Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9243

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
200.040.628/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen doorbreking rechtsmiddelenverbod artikel 616 lid 4 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 februari 2010

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.J. Haasjes, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de rechtspersoon naar het recht van de Britse

Maagdeneilenaden

INTERNATIONAL STRATEGIES GROUP LTD,

gevestigd op de Britse Maagdeneilanden,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. C. de Bres, kantoorhoudende te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna ABN en ISG genoemd.

Bij beroepschrift ingekomen ter griffie van het hof op 19 augustus 2009 is ABN in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 juni 2009, van de rechtbank Amsterdam (verder: de rechtbank), in deze zaak onder zaak/rekestnummer 417019 / HA RK 09-9 gewezen tussen ISG als verzoekster en ABN als verweerster.

ABN heeft bij beroepschrift twee grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, ISG niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen, met veroordeling van ISG in de kosten van beide instanties.

Op 12 oktober 2009 is ter griffie van het hof een verweerschrift van ISG ingekomen, dat kort gezegd strekt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking met veroordeling van ABN in de kosten van het hoger beroep.

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Deze mondelinge behandeling was – zoals het hof tevoren aan partijen had meegedeeld – vooralsnog beperkt tot de vraag of het appelverbod zou kunnen worden doorbroken. Bij die gelegenheid heeft ABN haar standpunt doen toelichten door mr. Haasjes, voornoemd en mr. B.F.L.M. Schim, advocaat te Amsterdam. Namens ISG heeft mr. De Bres, voornoemd, het woord gevoerd. De advocaten en partijen hebben voorts inlichtingen verschaft naar aanleiding van vragen van het hof. Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en meegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan.

2. Beoordeling

2.1. Het gaat in deze zaak, voor zover thans van belang, om het volgende. Tussen partijen is een procedure aanhangig bij de rechtbank te Amsterdam met zaak/rolnummer 403769 / HA ZA 08-2079 waarin ISG eiser is en ABN gedaagde. Bij tussenvonnis van 10 december 2008 in die procedure heeft de rechtbank op verzoek van ABN bepaald dat ISG zekerheid dient te stellen voor de betaling van de proceskosten waartoe zij veroordeeld zou kunnen worden, door het stellen van een bankgarantie ten behoeve van ABN voor een bedrag van € 20.839,--. Daarbij is tevens bepaald dat ISG de bankgarantie binnen vier weken na het vonnis, derhalve uiterlijk op 7 januari 2009, dient te stellen.

2.2 ISG heeft twee dagen voor het aflopen van deze termijn, derhalve op 5 januari 2009, op de voet van artikel 616 lid 4 Rv. een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend strekkende tot verlenging van de genoemde termijn tot 21 januari 2009. Bij nader verzoekschrift van 17 april 2009, heeft ISG haar verzoek met een beroep op artikel 283 Rv. gewijzigd in die zin dat de termijn in het tussenvonnis wordt verlengd tot 10 maart 2009, de datum waarop de bankgarantie inmiddels was gesteld. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking het verzoek van ISG tot verlenging van de termijn tot 10 maart 2009 toegewezen. ABN komt in deze procedure op tegen die beslissing.

2.3 Voorop dient te worden gesteld dat gelet op het bepaalde in artikel 616 lid 4 Rv. tegen beschikkingen krachtens die bepaling geen hogere voorziening openstaat. Dit appelverbod kan doorbroken worden. Uitgangspunt daarbij is dat, indien de wet een hogere voorziening tegen een krachtens een bepaald wetsartikel gegeven beschikking niet toelaat teneinde iedere discussie over de wijze waarop de rechter van zijn aan dat artikel ontleende bevoegdheid heeft gebruik gemaakt uit te sluiten, dit nog niet meebrengt dat een hogere voorziening evenmin is toegelaten voor zover erover wordt geklaagd dat het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen is toegepast, of ten onrechte buiten toepassing is gelaten (HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242). In die gevallen is derhalve doorbreking mogelijk.

