Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1033

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
19-07-2010
Zaaknummer
200.033.810
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2009:BH7806, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hebben appellanten, S, binnen bekwame tijd bij E, de schuldenaar, geprotesteerd? Gedeelteijke ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst; welk deel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer 200.033.810

(zaaknummer rechtbank: 251760)

arrest van de derde civiele kamer van 13 juli 2010

inzake

[appellant 1]

en

[appellant 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. H. Oosterhuis,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.E. van der Molen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 3 september 2008 en 25 maart 2009 die de rechtbank Utrecht tussen appellanten (hierna in enkelvoud te noemen: [appellante]) als eisers in conventie/verweerders in reconventie en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie heeft gewezen; van het laatste vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 18 mei 2009,

- de memorie van grieven met een aantal producties,

- de memorie van antwoord met een aantal producties,

- de pleitnotities van het op 16 juni 2010 gehouden pleidooi.

3. De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in het vonnis van 25 maart 2009 onder 2.1 tot en met 2.12 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep van die feiten uitgaan. Verder staan de volgende feiten tussen partijen vast.

3.2 Het aanleggen van de bewuste twee zwemvijvers maakt deel uit van een complete, door [appellante] aan [geïntimeerde] opgedragen renovatie van de tuin van [appellante]. [appellante] heeft voor die renovatie een bedrag van € 850.000,- in totaal aan [geïntimeerde] voldaan.

3.3 In de periode van medio oktober 2005 tot 16 april 2006 heeft overleg plaats gehad tussen (de advocaten) van partijen. Op 21 maart 2006 hebben partijen met hun advocaten een bespreking gehad ten huize van [appellante].

3.4 De advocaat van [appellante], mr. Oosterhuis, heeft bij faxbericht van 31 maart 2006 aan de advocaat van [geïntimeerde], mr. Van Tol, herhaald dat alle klachten van [appellante] met betrekking tot het werk van [geïntimeerde] zijn blijven staan. Hij heeft een lijst met veertig klachten als bijlage meegezonden. Mr. Van Tol heeft bij faxbericht van 7 april 2006, gericht aan mr. Oosterhuis, op deze klachten gereageerd met bijsluiting van het commentaar van [geïntimeerde] op de veertig klachten.

3.5 Mr. Oosterhuis heeft vervolgens bij faxbericht van 19 april 2006 aan mr. Van Tol bericht:

“Uw brief in bovenvermelde kwestie, gedateerd 7 april jl., biedt geen aanknopingspunten voor verder overleg. Onder verwijzing naar eerdere correspondentie bericht ik u dat cliënten de overeenkomst met uw cliënt als partieel ontbonden beschouwen en zij derden zullen inschakelen teneinde de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van uw cliënte te laten verhelpen. Op korte termijn zal duidelijk zijn wat de waterkwaliteit in de zwemvijver is. Dat zal ik u dan nog laten weten.

De kosten van de door derden uit te voeren werkzaamheden zullen op uw cliënte worden verhaald. Reeds eerder heb ik uw cliënte aansprakelijk gesteld voor alle geleden en te lijden schade ten gevolge van de toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van uw cliënte. Ook eventuele verdere schade zal derhalve op uw cliënte worden verhaald.”

