Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7669

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
08/01316
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2004 een bedrag heeft betaald in verband met een onderhoudsverplichting. In 2004 heeft zij derhalve geen recht op aftrek. Voorts is geen sprake van een beschikking waarin een op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek is opgenomen. (hoger beroep ongegrond)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/01316

datum: 3 juni 2010

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, te Y,

belanghebbende,

gemachtigde: mr. N. Wohlgemuth Kitslaar

tegen de mondelinge uitspraak in de zaak met kenmerknummer 08/2720 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 21 november 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 13 oktober 2007 heeft de inspecteur over het jaar 2004 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.989.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 6 maart 2008, de aanslag gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 21 november 2008 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 18 december 2008, bij het Hof ingekomen op 19 december 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft in 1991 een samenlevingscontract gesloten met A (hierna: A). Met A heeft zij tot eind 2000 een gemeenschappelijke huishouding gevoerd op het adres [straatnaam] te [plaatsnaam] (hierna: de woning). De woning is eigendom van belanghebbende. Toen aan de samenleving eind 2000 een einde kwam heeft A de woning verlaten.

2.2. Terzake van de beëindiging van de samenleving tussen belanghebbende en A is een overeenkomst opgemaakt, welke dateert van 8 januari 2001. In deze overeenkomst is, voor zover van belang, opgenomen:

“X (…)

en

A (…)

komen als volgt overeen in verband met het beeindigen van de samenleving:

X betaalt aan A een bedrag van f. 150.000,-- (..) als volgt te voldoen:

1 juli 2001 f. 30.000,--

1 juli 2002 f. 30.000,--

1 juli 2003 f. 30.000,--

1 juli 2004 f. 30.000,--

1 juli 2005 f. 30.000,--

Mocht de woning aan de [straatnaam] voor 1 juli 2005 verkocht worden dan wordt het dan nog resterende bedrag ineens aan A uitbetaald”.

2.3. Belanghebbende heeft ter uitvoering van de overeenkomst de volgende betalingen aan A gedaan:

€ 13.613,41 (f.30.000) op 26 februari 2001

€ 13.613,41 op 7 januari 2002

€ 13.613,41 op 7 januari 2003.

2.4. Tot de gedingstukken behoort een namens belanghebbende uitgebrachte dagvaarding van A in kort geding van 2 september 2003. Hierin is opgenomen dat belanghebbende een nieuwe hypothecaire geldlening wil aangaan en hiervoor de eerste, tweede en derde hypotheek afgelost op haar woning zullen worden. Voor de aflossing van de derde hypotheek is de medewerking van A vereist. Onder punt 5 van de dagvaarding is, voor zover van belang, opgenomen:

“De vrouw wenst, nu zij een hypothecaire geldlening dient aan te gaan, het nog aan de man verschuldigde bedrag thans ineens aan hem te voldoen, zulks op voorwaarde dat de man de medewerking verleent aan het doorhalen van de ten gunste van hem gevestigde (derde) hypotheek.”

Met het “verschuldigde bedrag” wordt gedoeld op de termijnen voor 2004 en 2005 welke worden genoemd in de onder 2.2. opgenomen overeenkomst van 8 januari 2001.

In een vonnis van 24 september 2003 van de rechtbank Breda wordt de vordering van belanghebbende toegewezen.

In augustus 2003 heeft belanghebbende, ter voldoening ineens van de in 2004 en 2005 vervallende termijnen, € 27.226,82 (f. 60.000) aan notaris [naam] te [plaatsnaam] overgemaakt.

2.5. Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2003 geen persoonsgebonden aftrek geclaimd.

2.6. Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2004 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.376 opgenomen. Daarbij heeft zij onder “betaalde alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen” een bedrag van € 13.613 als persoonsgebonden aftrekpost in aanmerking genomen.

2.7. Aan belanghebbende is de onderhavige aanslag IB/PVV 2004 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.989. Bij de aanslag heeft de inspecteur de door belanghebbende opgevoerde uitgaven voor onderhoudsverplichtingen niet in aftrek toegelaten en derhalve een bedrag van € 13.613 gecorrigeerd.

3. Het geschil in hoger beroep

Tussen partijen is evenals in eerste aanleg in geschil of belanghebbende in 2004 recht heeft op aftrek ter zake van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen aan haar ex-partner.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.376.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende aftrekposten en

b. het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen.

2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

a. uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (afdeling 6.2);”

Aan met alimentatie verwante verzorgingsuitkeringen die tussen partijen zijn overeengekomen in verband met de beëindiging van een niet-huwelijkse samenlevingsvorm kunnen onder omstandigheden worden aangemerkt als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen.

4.2. In artikel 6.40 van de Wet IB 2001 is opgenomen dat, voorzover in deze wet niets anders is bepaald, uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking komen op het tijdstip waarop zij zijn betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend zijn geworden.

4.3. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2004 enig bedrag in aanmerking moet worden genomen ter zake van een door haar nagekomen onderhoudsverplichting.

De laatste door belanghebbende gedane betaling in het kader van de 2.2 genoemde overeenkomst (een bedrag van € 27.226 op de derdengeldrekening van notaris [naam] te [plaatsnaam], zoals omschreven onder 2.4) heeft in augustus 2003 plaatsgevonden. Notaris [naam] was gehouden dit bedrag op zijn beurt uit te getalen aan A in het kader van de medewerking van A aan het doorhalen van de ten gunste van A gevestigde (derde) hypotheek.

