Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0988

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
12-07-2010
Zaaknummer
23-001043-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering door douaneambtenaar op Schiphol om identiteitsbewijs te tonen.

Niet gebleken dat dit redelijkerwijs voor de vervulling van de taak van de douaneambtenaar (artt. 1:21 en 1:34 Algemene douanewet) dan wel voor enige andere vorm van toezicht redelijkerwijs nodig was.

Vrijspraak bezit vals reisdocument wegens onrechtmatig verkregen bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1786
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001043-09

datum uitspraak: 8 juli 2010 (PROMIS)

TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)

ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 10 februari 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-800135-09 tegen

(naam verdachte),

geboren op (geboortedatum) te (geboorteplaats) (geboorteland),

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 februari 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

"hij op of omstreeks 25 januari 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een reisdocument, te weten een (nationaal) paspoort van de Dominicaanse Republiek (voorzien van het nummer (nummer), op naam gesteld van (naam), geboren op (geboortedatum)), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was."

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof anders oordeelt over het gevoerde verweer en tot een andere slotsom komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Standpunten van partijen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde omdat zijn aanhouding onrechtmatig is geweest. Hij heeft daartoe aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de opsporingsambtenaar die verdachte naar zijn legitimatiebewijs heeft gevraagd, daartoe niet bevoegd was omdat noch een verdenking bestond van overtreding van de Opiumwet, noch sprake was van een controlebevoegdheid op grond van de Algemene douanewet. Nu een onrechtmatige uitoefening van de controlebevoegdheid heeft plaatsgevonden, is de daarop gevolgde aanhouding van de verdachte onrechtmatig en dient de aangetroffen valse verblijfsvergunning in het paspoort van de verdachte te worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen, bij het ontbreken van ander bewijs, dient te leiden tot vrijspraak.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake was van een standaardcontrole. In dit geval was de opsporingsambtenaar als douaneambtenaar bevoegd om op grond van de Algemene douanewet en als Wachtmeester der Koninklijke Marechaussee op grond van de Wet op de Identificatieplicht verdachte naar een identiteitsbewijs te vragen. Hoewel alleen de douanebevoegdheid in het proces-verbaal van aanhouding is gerelateerd, mag niet worden uitgesloten dat de opsporingsambtenaar op andere gronden (ook) bevoegd was. Volgens de advocaat-generaal was er dan ook geen sprake van een onrechtmatige vordering tot inzage in een identiteitsbewijs. Daarom is het bewijs rechtmatig verkregen.

Oordeel van het hof

Uit het proces-verbaal van aanhouding van verdachte van 25 januari 2009, opgemaakt door (naam opsporingsambtenaar), wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee en onbezoldigd douaneambtenaar, werkzaam in het Schipholteam (dossierparagraaf 0.6) blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende.

Op 25 januari 2009 bevond genoemde ambtenaar zich in Terminal 1 Vertrek van de luchthaven Schiphol; hij was als onbezoldigd douaneambtenaar op de luchthaven belast met de bestrijding van in- en uitvoer van verdovende middelen met passagiersvluchten.

De ambtenaar observeerde twee personen en zag dat één van hen, een man (het hof begrijpt hierna: verdachte) vermoedelijk een “wegbrenger” was en de andere persoon, een vrouw, vermoedelijk een passagier was, gezien de bagage die zij bij zich had.

Hij zag dat deze personen elkaar op de wangen zoenden om afscheid van elkaar te nemen. Voorts zag hij dat verdachte zijn telefoon zodanig op de vrouw richtte dat hij vermoedelijk een foto van haar nam.

De ambtenaar zag vervolgens dat verdachte de vertrekhal verliet en naar perron 3 of 4 ging, kennelijk met de intentie de luchthaven met de trein te gaan verlaten.

Hierop sprak de ambtenaar verdachte aan en legitimeerde zich als bevoegd douaneambtenaar teneinde verdachte aan een douanecontrole te onderwerpen.

Desgevraagd overhandigde verdachte zijn nationaal paspoort van de Dominicaanse Republiek. Het paspoort was voorzien van een goedgelijkende pasfoto van verdachte. Op één van de bladzijden in het paspoort was een Griekse verblijfsvergunning aangebracht.