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] heeft [geïntimeerde] op zeker moment mondeling opgedragen zijn tuin geheel te renoveren en daarin twee zwemvijvers aan te leggen. [geïntimeerde] heeft het aanleggen van de zwemvijvers in onderaanneming opgedragen aan [bedrijf Z] (verder: [bedrijf Z]). [appellante] was na voltooiing van het werk door [bedrijf Z] niet tevreden over de kwaliteit van het water van de zwemvijvers - het water was troebel als gevolg van de aanwezigheid van algen - en heeft daarover bij [geïntimeerde] geklaagd. [geïntimeerde] heeft die klacht blijkens zijn e-mail van 7 oktober 2005 aan [appellante] (productie 1 bij inleidende dagvaarding) gegrond bevonden. [geïntimeerde] heeft vervolgens [Y], tuinarchitect te [woonplaats] (België), opdracht gegeven de zwemvijvers te onderzoeken. [Y] heeft bij zijn onderzoek beide partijen en [bedrijf Z] betrokken. [geïntimeerde] heeft de Belgische venootschap [Bedrijf X] te [vestigingsplaats] (België; verder: [bedrijf X]) ingeschakeld om de gebreken van de zwemvijvers te herstellen. [geïntimeerde] heeft [bedrijf Z] op 26 oktober 2005 gedagvaard voor de rechtbank Utrecht en heeft daarbij schadevergoeding en terugbetaling van de aannemingssom van [bedrijf Z] gevorderd.

4.2 [appellante] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen geldende overeenkomst en schadevergoeding op te maken bij staat. Die tekortkoming bestaat volgens de inleidende dagvaarding hierin dat het zwemwater niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet en het folie in de vijvers niet goed is bevestigd, waardoor de naast de vijvers gelegen grond een veel te hoog grondwaterpeil heeft met als gevolg afsterven van bomen en struiken. De vordering van [geïntimeerde] in reconventie speelt in hoger beroep geen rol meer.

4.3 [geïntimeerde] heeft als verweer van de verste strekking aangevoerd dat [appellante] niet binnen bekwame tijd nadat hij gebreken aan de herstelwerkzaamheden had ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken bij haar heeft geprotesteerd (artikel 6:89 BW in verbinding met artikel 7:758 BW). De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, kort gezegd, geconcludeerd dat [appellante] na beëindiging van de werkzaamheden door [geïntimeerde] in het voorjaar van 2006 niet eerder dan in oktober 2007 bij [geïntimeerde] heeft geklaagd over de kwaliteit van het zwemwater en dat deze termijn, alle belangen en relevante omstandigheden in aanmerking genomen, niet kan worden aangemerkt als een bekwame tijd in de zin van artikel 6:89 BW. Wat betreft de klacht over de lekkage in de vijvers heeft de rechtbank beslist dat [appellante] wel tijdig heeft geklaagd, maar dat [appellante] onvoldoende heeft gesteld om een causaal verband tussen de herstelwerkzaamheden en de lekkage aan te nemen. Zij heeft voorts overwogen dat door het nadien opnieuw aanleggen van de vijvers een onderzoek door een deskundige in opdracht van de rechtbank niet meer mogelijk is. De rechtbank heeft de vorderingen vervolgens afgewezen met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

4.4 Bij bespreking van grief 1 heeft [appellante] geen belang. De vraag welk bedrag [geïntimeerde] aan [bedrijf X] heeft betaald is voor de beoordeling van de zaak immers niet van belang. Het hof merkt ten overvloede op dat [geïntimeerde] in hoger beroep een deel van haar memorie van grieven in de zaak [geïntimeerde]-[bedrijf Z] heeft overgelegd, waarin die kosten nader worden gespecificeerd en op ruim € 86.000,- worden gesteld. [appellante] heeft die specificatie tijdens het pleidooi niet betwist.

4.5 Grief 2 keert zich tegen rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis. De toelichting op de grief gaat aan de kern van deze overweging voorbij. De overweging komt erop neer dat eventuele gebreken in werkzaamheden die [bedrijf X] in opdracht van [appellante] (na mei 2006) heeft uitgevoerd niet aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Het hof verenigt zich met dit oordeel en maakt het tot het zijne. De grief faalt.

4.6 De grieven 3 tot en met 11 hebben betrekking op de gegrondbevinding van [geïntimeerde] verweer dat [appellante] niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd. Deze grieven kunnen gezamenlijk worden behandeld. Het hof stelt daarbij voorop dat hetgeen de rechtbank in rov. 4.11 heeft overwogen ten aanzien van het wettelijke kader en de daaraan door de Hoge Raad gegeven uitleg (in het bijzonder de arresten van 29 juni 2007, LJN AZ7617 en 23 november 2007, LJN BB3733) - terecht - niet in debat is.

