Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8378

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
23-003544-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2007:BA5188, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot 8 jaren onv. gevangenisstraf voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, telkens indringend en dreigend (doen) ondervragen en toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (doorboren van knieschijven en breken van ribben) waardoor stress is opgebouwd tengevolge waarvan het slachtoffer is overleden alsmede aanwezig hebben en vervoeren van een partij hashiesh.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003544-07

datum uitspraak: 18 juni 2010

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 15 mei 2007 in de strafzaak onder parketnummer 14-810165-06 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [land].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 17 juli 2006, 9 oktober 2006, 18 december 2006, 1 maart 2007, 17 april 2007 en 1 mei 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 23 september 2008, 18 mei 2009, 27 oktober 2009, 1 juni 2010 en 4 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de gemachtigde raadsman van de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 januari 2005 tot en met 21 januari 2005 in de gemeente Roosendaal en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [E], opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meer door[ge]boorde knieschij(f)(ven) en/of twee, althans een ribbreuk[en]) heeft toegebracht, door die [E] opzettelijk (met een boor[machine]) in de knie[ën] te boren en/of de rib(ben) te breken, terwijl dat feit (direct of indirect) de dood van die [E] ten gevolge heeft gehad;

Feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 januari 2005 tot en met 21 januari 2005 in de gemeente(n) Eemnes en/of Haarlemmermeer en/of Roosendaal en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [E] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [E] naar restaurant De Witte Bergen (in de gemeente Eemnes) laten komen en/of

- die [E] (tegen diens wil) meegenomen en/of gebracht naar (het parkeerterrein van) brugrestaurant "La Place" (in de gemeente Haarlemmermeer) en/of

- die [E] (aldaar) (tegen diens wil) in een auto laten plaatsnemen en/of

- die [E] (tegen diens wil) vervoerd/gebracht naar een woning in Roosendaal en/of

- die [E] (tegen diens wil) in die woning (aan de [adres]) vastgehouden en/of

- (aldus) voor die wederrechtelijke vrijheidsberoving een plaats verschaft en/of

- die [E] (meermalen) bedreigd/gedreigd met (een) hond(en) en/of (een) honkbalknuppel(s) en/of

- die [E] (meermalen) gemarteld en/of zwaar mishandeld door die [E] vast te binden en/of twee ribbreuken en/of door[ge]boorde knieschijven te bezorgen en/of

- geen poging(en) ondernomen die [E] te bevrijden en/of nagelaten de politie te waarschuwen en/of aldus voor die [E] een overmacht gecreëerd, hetgeen (direct of indirect) de dood van die [E], althans zwaar lichamelijk letsel van die [E] ten gevolge heeft gehad;

Feit 3

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 januari 2005 in de gemeente(n) Schagen en/of Enkhuizen en/of Hoorn en/of Wieringermeer en/of Amsterdam en/of Zaandam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [E] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk (dreigend)

- tegen die [E] gezegd dat: "[E] (onmiddellijk) naar Angel Place (het clubhuis van de Hells Angels te Amsterdam) moest komen, anders zouden ze vanavond naar hem toe bij zijn dochter thuis komen", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- sms-berichten gezonden aan die [E] (die in onderling verband en in samenhang met de feiten en omstandigheden rond de verdwenen partij hash en de veronderstelde rol van die [E] daarbij als bedreigend kunnen worden aangemerkt) en/of

- die [E] (via [M]) de woorden toegevoegd: "Ik weet waar [E] woont, ik ga er naar toe en dan breek ik zijn benen, dan zal ie wel vertellen waar het ligt", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

Subsidiair

[S] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 januari 2005 in de gemeente(n) Schagen en/of Enkhuizen en/of Hoorn en/of Wieringermeer en/of Amsterdam en/of Zaandam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [E] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft die [S] opzettelijk (dreigend)