2.4 ISG bepleit, naar analogie van de beslissing van de Hoge Raad over het rechtsmiddelenverbod ten aanzien van beslissingen over de toelaatbaarheid van een eisverandering of -vermeerdering (HR 28 mei 1999, NJ 2000, 220), dat, gelet op de aard van de beslissing, geen ruimte is voor doorbreking van het rechtsmiddelen verbod als bedoeld in artikel 616 lid 4 Rv. De Hoge Raad heeft in het genoemde arrest zijn beslissing als volgt gemotiveerd:

Daarbij is doorslaggevend de aard van de beslissing waarom het hier gaat. De beslissing [over de toelaatbaarheid van een eisverandering of -vermeerdering, toevoeging hof] wordt vooreerst daardoor gekenmerkt dat het gaat om een marginale toetsing: de rolrechter toetst immers - desgevraagd - enkel of de voorgenomen wijziging van eis de verdediging onredelijk bemoeilijkt of het geding onredelijk vertraagt. Voorts is de beslissing niet definitief: zij ontneemt eiser in de regel geen rechten. In beginsel kan eiser in een later stadium van het geding zijn eis immers wederom wijzigen dan wel de gewijzigde eis in een nieuw geding aan de rechter voorleggen.

Deze argumenten gelden niet (in dezelfde mate) voor een beslissing als bedoeld in artikel 616 lid 4 Rv. Van een marginale toetsing is geen sprake, terwijl afwijzing van een verzoek tot verlenging van een bepaalde termijn waarbinnen zekerheid moet worden gesteld, leidt tot niet ontvankelijkheid van de desbetreffende partij in de bodemzaak indien de zekerheid niet binnen de aanvankelijke termijn is gesteld. In zoverre heeft een dergelijke beslissing verstrekkender gevolgen dan een beslissing over de toelaatbaarheid van een eisverandering of –vermeerdering; laatstbedoelde beslissing doet immers geen afbreuk aan de oorspronkelijk ingestelde vordering. Het hof acht daarom onvoldoende grond aanwezig voor de door ISG bepleitte analogie.

2.5 ABN legt aan haar stelling dat hoger beroep in deze zaak mogelijk is allereerst ten grondslag dat de rechtbank bij de verlenging tot 10 maart 2009 ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 616 lid 4 Rv. besloten liggende regel dat de verlenging van de termijn voor zekerheidstelling niet mogelijk is na het verstrijken van die termijn. Daarnaast stelt ABN dat de rechtbank artikel 283 Rv. ten onrechte heeft toegepast.

2.6 Het hof is van oordeel dat het op 17 april 2009 ingediende verzoek, waarmee verlenging tot 10 maart 2009 werd beoogd, geen nieuw verzoek uit hoofde van artikel 616 lid 4 Rv. was doch een op artikel 283 Rv. gebaseerde verandering van het eerdere verlengingsverzoek, op welk verlengingsverzoek de rechtbank nog geen eindbeschikking had gegeven. Tegen deze verandering had ABN, gelet op het bepaalde in artikel 283 juncto artikel 130 lid 1 Rv., bezwaar kunnen maken. Uit dit oordeel volgt dat de rechtbank artikel 616 lid 4 Rv. terecht heeft toegepast voor zover het betreft het op 5 januari 2009 ingediende verlengingsverzoek, terwijl de rechtbank op de verandering van dat verzoek bij nader verzoekschrift van 17 april 2009 terecht niet laatstgenoemde bepaling doch artikel 283 Rv. toepaste.

2.7 De klacht van ABN dat de rechtbank vervolgens op de voet van art. 283 Rv. heeft geoordeeld dat ISG tijdig, te weten voordat een eindbeschikking werd gegeven, haar verzoek heeft veranderd in die zin dat de termijn zou worden verlengd tot 10 maart 2009, houdt niet in dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van art. 616 lid 4 Rv. is getreden, maar slechts dat die bepaling onjuist zou zijn toegepast. Dat laatste is geen grond voor doorbreking van het appelverbod. Voor zover ABN heeft willen betogen dat artikel 283 Rv. in het geheel niet van toepassing is op verzoeken in het kader van artikel 616 lid 4 Rv., is die stelling evenmin grond voor doorbreking van het appelverbod en overigens onjuist.

2.8 De slotsom is derhalve dat in deze zaak geen sprake kan zijn van doorbreking van het appelverbod, zodat het door ABN ingestelde hoger beroep wordt verworpen.

3. Beslissing

Het hof:

verwerpt het beroep;

veroordeelt ABN tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep tot op heden begroot op € 313,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.L. Broekhuijzen-Molenaar, G.C. Makkink en J.C. Toorman, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2010.