4.7 Het hof verwerpt de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [geïntimeerde] herstelwerkzaamheden heeft laten uitvoeren. Indien de grieven geacht moeten worden de vaststelling van de rechtbank in het vonnis onder 2.6 ter discussie te stellen (het hof verwijst naar rov. 3.1 van dit arrest), falen zij. [appellante] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat [bedrijf X] in opdracht van [geïntimeerde] herstelwerkzaamheden aan de vijver heeft uitgevoerd. [geïntimeerde] heeft in dit verband een aantal aan haar gerichte facturen van [bedrijf X] overgelegd waarin die herstelwerkzaamheden worden gespecificeerd. [appellante] heeft de juistheid van die facturen niet betwist. Een andere vraag is of die herstelwerkzaamheden tot het gewenste resultaat, te weten het bereiken van het overeengekomen, voldoende heldere zwemwater, hebben geleid. Die vraag komt niet meer aan de orde indien het hof - evenals de rechtbank - zou aannemen dat [appellante] niet binnen bekwame tijd nadat hij de gebrekkigheid van die herstelwerkzaamheden heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken heeft geprotesteerd.

4.8 Aan de kwestie van het tijdige protest gaat echter nog het volgende vooraf. [appellante] heeft in hoger beroep (delen van) de correspondentie tussen de advocaten van partijen in de periode van oktober 2005 en 19 april 2006 overgelegd en heeft in de memorie van grieven aangevoerd dat de overeenkomst bij het - in rechtsoverweging 3.5 geciteerde - faxbericht van 19 april 2006 partieel is ontbonden. Tijdens het pleidooi zijn vragen gerezen rond dit faxbericht. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de daarin genoemde partiële ontbinding van de overeenkomst betrekking heeft op dat deel van de overeenkomst dat betrekking heeft op het aanleggen van de zwemvijvers en dat de grond voor die ontbinding was de onvoldoende kwaliteit van het zwemwater. Indien dit standpunt juist zou zijn en de gestelde tekortkoming de partiële ontbinding zou rechtvaardigen, komt de vraag of [appellante] binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd niet meer aan de orde. [geïntimeerde] heeft echter betwist dat de partiële ontbinding ziet op het aanleggen van de vijvers/de slechte kwaliteit van het zwemwater en heeft daarbij nog opgemerkt dat haar advocaat op dit faxbericht heeft gereageerd met een faxbericht. Dit laatste faxbericht, waarvan [appellante] de ontvangst door mr. Oosterhuis overigens heeft betwist, is echter niet in het geding gebracht.