- tegen die [E] gezegd dat: "[E] (onmiddellijk) naar Angel Place (het clubhuis van de Hells Angels te Amsterdam) moest komen, anders zouden ze vanavond naar hem toe bij zijn dochter thuis komen", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking en/of

- sms-berichten gezonden aan die [E] (die in onderling verband en in samenhang met de feiten en omstandigheden rond de verdwenen partij hash en de veronderstelde rol van die [E] daarbij als bedreigend kunnen worden aangemerkt) en/of

- die [E] (via [M]) de woorden toegevoegd: "Ik weet waar [E] woont, ik ga er naar toe en dan breek ik zijn benen, dan zal ie wel vertellen waar het ligt, althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door op een of meer tijdstip(pen) in en/of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 januari 2005 in de gemeente(n) Schagen en/of Enkhuizen en/of Hoorn en/of Wieringermeer en/of Amsterdam en/of Zaandam en/of elders in Nederland

- (meermalen) telefonisch contact te hebben en/of een ontmoeting te regelen tussen die [E] en/of zichzelf en/of [M] en/of [HA] en/of [S] en/of [RK] en/of [HK] en/of [KE] en/of een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) in de veronderstelling verkeerde(n) dat die [E] een partij hash had weggenomen/gestolen, welke partij hij/zij wilde(n) achterhalen/terugkrijgen) en/of

- tijdens een ontmoeting met [E] (bij de MacDonalds te Hoorn) (een briefje met daarop) een telefoonnummer aan die [E] te overhandigen en/of die [E] mede te delen dat hij met dat nummer alleen kon sms’en;

Feit 4

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 31 december 2004 te Mijdrecht, in de gemeente De Ronde Venen en/of te Nibbixwoud, gemeente Wognum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

ongeveer 3000, althans 2000 kilogram, in elk geval een (grote handels-) hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,

hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s) die (uit Marokko afkomstige) hoeveelheid hasjiesj heeft/hebben opgehaald in Mijdrecht en/of heeft/hebben vervoerd naar Nibbixwoud en/of voor opslag en/of aflevering heeft/hebben ondergebracht en verborgen in een of meer loods(en) te Nibbixwoud (aan De Wijzend en/of Het Ganker)

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 31 december 2004 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen en/of te Nibbixwoud, gemeente Wognum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3000, althans 2000 kilogram, in elk geval een (grote handels-) hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving, zoals onder 2 ten laste is gelegd, (direct of indirect) de dood van [E], althans zwaar lichamelijk letsel van die [E] ten gevolge heeft gehad. Immers, uit de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden afgeleid dat tussen de ten laste gelegde vrijheidsberoving en de dood, althans het zwaar lichamelijk letsel van die [E], een zodanig verband heeft bestaan dat de dood, althans het zwaar lichamelijk letsel, redelijkerwijs als gevolg van die vrijheidsberoving aan de verdachte kan worden toegerekend.

Naar het oordeel van het hof is voorts niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ander dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken niet kan volgen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [E] nu niet kan worden bewezen dat er in dit opzicht sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [S].

Besperking van gevoerde verweren en nadere overwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat de verklaring die [B] met betrekking tot het transport van Mijdrecht naar Nibbixwoud heeft afgelegd (feit 4) niet tot het bewijs kan dienen, nu deze verklaring evidente onjuistheden bevat en om die reden niet betrouwbaar is.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof acht de verklaringen van [B] voornoemd met betrekking tot het transport van Mijdrecht naar Nibbixwoud voldoende consistent en betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. De verklaringen komen op wezenlijke onderdelen overeen met de verklaringen van [G] en [M] en vinden daarnaast steun in overige bewijsmiddelen, waaronder ook die van de verdachte. [B] heeft verklaard dat de verdachte hem had gevraagd om samen met [G] een vrachtje op te halen in Mijdrecht en dat hij daarna met de verdachte is teruggereden naar Nibbixwoud. [G] kwam toen met de vrachtauto. [B] schat dat het om 3,5 à 4 ton hasj ging.

