Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7607

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
200.051.482/01 en 200.051.483/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenloop verzoek in hoger beroep en voorlopige voorzieningen, redelijke bijdrage in de kosten van de huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 1 juni 2010 in de zaken met landelijk zaaknummers 200.051.482/01 en 200.051.483/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. S.J. van der Woude te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. T.A.Bruins te Haarlem.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 15 december 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 september 2009 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 157401/ FA RK 09-1540.

1.3. De man heeft op 3 februari 2010 een verweerschrift ingediend.

1.4. De man heeft op 1 april 2010 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 12 april 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

Voor de feiten verwijst het hof naar hetgeen daaromtrent in de bestreden beschikking van 15 september 2009 onder 2.1 en 2.2 is overwogen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man met ingang van 1 februari 2009 maandelijks aan de vrouw zal voldoen een bedrag € 4.388, - en dat de man zal gedogen dat de vrouw bij uitsluiting gebruik zal maken van de woning met inpandige garage aan […] te [a] en alle kosten van de woning zal voldoen, waaronder begrepen de rente en de verzekeringspremie van de hypothecaire lening van partijen bij de Fortisbank, de premie opstalverzekering, de kosten van energie en water en alle gemeentelijke lasten en dat de man aan de vrouw inlichtingen zal verstrekken omtrent het door hem gevoerde bestuur over de huwelijksgoederengemeenschap en omtrent de stand van goederen en schulden, door binnen zeven dagen na betekening van de te geven beschikking een volledige en met stukken onderbouwde rekening en verantwoording af te leggen aan de vrouw omtrent dit bestuur en omtrent de stand van goederen en schulden, en door vervolgens steeds binnen drie maanden een daarop aansluitende rekening en verantwoording aan de vrouw af te leggen, alles op straffe van een dwangsom van € 1000, - per dag gedurende welke de man in gebreke zal blijven om te voldoen aan enig onderdeel van de te wijzen beschikking, afgewezen.

3.2. De vrouw verzoekt het hof – met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, naar het hof aanneemt – haar verzoeken alsnog toe te wijzen alsmede de man te veroordelen aan de vrouw een volledig overzicht van activa en passiva van de gemeenschap (met inbegrip van alle pensioenrechten) te doen toekomen van het moment van het aangaan van het huwelijk en van het moment van de afgifte van het overzicht, alsmede een cijfermatig en gedetailleerd overzicht betreffende het door hem tussen deze momenten gevoerde bestuur met betrekking tot inkomsten en uitgaven en (her)belegging van het vermogen, en door vervolgens steeds binnen drie maanden een daarop aansluitend overzicht te doen toekomen aan de vrouw, althans op een zodanige wijze als het hof passend en afdoende zal oordelen, alles op straffe van een dwangsom van € 1000, - per dag gedurende welke de man in gebreke zal blijven om te voldoen aan enig onderdeel van de te geven beschikking.

3.3. De man verzoekt het hof de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans haar verzoeken af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Het inleidend verzoek van de vrouw is gebaseerd op de artikelen 1:81 en 1:84 Burgerlijk Wetboek (BW). Inmiddels is tussen partijen een echtscheidingsprocedure aanhangig bij de rechtbank Haarlem. In het kader van die procedure zijn op verzoek van 3 december 2009 van de vrouw – derhalve voordat zij hoger beroep instelde van de beschikking van 15 september 2009 – door de rechtbank bij beschikking van 29 december 2009 voorlopige voorzieningen getroffen inhoudende dat de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 1000, - per maand.

Anders dan de vrouw stelt, heeft zij geen belang meer bij de beoordeling van haar verzoek in hoger beroep een bijdrage in de kosten van de huishouding vast te stellen voor zover dit verzoek betrekking heeft op de periode na 29 december 2009, nu met ingang van deze datum op haar verzoek voorlopige voorzieningen zijn getroffen en samenloop van het onderhavige verzoek en de voorlopige voorzieningen ook door de vrouw niet is beoogd, gelet op het feit dat petitum van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen identiek was aan het verzoek in eerste aanleg in de onderhavige zaak. Voor zover zij in hoger beroep anders betoogt, heeft zij haar verzoek op dit punt onvoldoende onderbouwd. De beslissing van het hof strekt zich derhalve uit over de periode van 1 februari 2009 tot 29 december 2009.