4.9 In het faxbericht van 19 april 2006 wordt niet duidelijk gemaakt op welk deel van de aannemingsovereenkomst (die een veel verdergaande strekking had dan enkel het aanleggen van twee zwemvijvers) de ingeroepen ontbinding betrekking heeft. Het gaat er dan om welke zin [geïntimeerde], toen vertegenwoordigd door haar advocaat, mr. Van Tol, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan dit bericht mocht toekennen. Daarbij is het volgende van belang. Bij het faxbericht van mr. Oosterhuis van 31 maart 2006 aan mr. Van Tol is een lijst met veertig klachten toegezonden. Slechts een klein deel daarvan ziet duidelijk en rechtstreeks op de kwaliteit van het zwemwater; de meeste klachten hebben betrekking op de beplanting en de inrichting van de tuin en de technische afwerking van allerlei zaken in de tuin. Mr. Van Tol heeft de reactie van [geïntimeerde] op deze veertig klachten bij faxbericht van 7 april 2006 aan mr. Oosterhuis overgebracht. Die reactie luidde enerzijds dat [geïntimeerde] de klachten grotendeels als onjuist of gezocht van de hand wees, anderzijds dat zij zich bereid verklaarde aan de klachten genoemd onder 1, 9, 10, 14, 22, 23, 25, 30, 33 en 39 tegemoet te komen. Verder is van belang dat in de tekst van het hiervoor genoemde faxbericht van 19 april 2006 is vermeld dat op korte termijn duidelijk zou zijn wat de waterkwaliteit in de zwemvijver was en dat mr. Oosterhuis dat dan nog aan mr. Van Tol zou laten weten. Aan dit laatste kan redelijkerwijze alleen deze betekenis toekomen dat [geïntimeerde] haar verplichting tot het opleveren van zwemvijvers met de overeengekomen, voldoende heldere kwaliteit zwemwater alsnog zou kunnen nakomen. Tijdens het pleidooi is met betrekking tot deze zinsnede door [appellante] dan ook verklaard dat deze was opgenomen om [geïntimeerde] de mogelijkheid te geven om “iets te gaan doen als hij hoorde hoe de kwaliteit was”. Het hof komt op grond van een en ander tot de conclusie dat [geïntimeerde] aan het faxbericht van 19 april 2006 onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet de zin moest toekennen dat de daarbij ingeroepen partiële ontbinding betrekking had op de kwestie van de zwemvijvers. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de aanleg van de zwemvijvers slechts een klein onderdeel vormde van de door [appellante] aan [geïntimeerde] verleende opdracht tot het renoveren van de tuin. [appellante] kan dus geen beroep doen op deze partiële ontbinding.

4.10 De strijdvraag van het tijdige protest is dus ook in hoger beroep aan de orde. Uit het over en weer gestelde, ook tijdens de pleitzitting, volgt dat de kwaliteit (in de zin van helderheid, afwezigheid van algen) van het zwemwater in de zomermaanden al vrij snel, en wel na enkele weken, duidelijk moet zijn. [appellante] heeft dan ook al voor het einde van de zomer van 2006 kunnen vaststellen dat de waterkwaliteit niet naar behoren was. Dit wordt ook bevestigd door het in opdracht van [appellante] uitgebrachte rapport van [W] gedateerd 28 november 2006 (productie 5 bij inleidende dagvaarding), waarin op bladzijde 19 is te lezen dat hij tijdens diens eerste bezoek aan de tuin in juli 2006 constateerde dat de vijver alles behalve schoon en helder was. De rechtbank heeft in rov. 2.10 vastgesteld (het hof leest deze overweging wegens een kennelijke verschrijving aldus:) dat [appellante] eerst bij brief van 9 oktober 2007 bij [geïntimeerde] heeft geklaagd over een gebrek aan helderheid van het water van de vijvers (en over lekkage). [appellante] heeft in hoger beroep betoogd dat [geïntimeerde] al eerder, en wel door het bezoek van [W] aan [geïntimeerde] ermee bekend werd dat [appellante] klachten had over de kwaliteit van het water. Volgens [geïntimeerde] (verklaring van haar directeur tijdens het pleidooi) heeft [W] bij dat bezoek echter geen klachten van [appellante] overgebracht en was dat ook niet de opdracht van [W].

4.11 Het hof stelt allereerst vast dat [geïntimeerde] onweersproken heeft aangevoerd dat de bij inleidende dagvaarding overgelegde rapporten van [bedrijf V], [W], [U] en [T] haar eerst bekend zijn geworden door de betekening van die dagvaarding. Het hof gaat er op grond van het over en weer gestelde (memorie van grieven onder 23; memorie van antwoord onder 7) vanuit dat [W] [geïntimeerde] in april 2007 heeft bezocht. Partijen zijn het er niet over eens of [W] toen namens [appellante] klachten heeft geuit over de kwaliteit van het zwemwater. Ook als het hof veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat dit het geval is, is die klacht naar het oordeel van het hof te laat geuit. Daarbij is allereerst van belang dat [appellante], die bij eerdergenoemd faxbericht van 19 april 2006 aan [geïntimeerde] had laten weten dat hij derden zou inschakelen om de volgens hem aanwezige tekortkoming aan de zijde van [geïntimeerde] te laten verhelpen, al in de loop van de zomer van 2006 heeft moeten kunnen vaststellen of het zwemwater aan de eisen voldeed. Verder acht het hof van belang dat de helderheid van het zwemwater wisselt met de seizoenen. Het door [appellante] in het geding gebrachte rapport van [W] vermeldt (bladzijde 19):