[G] heeft verklaard dat [B] rond half december 2004 bij hem langskwam om een grote partij voor de verdachte van a naar b te vervoeren. In Rick’s Brugrestaurant trof hij de verdachte aan en die zei toen tegen hem dat hij niet mocht weten waar de hasj werd overgeladen.

[M] heeft verklaard dat de verdachte er voor zou zorgen dat er begin 2004 hasj naar Nederland zou komen. [M] zou het dan opslaan. Op de laatste donderdag voor Kerstmis (het hof begrijpt: in 2004) zag hij een grote witte vrachtauto aankomen. Terwijl hij op de vorkheftruck bezig was om de partij hasj uit de vrachtwagen te halen, kwam de verdachte aanrijden. Het ging om vijf pallets hasj, geschat op circa 3000 kilo. De verdachte vertrok daarna richting Schiphol, want hij ging op vakantie naar Brazilië. Bij de rechter-commissaris heeft [M] op 28 november 2006 verklaard dat de 2000 kilo hasj, wat ook 3000 kilo kan zijn geweest, lag opgeslagen in zijn loods in Nibbixwoud. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 17 april 2007 verklaard dat hij op 17 december 2004 in Mijdrecht is geweest en dat [B] de weg wist naar Mijdrecht. De verdachte heeft ook verklaard dat hij had gehoord dat er een partij hasj weg was. Aanvullend verklaart hij dat hij op 31 december 2004 vanuit Brazilië terugkwam in Nederland omdat er problemen waren in Nederland. De verdachte was inderdaad op 17 december 2004 naar Brazilië vertrokken. Het hof slaat mitsdien ten behoeve van het bewijs acht op bovenstaande verklaringen in onderling verband en samenhang nu deze elkaar op essentiële punten bevestigen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Voorts heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verklaringen die [IS] heeft afgelegd niet tot het bewijs van het aan de verdachte onder feit 1 en 2 ten laste gelegde kunnen dienen, nu ook deze verklaringen evidente onjuistheden bevatten en om die reden niet betrouwbaar zijn. De verklaringen van de getuigen [D] en [B] zijn onderling op enkele punten eveneens aantoonbaar onjuist of strijdig met voornoemde verklaringen van [IS] en dienen eveneens als onbetrouwbaar te worden gekwalificeerd. Als gevolg hiervan dienen de verklaringen van [IS], [D] en [B] naar de mening van de raadsman van het bewijs te worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof houdt de getuige [IS] aan zijn verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd. Het hof acht voorts de verklaringen van [IS], alsmede de verklaringen van [D] en [B] voldoende consistent om voor het bewijs gebezigd te kunnen worden. De verklaringen van [IS] over het gebeurde en met name over de betrokkenheid van de verdachte, worden in grote mate gesteund door de verklaringen van [D] en [B]. Hetgeen de raadsman heeft gesteld ter weerlegging van de betrouwbaarheid van deze getuigen is onvoldoende om dit aannemelijk te maken. Het enkele feit dat de verklaring van [IS] op enkele details niet overeenkomt met de verklaringen van de getuigen [D] en [B] maakt deze verklaringen naar het oordeel van het hof onbetrouwbaar noch onbruikbaar voor het bewijs. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Feit 1 en 2

De raadsman van de verdachte heeft voorts aangevoerd dat de verdachte niet betrokken is geweest bij het hem onder feit 1 en 2 tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken van het dossier is gebleken dat aangeefster [HM] op 16 januari 2005 heeft aangegeven dat het latere slachtoffer [E] vanaf 13 januari 2005 werd vermist. Voorts is komen vast te staan dat de vermissing van [E] is geëindigd op 21 januari 2005 toen diens levenloze lichaam werd gevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij op 17 december 2004 naar Mijdrecht is gereden. [B] heeft gesteld dat de verdachte hem had gevraagd om samen met [G] een vrachtje op te halen in Mijdrecht. [B] is daarna samen met de verdachte vanuit Mijdrecht teruggereden naar Nibbixwoud. [G] kwam met een vrachtauto in Mijdrecht en heeft verklaard dat hij daar was, omdat hij een grote partij voor de verdachte moest vervoeren.