Hierop is het paspoort ter controle op echtheid aangeboden aan personeel van Falsificaten Schipholdesk van de Koninklijke Marechaussee, District Schiphol, waar werd geconstateerd dat de Griekse verblijfsvergunning een vals exemplaar was.

De ambtenaar heeft het paspoort aan verdachte getoond, hem de cautie gegeven en hem gevraagd of het paspoort van hem was. Toen verdachte deze vraag bevestigend beantwoordde, is hij door de opsporingsambtenaar aangehouden.

In artikel 1:34 van de Wet van 3 april 2008 tot algehele herziening van de douanewetgeving (Algemene douanewet, Staatsblad 2008, 111) is het volgende bepaald:

“Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is, indien dit voor de toepassing van de bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen of de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen te zijnen aanzien van belang kan zijn, verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identificatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.”

Uit de memorie van toelichting op genoemde wet (Algemene douanewet, TK 2005-2006, 30 580, nr. 3) blijkt ten aanzien van artikel 1:34 onder meer het volgende:

“Deze vordering wordt, naast het gegeven van de reikwijdte van deze wet in artikel 1:1 en artikel 1:2, begrensd door het gestelde in artikel 1:34 zelf, te weten dat de inzage voor de toepassing van de bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen of de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen van belang kan zijn ten aanzien van de persoon van wie inzage wordt gevorderd, maar ook door het gestelde in artikel 1:21, te weten dat de inspecteur slechts gebruik mag maken van zijn bevoegdheden voor zover dat redelijkerwijs voor de invulling van zijn controletaak nodig is.”

Hieruit blijkt, kort gezegd, dat een douaneambtenaar, die op grond van artikel 1:22 van de Algemene douanewet steeds namens de inspecteur optreedt, bevoegd is een persoon naar zijn identiteitsbewijs te vragen indien:

1. van een belang ten aanzien van die persoon is gebleken en

2. dat redelijkerwijs nodig is voor zijn controletaak, te weten toezicht op naleving van het bepaalde in de Algemene douanewet, die betrekking heeft op goederenverkeer (zie artikel 1:1, leden 2 tot en met 5 van de Algemene douanewet).

De toepassing van deze bevoegdheid van een douaneambtenaar wordt dus door deze normen begrensd en aan algemeen omschreven doelen gebonden.

Het hof is van oordeel dat uit de in het proces-verbaal van aanhouding omschreven feiten en omstandigheden niet blijkt dat is voldaan aan beide, noch aan één van beide vereisten voor de toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 1:34 Algemene douanewet.

Op grond van de bevindingen zoals gerelateerd in het proces-verbaal van aanhouding is naar het oordeel van het hof enig belang van een controle van het identiteitsbewijs van verdachte niet aannemelijk geworden. De verbalisant relateert weliswaar dat hij verdachte observeerde en hij beschrijft daarbij enkele kenmerken van verdachte maar van enige grond of aanleiding voor de observatie is niet gebleken. Desgevraagd heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat er geen sprake was van een opsporingsonderzoek en dat er gebruik is gemaakt van een algemene controlebevoegdheid, gebaseerd op de Algemene douanewet.

Evenmin valt naar het oordeel van het hof zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, in te zien dat er enige relatie is met het toezicht op het goederenverkeer, nu in het proces-verbaal verdachte wordt aangeduid als een persoon die iemand, te weten een vrouw, heeft weggebracht. Niet is gebleken van enige interesse van de douaneambtenaar voor haar persoon dan wel de goederen die zij met zich voerde. In het proces-verbaal van aanhouding ligt nog de suggestie besloten dat het zou gaan om de toepassing van controlebevoegdheden in het kader van de bestrijding van in- en uitvoer van verdovende middelen. Maar ook hiervan is in het geheel niet gebleken.

Voor zover de advocaat-generaal heeft beoogd te betogen dat de enkele omstandigheid dat via Schiphol veel verdovende middelen worden gesmokkeld reeds een controle als de onderhavige rechtvaardigt, vindt dit standpunt zijn weerlegging in de twee hiervoor aan de memorie van toelichting ontleende criteria welke de toepassing van de bevoegdheid van artikel 1:34 Algemene douanewet normeren.

Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat sprake is geweest van een willekeurige belangstelling voor een vertrekkende passagier en van haar “wegbrenger”, welke laatste op het punt stond de luchthaven te verlaten en aan wie is gevraagd om een identiteitsbewijs te tonen. Daarom bestond onvoldoende grond voor een vordering aan verdachte op de voet van de Algemene douanewet om inzage te bieden in een identiteitsbewijs.