Eind oktober begon er een herstel, zoals verwacht. Het water begon geleidelijk aan helderder te worden. Dit komt omdat de dagen korter worden en het licht minder. Onder die verslechterende condities kunnen zwevende algen zich niet meer vermenigvuldigen en sterven af.

Na de zomer is kennelijk niet meer of niet meer voldoende duidelijk vast te stellen wat de oorzaak van troebelheid van het water in de zomer is geweest. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de zwemvijvers, zoals uit de overgelegde rapporten blijkt, het nodige onderhoud (onderhoud en reiniging van pompen; toevoegen van bacteriën enzovoorts) behoeven om het water in goede staat (dat wil zeggen: voldoende helder) te houden. Een eventueel door [W] in april 2007 namens [appellante] aan [geïntimeerde] geuite klacht acht het hof dan ook te laat, omdat aangenomen moet worden dat [geïntimeerde] toen al niet meer op behoorlijke wijze kon (laten) nagaan of de troebelheid van het water in de zomer van 2006 het gevolg was van een toerekenbare tekortkoming in de in haar opdracht (in november 2005) uitgevoerde herstelwerkzaamheden. Daarmee is de positie van [geïntimeerde] geschaad.

4.12 De slotsom van het voorgaande is dat [appellante] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd over de kwaliteit van de in opdracht van [geïntimeerde] aan de vijvers verrichte herstelwerkzaamheden met gevolg dat hij geen beroep meer kan doen op een eventueel gebrek in die prestatie. De grieven 3 tot en met 10 falen alle. Grief 11 richt zich tegen een overweging ten overvloede en behoeft geen bespreking.

4.13 De grieven 12 en 13 hebben betrekking op de afwijzing van de vorderingen voor zover gegrond op de lekkage van de vijvers. Volgens [appellante] (inleidende dagvaarding onder 21) is de lekkage veroorzaakt doordat het in de vijvers aangebrachte folie op een aantal plaatsen als gevolg van onjuiste bevestiging en slordige verwerking is gaan scheuren, waardoor vijverwater in de tuin kon lopen en hij schade heeft geleden. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist.

4.14 Tussen partijen staat vast dat [appellante] de lekkage eerst in september 2007 heeft ontdekt, dat [appellante] de lekkage vervolgens aan [geïntimeerde] heeft gemeld, dat [geïntimeerde] [bedrijf S] heeft opgedragen deze klacht te onderzoeken en dat [S] op 1 november 2007 de vijvers samen met [geïntimeerde] uitvoerder [R] heeft onderzocht. Volgens [S] (brief van 5 november 2007 aan [geïntimeerde]; productie 3 bij conclusie van antwoord) is het waarschijnlijk dat er bij de bovenvijver iets niet helemaal in orde is. [S] heeft volgens die brief voorgesteld om de boel daar open te maken en eventueel te herstellen.

4.15 [geïntimeerde] heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep verklaard dat zij heeft aangeboden de lekkage te herstellen. [appellante] heeft dat vervolgens erkend (hij heeft dit ook tijdens de comparitie in eerste aanleg verklaard), maar heeft daaraan toegevoegd dat dat aanbod beperkt was in die zin dat [geïntimeerde] alleen bereid was over te gaan tot reparatie als het herstel niet meer dan een paar honderd euro zou kosten.