[B] schat vervolgens dat het om 3,5 à 4 ton hasj ging. De verdachte is vervolgens naar Brazilië vertrokken, hetgeen door de getuige [M] is bevestigd daar hij stelt dat hij voor Kerstmis (het hof begrijpt: in 2004) vijf pallets hasj voor de verdachte heeft opgeslagen, waarna de verdachte op vakantie is gegaan. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij in Brazilië via de telefoon van [RK] had vernomen dat er een partij hasj was verdwenen. Hierop is de verdachte op 31 december 2004 terug naar Nederland gekomen, omdat hij zich, naar eigen zeggen, verantwoordelijk voelde voor die spullen.

De verdachte verklaart dat hij hierop aan de slag is gegaan om de gestolen partij terug te vinden. In de daaropvolgende periode vinden verschillende besprekingen plaats. Zo wordt [M] begin januari 2005 door de verdachte gebeld met de mededeling dat hij naar Enkhuizen moet komen. [M] vertrekt hierop met zijn vrouw naar het huis van de verdachte in Enkhuizen. In Enkhuizen hoort [M] een Nederlandse man van rond de 30 jaar met kort gemillimeterd haar zeggen dat hij het ontdekt heeft en dat hij weet waar [P] (het hof begrijpt: [E]) woont. Voorts zegt de man dat hij naar hem toe zal gaan en dat hij zijn benen zal breken, zodat hij dan wel gaat vertellen waar het ligt. Vervolgens wordt [M] op 13 januari 2005 door [RK] en de verdachte opgehaald om voor een bespreking naar de Ikea in Amsterdam te gaan, aldaar is [HK] ook ingestapt. Hierna vertrekken ze naar Rick’s Brugrestaurant alwaar het latere slachtoffer [E] zich bij de hen voegt. Kort daarop stappen [E], [RK], [HK], [M] en de verdachte in een auto en vertrekken naar Roosendaal. Als [M] aan de verdachte vraagt wat de bedoeling is, verklaart de verdachte dat de troep vanavond voor 18 uur boven water moet komen, omdat er anders doden zullen vallen. Ook stelt de verdachte dat die Marokkanen wel eens een boortol op je knieën zetten. [M] verklaart dat hij achter in de auto plaats moest nemen en dat een Marokkaan naast hem kwam zitten en dat de verdachte aan de andere kant van hem instapte. Hij stelt dat het voelde alsof hij twee bewakers naast zich had zitten. Hij voelde zich beroerd en wilde vluchten. Dit deed hij niet aangezien dat kon worden uitgelegd als een schuldbekentenis. Ook hoort [M] dat de verdachte aan [E] vraagt of hij echt niet weet waar die partij is, want ze konden nu nog omdraaien en dan was alles geregeld.

Eenmaal aangekomen in Roosendaal rijden ze naar een woning, die zich in een doodlopende steeg bevindt. [M] stelt dat ze met een auto via een rolluik de woning binnen moesten komen en dat hij dacht dat dit het einde van het verhaal zou zijn en dat hij niet meer terug zou komen. In deze woning werden [E], [M] en de verdachte door een aantal Marokkanen ondervraagd, onder wie [RK] en [HK] en [HA]. [M] verklaart dat [E] en hij veel indringender werden ondervraagd dan de verdachte. De toon was veel harder en de manier waarop er ondervraagd werd, was veel heftiger dan wanneer er een vraag aan de verdachte werd gesteld. Er werd niet gedreigd in de richting van de verdachte. Op een gegeven moment werd [M] weggeroepen en is hij samen met [HK] vertrokken uit de woning.

