Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9730

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
200.026.572/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 49b Wna is een notaris die de verklaring van erfrecht heeft opgesteld of betrokken is geweest bij het opstellen van een testament door erflater – desgevraagd - verplicht de in dat artikel bedoelde informatie te verschaffen aan iemand die gemotiveerd stelt belang te hebben bij de desbetreffende informatie. Het is niet aan de notaris te beoordelen of een door de belanghebbende gestelde vordering op de erflater enige kans van slagen heeft en de notaris mag de hier bedoelde informatie dus niet aan de belanghebbende onthouden op de grond dat er veel tijd is verstreken sinds het openvallen van de nalatenschap of dat hij twijfelt aan het bestaan van de gestelde vordering op de nalatenschap.

De in artikel 49b lid 1 Wna bedoelde informatie valt, anders dan de notaris nog heeft aangevoerd, niet onder de geheimhoudingsverplichting van de notaris. Door in gebreke te blijven de gevraagde informatie te verschaffen heeft de notaris klachtwaardig gehandeld. Het hof acht de maatregel van waarschuwing op zijn plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 22 juni 2010 in de zaak onder nummer 200.026.572/01 NOT van:

[klager],

wonende te [plaatsnaam],

APPELLANT,

tegen

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Op 13 oktober 2009 heeft het hof een tussenbeslissing gegeven in deze zaak. Voor het verloop van het geding tot deze beslissing wordt naar die tussenbeslissing verwezen. Bij die beslissing is het onderzoek in deze zaak heropend teneinde nadere inlichtingen van de notaris te verkrijgen.

1.2. Ter zitting van 10 december 2009 is [de notaris], hierna: de notaris, verschenen om te worden gehoord teneinde – zoals in de tussenbeschikking is bepaald - het hof nader in te lichten over de vraag waarom hij appellant, hierna: klager, de door deze verzochte informatie over de erfopvolging van klagers zuster en zwager niet heeft verschaft. Klager is – hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen.

2. De verdere beoordeling van de klacht

2.1. De klacht van klager houdt – kort weergegeven – in dat de notaris ten onrechte aan klager geen inlichtingen heeft willen verstrekken over de gerechtigden tot de nalatenschappen van klagers zuster [zuster] en zwager [zwager]. Klager stelt dat hij een vordering van € 36.000,-- heeft op (de erven van) [zwager].

2.2. In zijn verweerschrift en ook ter terechtzitting heeft de notaris aangegeven,dat voor hem de belangrijkste redenen om de door klager gevraagde informatie over de erfopvolging niet te verschaffen waren gelegen in het feit,dat er een te lange tijd was verstreken sinds het overlijden van klagers moeder (in 1987), klagers zuster (in 1999) en zwager (in 2001) en het moment waarop klager zijn gepretendeerde vordering wilde geldend maken en in het feit dat hij sterk twijfelde aan de gegrondheid van de door klager gepretendeerde vordering. Het hof overweegt als volgt.

2.3. Artikel 49b lid 1 van de Wet op het Notarisambt, hierna: Wna, luidt:

“1. De notaris geeft van zijn tot zijn protocol behorende verklaringen van erfrecht desverlangd afschriften uit aan degenen die daarbij belang hebben in verband met een rechtsverhouding waarin zij tot de erflater stonden. Eveneens geeft de notaris van tot zijn protocol behorende notariële akten, houdende uiterste wilsbeschikkingen, desverlangd uittreksels uit aan personen als bedoeld in de eerste zin, doch alleen voor wat betreft dat gedeelte van de akte dat betrekking heeft op feiten als bedoeld in artikel 188 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.”.

2.4. Op grond van dit artikel is een notaris die de verklaring van erfrecht heeft opgesteld of betrokken is geweest bij het opstellen van een testament door erflater – desgevraagd - verplicht de in dat artikel bedoelde informatie te verschaffen aan iemand die gemotiveerd stelt belang te hebben bij de desbetreffende informatie. Het is niet aan de notaris te beoordelen of een door de belanghebbende gestelde vordering op de erflater enige kans van slagen heeft en de notaris mag de hier bedoelde informatie dus niet aan de belanghebbende onthouden op de grond dat er veel tijd is verstreken sinds het openvallen van de nalatenschap of dat hij twijfelt aan het bestaan van de gestelde vordering op de nalatenschap. De notaris mocht dus niet volstaan met de mededeling aan klager dat hij noch een ander familielid als erfgenaam of legataris is aangewezen en dat hij klagers vordering aan de erfgenamen zou voorleggen. Hij had klager moeten vermelden wie de erfgenamen van Loot en zijn echtgenote waren nu de verklaringen van erfrecht van hen kennelijk tot zijn protocol behoorden. De in artikel 49b lid 1 Wna bedoelde informatie valt, anders dan de notaris nog heeft aangevoerd, niet onder de geheimhoudingsverplichting van de notaris. Door in gebreke te blijven de gevraagde informatie te verschaffen heeft de notaris klachtwaardig gehandeld. De klacht is gegrond. Het hof acht na te melden maatregel op zijn plaats.

2.5. De beslissing van de kamer kan niet in stand blijven, aangezien het hof tot een andere beslissing is gekomen dan de kamer.