De advocaat-generaal heeft gesteld maar niet nader toegelicht dat andere wettelijke grondslagen voor de controle bestonden. Een andere wettelijke basis waarop de controle van het identiteitsdocument mocht plaatsvinden bestond naar het oordeel van het hof echter evenmin.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Indien moet worden aangenomen dat de verbalisant handelde ter uitvoering van de algemene politietaak, geldt dat artikel 8a, eerste lid, van de Politiewet 1993 de eis stelt dat het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs, redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak. Deze eis is op grond van het derde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing op de militair van de Koninklijke marechaussee, die op de voet van artikel 6, eerste lid, onder c, van de Politiewet 1993 op de luchthaven Schiphol is belast met de politietaak. Het hof heeft in het dossier geen enkele aanwijzing aangetroffen dat ter uitvoering van deze taak inzage in het identiteitsbewijs van de verdachte nodig was.

Voor zover zou moeten worden aangenomen dat (tevens) om een identiteitsbewijs is gevraagd op grond van de Vreemdelingenwet 2000, is de slotsom niet anders.

De Vreemdelingenwet 2000 kent geen afzonderlijke bevoegdheid toe aan ambtenaren belast met vreemdelingentoezicht om inzage te vorderen van een identiteitsbewijs. Het hof veronderstelt dat de advocaat-generaal in haar impliciet gebleven standpunt mogelijk het oog heeft gehad op de bevoegdheid tot staande houding als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in het kader waarvan de toezichthoudende ambtenaar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene mag vaststellen.

Ingevolge het bepaalde in dit artikel mogen ambtenaren belast met de grensbewaking alsmede de ambtenaren belast met toezicht op vreemdelingen, personen staande houden indien er sprake is van een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf van de betrokkene dan wel ter bestrijding van illegaal verblijf ná grensoverschrijding. Ambtenaren van de Koninklijke marechaussee zijn ingevolge de artikelen 46 en 47 van de Vreemdelingenwet 2000 ook belast met deze taken. Dat echter van één van de in artikel 50 Vreemdelingenwet 2000 genoemde omstandigheden in de onderhavige zaak sprake zou zijn, is gesteld noch anderszins gebleken. De vreemdelingenwetgeving bood derhalve evenmin een wettelijke basis voor de handelwijze van de verbalisant.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het aantreffen van het valse Griekse verblijfsdocument in het paspoort van verdachte het resultaat is van een onrechtmatige paspoortcontrole.

Strikt genomen is hiermee geen strafvorderlijk voorschrift als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering geschonden nu het een vormverzuim betreft in de fase van bestuurlijke handhaving. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen onder meer in zijn arrest van

8 juli 2008 (LJN: BC5973) heeft genoemde bepaling uitsluitend betrekking op vormverzuimen die zijn opgetreden bij de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden.

Het hof is voorts van oordeel dat de onrechtmatige controle niet heeft geleid tot een aan het openbaar ministerie toe te rekenen gang van zaken waarbij aan verdachte een eerlijk proces is onthouden.

Het hof acht in dit geval bewijsuitsluiting de passende, bij het stelsel van artikel 359a Sv aansluitende, sanctie. Dit betekent dat de bevindingen zoals opgenomen in het “proces-verbaal van onderzoek aangetroffen documenten” van verbalisant (naam) van 26 januari 2009 niet voor het bewijs zullen worden gebezigd. Het hof slaat ter motivering van deze sanctie acht op de volgende factoren:

- het zeer directe causale verband tussen de geschonden voorschriften en het verkregen bewijsmateriaal;

- de onherstelbaarheid van het verzuim;

- het maatschappelijke belang van een juiste toepassing van de wettelijke instructienormen voor uitoefening van de bevoegdheid van artikel 1:34 Algemene douanewet;

- de in dit geval blijkens het dossier bestaande sterke verwevenheid tussen de uitoefening van de controletaak en de opsporing van strafbare feiten, te weten de smokkel van drugs.

Naar het oordeel van het hof is op grond van het resterende bewijs, te weten de verklaring van de verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. M.J.L. Mastboom en mr. W.M.C. Tilleman, in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 juli 2010.