4.16 Het hof ziet niet in welke goede reden [appellante] kan hebben gehad om dit aanbod niet te aanvaarden. Vast staat dat [geïntimeerde] na ontvangst van de desbetreffende klacht van [appellante] [S] opdracht heeft gegeven de vijvers te onderzoeken en dat bij diens onderzoek niet duidelijk is geworden wat de oorzaak van de lekkage was; daarvoor zou de boel moeten worden opengemaakt, aldus [S]. Ook staat vast dat [geïntimeerde] - die in het najaar van 2005 al herstelwerkzaamheden voor [appellante] heeft laten uitvoeren - heeft aangeboden om de lekkage te verhelpen en zo haar verplichtingen jegens [appellante] na te komen. De omstandigheid dat [geïntimeerde] daarbij wellicht een voorbehoud ten aanzien van de door haar te maken kosten heeft gemaakt, acht het hof onvoldoende om te oordelen dat het aanbod van [geïntimeerde] onredelijk was of dat de weigering van [appellante] niet aan hem kan worden toegerekend. Indien tijdens de uitvoering van dit herstelwerk zou blijken dat [geïntimeerde] meer kosten zou moeten maken dan het genoemde bedrag, zou een nieuwe situatie ontstaan, waarin [geïntimeerde] haar voorbehoud met betrekking tot de kosten niet zou mogen handhaven, indien duidelijk zou zijn dat de lekkage aan een tekortkoming van haar te wijten was. De slotsom is dat [appellante] in schuldeisersverzuim is geraakt, waardoor een eventueel verzuim van [geïntimeerde] teneinde is gekomen. De vorderingen voor zover gegrond op de lekkage van de vijver zijn niet toewijsbaar, nu van verzuim van [geïntimeerde] geen sprake is. De grieven 12 en 13 delen in het lot van de eerdere.

4.17 [appellante] heeft aangeboden bewijs te leveren door getuigen te laten horen overeenkomstig de aanbiedingen in de memorie van grieven. Die aanbiedingen zien, begrijpt het hof, allereerst op het horen van getuigen met betrekking tot de op 24 augustus 2005 in [Hotel Q] te [plaats] gehouden bespreking, waar [geïntimeerde] volgens [appellante] heeft erkend dat de kwaliteit van het zwemwater ondermaats was, waarna partijen vervolgens een bezoek aan een vijver in [plaats] hebben gebracht, die als referentie zou dienen voor de in de vijvers van [appellante] te verwezenlijken waterkwaliteit. Het hof gaat aan dit aanbod als niet terzake dienend voorbij, omdat [geïntimeerde] erkend heeft dat het door [bedrijf Z] geleverde werk niet naar behoren was en zij na die bespreking te [plaats] [bedrijf X] opdracht heeft gegeven herstelwerkzaamheden te verrichten. Wat partijen precies over de waterkwaliteit hebben afgesproken, is niet van belang, nu het hof met de rechtbank van oordeel is dat de klacht over de kwaliteit van het zwemwater niet binnen bekwame tijd is geuit. De bewijsaanbieding heeft verder betrekking op de inhoud van het gesprek dat [W] in april 2007 met [geïntimeerde] heeft gevoerd. Omdat het hof bij de bespreking van de desbetreffende grief veronderstellenderwijs ervan is uitgegaan dat [W] toen namens [appellante] heeft geklaagd, heeft [appellante] bij dit bewijsaanbod geen belang.

4.18 Grief 14, die zich keert tegen de veroordeling in de proceskosten van [appellante] in conventie als in het ongelijk gestelde partij, kan na het voorgaande evenmin doel treffen.

5. Slotsom

De grieven falen, zodat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [appellante], als in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad zoals gevorderd.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 25 maart 2009;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 313,- wegens griffierecht;

verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordeling in de kosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.H. van Ginkel, M.M. Olthof en F.T. Oldenhuis en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2010.