Enkele dagen daarna spreekt [M] via de telefoon met de verdachte en hoort hij van de verdachte dat deze tot dinsdagavond heeft vastgezeten en dat hij toen door [RK] naar huis is gebracht. Ook begreep [M] van de verdachte dat [E] nog vastzat in Roosendaal en dat hij inmiddels al een paar klappen had gekregen.

[M] stelt dat hij het gevoel had dat de omgang tussen de verdachte en de Marokkanen vriendschappelijk was en dat het voelde alsof de indruk moest worden gewekt dat de ondervraging richting de verdachte bij het spel hoorde. Tevens heeft de verdachte verklaard dat hij in de dagen nadat hij was vrijgelaten nog tweemaal met [RK] terug is gegaan naar Roosendaal. Toen enige tijd later het levenloze lichaam van [E] werd gevonden, sprak [M] wederom met de verdachte. De verdachte zei toen tegen hem dat het per ongeluk was gegaan en dat het niet de bedoeling was. [M] vult dit later nog aan door te verklaren dat de verdachte zei dat ze het niet goed hadden gedaan en dat het niet goed is gegaan. Ook andere personen verklaren dat zij met de verdachte over de dood van [E] hebben gesproken. [B] verklaart dat de verdachte tegen hem had gezegd opdracht te hebben gegeven, hij moest een goed pak slaag hebben, maar ze hebben [E] verkeerd geraakt. [IS] verklaart dat de verdachte vertelde dat hij met een stel anderen [E] heeft opgehaald, gekneveld en vermoord. Voorts verklaart [L] dat de verdachte zei dat ze al hadden afgerekend met [E].

[D] verklaart tenslotte dat de verdachte had verteld dat hij iemand in zijn knieën had geboord, dat ze [E] op een stoel hadden vastgebonden en dat de politie hem niet kon pakken voor de moord, omdat [E] een hartstilstand had gekregen.

Het hof stelt vast dat op grond van het bovenstaande is gebleken dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders [E] vanaf Rick’s Brugrestaurant naar Roosendaal heeft gebracht en hem daar heeft vastgehouden en ondervraagd. De verdachte wist dat [E] in de woning in Roosendaal moest blijven, ook nadat hijzelf volgens zijn eigen verklaring is weggegaan. Voorts is de verdachte nog twee keer teruggegaan naar Roosendaal en heeft toen geen enkele poging ondernomen om [E] te bevrijden. Hij heeft nagelaten de politie in kennis te stellen van hetgeen zich in de woning afspeelde en heeft derhalve samen met zijn mededaders een overmacht gecreëerd en met zijn mededaders bewust samengewerkt aan het doen voortduren van de vrijheidsberoving. Uit de verklaring van de medeverdachte [EK] blijkt dat het slachtoffer in de woning in Roosendaal is overleden nu hij heeft verklaard dat hij het levenloze lichaam van [E], liggend in de woning met de handen op de rug gebonden, heeft zien liggen.

Uit het sectierapport van het NFI van 22 april 2005, opgemaakt door patholoog [GI], blijkt dat bij onderzoek van de urine op catecholamines aanwijzingen werden verkregen voor een periode van stress voorafgaande aan het overlijden van [E]. Bij de sectie op het lichaam zijn voorts twee ribbreuken bij het slachtoffer geconstateerd en aan en rond beide knieën kleine ronde gaatjes waarvan enige toegang gaven tot een kanaal, onder meer door beide knieschijven. Tevens heeft de patholoog verklaard dat de wijze van lijkbezorging niet wijst op een onverdachte dood. Het hof deelt deze zienswijze.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden acht het hof het aannemelijk geworden dat de dood van [E] het gevolg is geweest van het aan de verdachte onder feit 1 tenlastegelegde en dat de verdachte als medepleger van het onder feit 2 tenlaste gelegde kan worden aangemerkt.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij in de periode van 13 januari 2005 tot en met 21 januari 2005 in de gemeente Roosendaal, tezamen en in vereniging met anderen, aan [E], opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meer doorboorde knieschijven en twee, ribbreuken) heeft toegebracht, door die [E] opzettelijk in de knieën te boren en de ribben te breken, terwijl dat feit (direct of indirect) de dood van die [E] ten gevolge heeft gehad;