2.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

2.7. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing waarvan beroep, en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.M.A. Verscheure en A.H.N. Stollenwerck en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 juni 2010 door de rolraadsheer.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 13 oktober 2009 in de zaak onder nummer 200.026.572/01 NOT van:

[KLAGER],

wonende te [plaatsnaam],

APPELLANT,

tegen

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof is op 3 maart 2009 van de zijde van appellant, hierna klager, een verzoekschrift met bijlagen ingekomen, waarbij klager tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Hertogenbosch, hierna de kamer, van 19 februari 2009, waarbij de kamer de klacht tegen geïntimeerde, hierna de notaris, ongegrond heeft verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is per faxbericht op 15 juni 2009 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van klager is op 23 juni 2009 een aanvullend beroepschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. Per emailbericht gedateerd 21 juli 2009 heeft klager het hof verzocht de klacht schriftelijk af te doen. De notaris heeft zich bij brief, ingekomen 4 augustus 2009 ter griffie van het hof, akkoord verklaard met dat verzoek.

1.5. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2009.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. De beoordeling van de klacht

4.1. Dee vraag is naar voren gekomen waarom de notaris klager niet nader heeft geïnformeerd met betrekking tot de personalia van de erfgenamen. Het had op de weg van de notaris gelegen klager hieromtrent mededeling te doen, bezien in het licht van artikel 4 : 186 lid 2 BW. De strekking van dit artikel - in samenhang met artikel 49b Wet op het notarisambt - is immers dat derden door raadpleging van het boedelregister bij de bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken notaris of boedelnotaris kunnen nagaan wie de erfgenamen van een erflater zijn, wiens persoon zij in het rechtsverkeer voortzetten. De betrokken notaris of boedelnotaris is derhalve verplicht belanghebbenden desgevraagd informatie te verschaffen over de erfopvolging.

Nu de notaris deze door klager verzochte informatie niet heeft verschaft, zal het hof de notaris in de gelegenheid stellen het hof hieromtrent nader in te lichten. Het hof zal derhalve het onderzoek heropenen ten einde de notaris te horen. Klager kan – indien hij zulks wenst – bij dat verhoor aanwezig zijn.

4.2. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

Het hof:

- heropent het onderzoek en schorst het;

- roept de notaris op te verschijnen ter terechtzitting van de Tweede Burgerlijke Kamer van het Gerechtshof, waarvan de behandeling gehouden zal worden in een der zalen van het paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam, op donderdag 12 november 2009 te 9.30 uur;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.M.A. Verscheure en A.H.N. Stollenwerck en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 13 oktober 2009 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT 's-HERTOGENBOSCH

heeft de beslissing gegeven op de klacht van de heer [klager], hierna te noemen klager, tegen [de notaris], notaris te [plaatsnaam], hierna te noemen de notaris.

1. De procedure

1.1. Klager heeft een klacht geformuleerd tegen de notaris. De kamer van toezicht heeft deze klacht op 20 juni 2008 ontvangen.

1.2. De notaris heeft niet gereageerd.

1.3. Op 6 augustus 2008 heeft de notaris een gesprek gehad met de plaatsvervangend voorzitter van de kamer.

1.4. Ondanks de mondelinge toezegging van de notaris aan de plaatsvervangend voorzitter om vóór het eind augustus 2008 met een oplossing te komen aangaande de klacht, heeft de notaris niet gereageerd.

1.5. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft de zaak verwezen naar de volle kamer.

1.6. De kamer van toezicht heeft de klacht behandeld ter openbare vergadering van 15 januari 2009. De notaris is verschenen. Klager is niet verschenen.

2. De feiten

2.1 Op 14 augustus 1999 is mevrouw [zuster klager] overleden. Sinds 24 juli 2006 correspondeert klager met de notaris.

3. De klacht en het verweer daartegen

3.1. Klager stelt, zakelijk weergegeven, het navolgende.

Klager heeft een claim ingediend van € 36.000,- met betrekking tot de nalatenschap van zijn zwager. Klager krijgt geen informatie van de notaris. Het enige dat de notaris op 8 februari 2008 heeft laten weten is dat de claim is voorgelegd aan de erfgenamen.

3.2. De notaris stelt tijdens de behandeling van deze klacht, zakelijk weergegeven, het navolgende.

De notaris heeft aan klager laten weten dat hij een onderbouwing van zijn vordering moest sturen, dan zou de hij de vordering aan de erfgenamen voorleggen. De notaris heeft in juli 2006 de eerste brief van klager ontvangen en in augustus 2006 de tweede brief. In september 2006 heeft de notaris geantwoord. In oktober 2007 heeft de notaris aan klager laten weten dat hij zijn claim dient te onderbouwen en dat heeft klager een paar weken later gedaan. In 2008 is deze claim aan de erfgenamen voorgelegd. Tussentijds heeft de notaris contact gehad met klager. De notaris heeft klager laten weten dat klager geen recht heeft op inzage in het testament.

4. De beoordeling

4.1. Nu klager zonder bericht niet is verschenen, heeft hij zijn klacht niet meer kunnen toelichten/nader onderbouwen noch kunnen ingaan op het verweer van de notaris. De kamer concludeert dat niet weersproken is dat er zowel schriftelijk als ook telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen de notaris en klager. De kamer is van oordeel dat de notaris heeft voldaan aan zijn zorgplicht op grond van het bepaalde in artikel 17, lid 1 Wet op het notarisambt. Dit leidt tot ongegrondverklaring van de klacht.

5. De beslissing

De kamer van toezicht:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven te 's-Hertogenbosch door mr. S.J.G.N.M. Willard, plaatsvervangend voorzitter,

mrs. P.G.Th. Lindeman-Verhaar, M.H.G. Giesbers, J.L.G.M. Mertens en J.J.G.M. Kuijpers leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2009, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.