.s. aanspraak kunnen maken op het in het leven roepen van een nieuwe onrechtmatige situatie die geduld zou moeten worden door [Appellant] c.s., door nieuwe vergelijkbare coniferen te planten. De nieuw geplante coniferen dienen te voldoen aan de eisen van het burenrecht (artikel 5:42 Bw). [Geïntimeerde] c.s. hebben geen recht op herstel in de oude toestand. Het onrechtmatig handelen van [Appellant] c.s. heeft zich jegens [Geïntimeerde] c.s. vertaald in een vordering tot schadevergoeding. Zij zijn gerechtigd om met in achtneming van het bepaalde in artikel 5:42 BW coniferen terug te plaatsen. Nu vaststaat dat de nieuwe coniferen binnen twee meter van de erfgrens staan, zullen [Geïntimeerde] c.s. deze coniferen dienen terug te snoeien en gesnoeid te houden tot de hoogte van twee meter van de (nog te plaatsen) erfafscheiding. In zoverre slaagt ook grief III. De subsidiare vordering van [Appellant] c.s. zal op dit punt worden toegewezen.

7. Grief IV en V hebben betrekking op het door [Appellant] gevorderde gebod om de heesters en struiken die binnen een halve meter van de erfgrens met [Geïntimeerde] c.s. staan, op de voet van artikel 5:42 BW terug te snoeien en gesnoeid te houden. Met betrekking tot heesters bepaalt dit artikel, voor zover relevant, dat het niet geoorloofd is om binnen een afstand van een halve meter van de grenslijn van een anders erf heesters te hebben, tenzij ingevolge een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten. De nabuur kan zich niet tegen de aanwezigheid van heesters verzetten indien die niet hoger reikt dan de scheidsmuur tussen de erven.

7.1 De rechtbank heeft enerzijds overwogen dat [Appellant] c.s. dit onderdeel van hun vordering nauwelijks hebben onderbouwd en anderzijds overwogen dat er ten aanzien van de sering en een niet nader aangeduide struik, waarmee kennelijk de laurier is bedoeld, erfdienstbaarheden door verjaring door [Geïntimeerde] c.s. zijn verkregen. In de grieven voeren [Appellant] c.s. aan dat het gevorderde gebod ziet op een sering, een laurier, een kornoelje, een rozenstruik en een hedra. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat bij geen der struiken en heesters sprake is van een erfdienstbaarheid door verjaring. Ten aanzien van de rozenstruik en de hedra hebben [Geïntimeerde] c.s. in hun memorie van antwoord in principaal appel aangegeven dat zij zich ten aanzien van de rozenstruik en de hedra niet beroepen op een erfdienstbaarheid door verjaring en dat zij de genoemde struiken zullen terugsnoeien indien deze, zo begrijpt het hof, na het plaatsen van een schutting daar boven uit groeien. Deze struiken behoeven derhalve geen nadere beschouwing. De vordering om deze struiken terug te snoeien en gesnoeid te houden, zal worden toegewezen. Dat zelfde geldt voor de kornoelje nu [Geïntimeerde] c.s. geen verweer hebben gevoerd tegen het standpunt van [Appellant] c.s. dat deze struik boven de (nog te plaatsen) schutting zal uitkomen en zij zich ook ten aanzien van deze struik niet op een door verjaring verkregen erfdienstbaarheid hebben beroepen.