Ten aanzien van feit 2:

hij in de periode van 13 januari 2005 tot en met 21 januari 2005 in de gemeente Roosendaal en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [E] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden

immers heeft/hebben verdachte en zijn mededaders(s)

- die [E] in een auto laten plaatsnemen en

- die [E] vervoerd naar een woning in Roosendaal en

- die [E] tegen diens wil in die woning aan de [adres] vastgehouden en

voor die wederrechtelijke vrijheidsberoving een plaats verschaft;

Ten aanzien van feit 4:

hij in december 2004 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen en te Nibbixwoud, gemeente Wognum, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.

Hetgeen onder feit 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde

medeplegen van zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van het onder feit 4 bewezen verklaarde

de eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder feit 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tezamen met anderen een grote partij hasjiesj opgeslagen in een loods in Nibbixwoud. Een deel van de partij is uit de loods verdwenen en daar moest een schuldige voor worden gevonden. Het oog viel daarbij op [E], omdat deze bij [M] had geïnformeerd naar de partij. De verdachte en zijn mededaders hebben vanaf begin januari 2005 de druk op [E] opgevoerd om hem te laten toegeven dat hij de partij had gestolen. Het slachtoffer is op 13 januari 2005 meegenomen naar Roosendaal en in een huis opgesloten, waar hij uiteindelijk is overleden. Uit het schouwverslag en het sectierapport van het NFI is gebleken dat de armen van het slachtoffer op zijn rug zijn vastgebonden, dat er gaatjes in zijn knieën zijn geboord en dat er twee ribben zijn gebroken. Nadat hij aldaar was overleden, is hij, geheel ingepakt in plastic, getransporteerd en ten slotte voor oud vuil achtergelaten op een bouwterrein.

Dit zijn schokkende en weerzinwekkende gebeurtenissen. De onverwachte en gewelddadige dood van het slachtoffer laat diepe sporen na in het leven van de nabestaanden en andere mensen in de omgeving van het slachtoffer. Hoewel het hof, gelijk de rechtbank, wil aannemen dat het niet de bedoeling was om [E] om het leven te brengen, houdt het hof de verdachte medeverantwoordelijk voor de vrijheidsberoving en de zware mishandeling die neerkomt op marteling en als gevolg waarvan op enig moment de dood van het slachtoffer is ingetreden.

De verdachte heeft zich verbonden aan de eigenaren van de hasj door zich vergaand te bemoeien met de pogingen om een (vermeende) dader van de diefstal te vinden. Door het handelen van de verdachte is de samenleving ernstig geschokt. Dit handelen draagt er bovendien toe bij dat de reeds bestaande gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving worden versterkt. Voorts heeft de verdachte, samen met anderen, hasjiesj vervoerd en aanwezig gehad. Hasjiesj kan gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid. De partij was van dien aard dat deze alleen maar bestemd kan zijn geweest voor de handel. De ervaring leert dat deze vorm van handel gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit.

Het hof heeft kennis genomen van de omtrent de verdachte uitgebrachte rapporten van Reclassering Nederland.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 mei 2010 is de verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 55, 57, 282 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

ten aanzien van het onder feit 1, 2 en 4 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Nu het hof tot veroordeling komt voor de onder feit 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten, op welke feiten de door het hof opgelegde vrijheidsstraf mede is gegrond en welke feiten toepassing van de voorlopige hechtenis mogelijk maken, zal het hof de gevangenneming terzake van die feiten bevelen, welk bevel afzonderlijk zal worden geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. N.A. Schimmel en mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, in tegenwoordigheid van mr. E. Wiersma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juni 2010.