Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7670

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
08/00166, 08/00755 en 08/00756
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tegen een weigering van de inspecteur aanslagen niet ambtshalve te verminderen staat geen beroep op de rechter in belastingzaken open. De AWR kent een gesloten systeem van rechtsbescherming. De rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren in plaats van de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. (hoger beroep gegrond)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/54.9 met annotatie van Redactie
FutD 2010-1522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken P08/00166, 08/00755, 08/00756

3 juni 2010

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, te Y,

belanghebbende,

gemachtigde mr. J.M.M. Dekker

tegen de mondelinge uitspraak in de zaken met nummers 06/9168, 06/9169 en 06/9170 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden/kantoor Leiden,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft bij schrijven van 10 mei 2006 aan belanghebbende bericht dat niet zal worden tegemoet gekomen aan het verzoek van belanghebbende tot ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna:IB/PVV) 2000, 2001 en 2002. In een schrijven van de inspecteur van 19 juni 2006 aan belanghebbende wordt deze beslissing herhaald.

Belanghebbende heeft de brief van 19 juni 2006 opgevat als voor beroep vatbare besluiten en hiertegen beroep ingesteld.

Bij mondelinge uitspraak van 21 januari 2008 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 februari 2008. De inspecteur heeft ter zitting een verweerschrift overgelegd waarop belanghebbende heeft kunnen reageren.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Geschil in het hoger beroep

In geschil is of belanghebbende tegen de in de brief van 19 juni 2006 vervatte beslissing van de inspecteur niet over te gaan tot ambtshalve vermindering van de aanslagen beroep in kon stellen. Zo die vraag bevestigend wordt beantwoord is – naar het Hof begrijpt – de juistheid van de aanslagen in geding.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken en in het proces-verbaal van de zitting is vermeld.

3. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1. Ingevolge artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, waaronder begrepen de in artikel 15 van de AWR voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking, waarmee de voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige van een bedrag als belasting wordt gelijkgesteld.

3.2. De Awr kent derhalve een gesloten systeem van rechtsbescherming.

3.3. Een weigering door de inspecteur een aanslag ambtshalve te verminderen, wordt niet genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Tegen een dergelijke weigering staat noch op de voet van gemeld artikel 26 noch op grond van enige andere wettelijke bepaling beroep op de rechter in belastingzaken open.

3.4. Gelet op vorenoverwoge staat geen beroep op de belastingrechter open tegen de in de brief van de inspecteur aan belanghebbende van 19 juni 2006 genomen beslissing. In deze brief wordt een eerdere beslissing (medegedeeld bij brief van 10 mei 2006) om niet over te gaan tot de door belanghebbende gevraagde ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende opgelegde aanslagen, herhaald. De inspecteur heeft de beslissing derhalve terecht niet vervat in een uitspraak op bezwaar en de rechtbank heeft terecht geen oordeel gegeven over de juistheid van de onderhavige aanslagen.

3.5. In een geval als het onderhavige waarin aanslagen formele rechtskracht hebben verkregen kan de belastingplichtige bij de burgerlijke rechter vorderen dat de aanslagen ambtshalve worden verminderd. Dit brengt mee dat de rechtbank ten onrechte de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken; de rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren en in haar uitspraak moeten vermelden dat uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld (art. 8:71 Awb).

3.6. Het Hof merkt daarbij op dat voor het aanvaarden van een verplichting tot ambtshalve vermindering niet kan worden volstaan met een – aan de burgerlijke rechter in beginsel ontrokken – beoordeling van de vraag wat de belastingrechter zou hebben beslist als deze een inhoudelijk oordeel over de juistheid van de aanslagen had kunnen geven. Van een dergelijke verplichting kan slechts sprake zijn als de inspecteur tot geen andere slotsom had kunnen komen dan dat de aanslagen onmiskenbaar onjuist waren (vgl, Hoge Raad, 8 juli 1993, nr. 15 028, NJ 1995/73).

De slotsom

De slotsom is dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd en de belastingrechter onbevoegd moet worden verklaard

Proceskosten

Nu de rechtbank terecht de inhoudelijke juistheid van de aanslagen niet heeft beoordeeld en de vernietiging van haar uitspraak slechts voortvloeit uit de omstandigheid dat zij aan het gegeven dat tegen een beslissing niet over te gaan tot ambtshalve vermindering ten onrechte de conclusie van niet-ontvankelijkheid heeft verbonden in plaats van de onbevoegdheid uit te spreken, acht het Hof onvoldoende termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart de belastingrechter onbevoegd;

- verstaat dat uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld;

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 107 vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter van de belastingkamer, F.J.P.M. Haas en A.M. van Amsterdam, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh - Vanherck , als griffier. De beslissing is op 3 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.