Het Hof kan belanghebbende niet volgen in haar stelling dat ervan moet worden uitgegaan dat de notaris dit bedrag (in twee termijnen) eerst in 2004 en 2005 aan A heeft doorbetaald hetgeen volgens haar zou meebrengen dat de termijnen in die jaren in aanmerking moeten worden genomen, nu zij deze stelling niet nader met stukken of anderszins heeft onderbouwd. Veeleer moet er van worden uitgegaan dat de notaris op of kort na de ontvangst van genoemde € 27.226, en daarmee in het jaar 2003, dit bedrag heeft doorbetaald aan A. Het Hof verwijst in dit verband naar de op naam van belanghebbende uitgebrachte dagvaarding (vermeld onder 2.4) waarin is opgenomen dat belanghebbende “het verschuldigde bedrag thans ineens” aan A wil voldoen en voorts naar de (tot de gedingstukken behorende) brief van A van 1 augustus 2003 aan de advocaat van belanghebbende waarin hij onder andere schrijft: “Uiterlijk 31 augustus 2003 dienen de twee resterende termijnbedragen (2004 en 2005) ad € 27.226,82 )…’ op mijn bankrekening te zijn bijgeschreven”.

Gelet op het vooroverwogene gaat het Hof er van uit dat belanghebbende het bedrag van € 27.226 in de loop van 2003, door tussenkomst van notaris [naam], aan A heeft betaald. Aldus kan – los van het antwoord op de vraag of de door belanghebbende gedane betalingen kunnen worden gekwalificeerd als van voor aftrek in aanmerking komende uitgaven voor onderhoudsverplichtingen – reeds op deze grond in 2004 geen bedrag in aftrek worden gebracht.

Belanghebbendes betoog dat nu de inspecteur eerst in zijn verweerschrift bij de rechtbank naar voren heeft gebracht dat belanghebbende in 2003 heeft betaald en derhalve voor het jaar 2004 geen recht heeft op aftrek, meebrengt dat deze grond als tardief moet worden aangemerkt, wordt door het Hof verworpen. Belanghebbende is zowel bij de rechtbank als bij het Hof voldoende in de gelegenheid geweest te reageren op deze stelling.

4.4. Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 en stelt in dat verband dat de in 2003 betaalde bedragen aan A (al dan niet door tussenkomst van notaris [naam]) voor zover die niet in 2003 in aftrek konden komen, alsnog in 2004 in aanmerking moeten worden genomen.

4.5. Het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 brengt evenwel in de onderhavige situatie niet mee dat belanghebbende de 2003 betaalde bedragen alsnog, geheel of ten dele, in 2004 aftrek kan brengen.

Ingevolge artikel 6.2a van de Wet IB 2001 stelt de inspecteur het bedrag van de op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 6.2a Wet IB 2001 is ingevoerd bij de wet van 14 december 2000, Stb. 2000, 570, Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001. In passages uit de parlementaire behandeling die betrekking hebben op de totstandkoming van artikel 6.2a Wet IB 2001 is het volgende opgenomen:

“De Raad adviseert het in aanmerking nemen van de persoonsgebonden aftrek in een volgend kalenderjaar te doen plaatsvinden bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit in aansluiting op hetgeen daaromtrent ten aanzien van de verliesvaststelling en -verrekening is bepaald.

In het voorgestelde artikel 6.2a van de Wet inkomstenbelasting 2001 is een dergelijke voor bezwaar vatbare beschikking niet nodig aangezien de in een volgend kalenderjaar in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek wordt geïncorporeerd in de belastingaanslag over het betreffende kalenderjaar. Belastingplichtige kan tegen deze belastingaanslag alsmede - voorzover zich die situatie voordoet - tegen de beschikking waarbij de omvang van de in dat kalenderjaar niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek wordt bepaald, bezwaar maken of beroep instellen.”

Advies Raad van State en nader rapport, Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. A, blz. 22-23.

“Ingevolge het zesde lid kunnen rechtsmiddelen tegen een beschikking als bedoeld in het eerste lid uitsluitend betrekking hebben op het bedrag van de persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Op deze wijze wordt voorkomen dat bij het alsnog in aanmerking nemen van de persoonsgebonden aftrek in een later jaar bezwaar kan worden gemaakt tegen de omvang van de persoonsgebonden aftrek van een eerder jaar. Rechtsmiddelen tegen een belastingaanslag over een volgend jaar kunnen daardoor niet de persoonsgebonden aftrek uit een voorafgaand jaar betreffen.”

Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 70-71.

Van een beschikking (als bedoeld in artikel 6.2a van de Wet IB 2001) waarin de op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek is opgenomen, is in de onderhavige situatie geen sprake. Voorts is gesteld noch gebleken dat bij aanslagen IB/PVV van eerdere jaren sprake is van in die jaren niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek. Aldus kan – los wederom van het antwoord op de vraag of de door belanghebbende in 2003 gedane betalingen kunnen worden gekwalificeerd als van voor aftrek in aanmerking komende uitgaven voor onderhoudsverplichtingen – ook op deze grond in 2004 geen bedrag ter zake van persoonsgebonden in aftrek worden gebracht.

4.6. De slotsom is dat het in de onderhavige zaak ingestelde hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en A.M. van Amsterdam, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh-Vanherck als griffier. De beslissing is op 3 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.