7.2 Dan resteren de sering en de laurierstruik. Vaststaat dat ook deze struiken binnen een afstand van een halve meter van de erfrens staan en boven de (nog te plaatsen) schutting uitsteken. Het gevorderde gebod om deze struiken terug te snoeien en gesnoeid te houden ligt dus voor toewijzing gereed, tenzij er sprake is van een door verjaring verkregen erfdienstbaarheid van [Geïntimeerde] c.s., op wie daarvan de bewijslast rust. Tegenover het standpunt van [Appellant] c.s. dat de stammen van de betreffende struiken niet duiden op een leeftijd van tenminste 20 jaar en dat deze struiken niet al twintig jaar boven de schutting uitsteken, hebben [Geïntimeerde] c.s. volstaan met een blote stelling dat zij een erfdienstbaarheid door verjaring hebben verkregen. Deze stelling hebben zij in eerste aanleg noch in hoger beroep nader onderbouwd, de overgelegde foto’s bieden evenmin voldoende aanknopingspunten. Zij hebben daarmee niet voldaan aan hun stelplicht. Dat betekent dat de vordering van [Appellant] c.s. om [Geïntimeerde] c.s. te gebieden ook de sering en de laurier terug te snoeien en teruggesnoeid te houden zal worden toegewezen. [Geïntimeerde] c.s. hebben zich nog beroepen op het plaatselijk gebruik om heesters en struiken boven de erfafscheiding te laten uitgroeien, maar deze stelling is in opmerkingen van algemene aard blijven steken en leidt dus niet tot een ander oordeel.

8. Slotsom in principaal appel

De grieven I, VI en VII falen, de overige grieven zijn met succes voorgesteld. Het bestreden tussenvonnis en het eindvonnis voor zover in reconventie gewezen, zullen worden bekrachtigd voor zo ver zij zien op de veroordeling van [Geïntimeerde] c.s. om medewerking te verlenen aan het plaatsen van een gemeenschappelijke erfafscheiding. De vonnissen zullen worden vernietigd voor zover zij zien op het afwijzen van de vorderingen van [Geïntimeerde] tot het terugsnoeien en gesnoeid houden van de betrokken coniferen, struiken en heesters. [Geïntimeerde] c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en zullen worden veroordeeld in de kosten van de reconventie (in zoverre faalt grief G in incidenteel appel) en in de kosten van het principaal appel.

9. Beslissing

Het hof:

In incidenteel appel:

- bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank te Alkmaar van 9 april 2008 en 8 oktober 2008, onder zaak- en rolnummer 92967/ HA ZA 07-93 voor zover gewezen tussen [Geïntimeerde] c.s. als eisers in conventie en [Appellant] c.s. als gedaagden in conventie;

- veroordeelt [Appellant] c.s. om binnen vier weken na betekening van dit arrest voor eigen rekening over te gaan tot het plaatsen van een gemeenschappelijke houten schutting (van palen en planken) van een voor [Geïntimeerde] c.s. deugdelijke en aanvaardbare kwaliteit op de kadastrale erfgrens tussen de percelen ([A-straat 1 en 2]) op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat [Appellant] c.s. hierin in gebreke mochten blijven, met een maximum van € 10.000,-;

- veroordeelt [Geïntimeerde] c.s. in de proceskosten van het incidenteel appel, aan de zijde van [Appellant] c.s. tot op heden begroot op € 316,--;

- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

In principaal appel:

- bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank te Alkmaar van 9 april 2008 en 8 oktober 2008, onder zaak- en rolnummer 92967/ HA ZA 07-93 gewezen tussen [Geïntimeerde] c.s. als verweerster in reconventie en [Appellant] c.s. als eisers in reconventie, voor zover [Geïntimeerde] c.s. zijn veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan het plaatsen van een gemeenschappelijke houten erfafscheiding tussen [A-straat 1 en 2];

- vernietigt deze vonnissen voor het overige en doet opnieuw recht:

- gelast [Geïntimeerde] c.s. de zich in hun tuin bevindende coniferen die in de plaats zijn gekomen van de Leylandi-coniferen, alsmede de den, de laurier, de sering, de kornoelje, de rozenstruik en de hedra te snoeien tot maximaal de hoogte van de (nog te plaatsen) erfafscheiding en in de toekomst er zorg voor te dragen dat de hoogte van deze bomen en struiken onder de hoogte van de erfafscheiding blijft;

- verwijst [Geïntimeerde] c.s in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie aan de zijde van [Appellant] c.s. begroot op € 1.130,--;

- verwijst [Geïntimeerde] c.s. in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van [Appellant] c.s. tot op heden begroot op € 1.123,44;

- verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, G.C. Makkink en J.C. Toorman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 januari 2010.