4.2. Een voorziening als door de vrouw verzocht betreft een bijdrage in de kosten voor de huishouding en wordt als zodanig anders beoordeeld dan een verzoek om een bijdrage in het levensonderhoud tijdens dan wel na afloop van een procedure tot echtscheiding. Te bezien valt wat onder de gegeven omstandigheden tussen de echtgenoten als een redelijke bijdrage in de huishouding kan worden beschouwd. De rechtbank heeft zich daarbij deels gebaseerd op de voor een alimentatieberekening geldende gebruikelijke normen, en de behoefte van de vrouw benaderd door uit te gaan van het netto inkomen van partijen tijdens het huwelijk. Het hof volgt de rechtbank daarin. De rechtbank heeft vastgesteld dat door partijen niet wordt betwist dat het netto-inkomen van partijen in de periode voordat zij naar Singapore vertrokken € 2.200, - na aftrek van de woonlasten bedroeg. Dit wordt thans door de vrouw betwist. Echter, de stelling van de man ter zitting dat gezamenlijk met de rechtbank door partijen de welstand van partijen tijdens huwelijk is besproken en dat daarbij een bedrag van

€ 2.200, - per maand door beide partijen als netto gezinsinkomen is aanvaard, is door de vrouw onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het hof zal daarom eveneens een bedrag van omstreeks € 2.200,- netto besteedbaar inkomen per maand als uitgangspunt nemen, na aftrek van de woonlasten.

4.3. Partijen hebben van juli 2007 tot begin november 2008 in het buitenland gewoond, laatstelijk in Singapore, waarna de vrouw naar Nederland is teruggekeerd en haar intrek heeft genomen in de echtelijke woning te [a]. Staande het huwelijk, in de periode voor het vertrek van partijen naar het buitenland, heeft de vrouw een kostbare, door de man gefinancierde, opleiding gevolgd in Engeland, waarvoor zij regelmatig op en neer reisde. Na haar vertrek naar Nederland in november 2008 heeft de man haar maandelijks een bedrag van € 1000,- betaald en haar ziektekostenverzekering en overige verzekeringen betaald, evenals alle lasten van de echtelijke woning waaronder rente, verzekering, belasting, kosten van Nuts bedrijven, telefoon enz., tezamen ruim € 3000,- per maand, alsmede de volledige landverplichtingen van partijen in Brazilië. Het bedrag van € 1000,- was uitsluitend bestemd voor het dagelijkse feitelijke levensonderhoud van de vrouw. De overige kosten werden door de man voldaan. Dit is tussen partijen niet in geschil.

4.4. De vrouw heeft aangevoerd dat de inkomsten van de man in Singapore dermate veel hoger zijn dan zijn inkomsten in Nederland, al was het alleen maar door de kostenvergoedingen die de man daar ontvangt, dat een bijdrage van € 4.388,- in overeenstemming met zijn draagkracht is. De man erkent dat zijn inkomsten in Singapore hoger zijn en dat hij enkele kostenvergoedingen ontvangt, maar stelt dat hij hoge lasten heeft, in Singapore belastingplichtig is, en de kostenvergoedingen moet aanwenden voor onder meer huisvesting- en reiskosten.

Los van de vraag of er bij de vaststelling van een bijdrage voor de huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW een zelfde wijze van berekenen dient te worden gehanteerd als bij het vaststellen van draagkracht voor alimentatie, heeft de man aannemelijk gemaakt dat hij de toeslagen en kostenvergoedingen die hij ontvangt ook grotendeels daadwerkelijk moet aanwenden voor kosten van huisvesting, reiskosten en dergelijke en dat hij daarnaast in de periode van 1 februari 2009 tot 29 december 2009 op aanvaardbare wijze in de kosten van de vrouw, haar vaste lasten en haar levensonderhoud heeft voorzien.

4.5. Tenslotte heeft de vrouw betoogd dat zij over de door haar ontvangen bijdrage van € 1000,- per maand belasting zal moeten betalen. De man heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat hij de betalingen als huishoudgeld ziet en daar geen fiscale consequenties aan verbindt. Hijzelf is in Nederland niet meer belastingplichtig. Voor zover de vrouw al een aanslag over de door haar ontvangen huishoudgelden mocht ontvangen, zal deze tussen partijen verrekend worden in het kader van de komende verdeling in de echtscheidingsprocedure.

4.6 Bij haar verzoek tot uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [a] heeft de vrouw voor de periode tot 29 december 2009 geen belang meer, nu deze periode is verstreken en zij daarin dit uitsluitend gebruik heeft gehad.

4.7. Met betrekking tot de verzoeken van de vrouw de man te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording overweegt het hof dat de man op grond van art. 1:98 BW gehouden is de vrouw inlichtingen te verschaffen over het gevoerde bestuur en de stand van goederen en schulden. Een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording houdt dat artikel niet in. Niet is gebleken dat de man enige inlichtingen achter houdt terwijl voorts in het kader van de lopende echtscheidingsprocedure de man aan de vrouw en aan de rechter alle noodzakelijke gegevens zal moeten verstrekken voor de afwikkeling van de verdeling in het kader van de echtscheiding. Ook hier ontbreekt het de vrouw op dit moment aan belang en zal het hof het verzoek van de vrouw afwijzen.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, M. Wigleven en H.S.G. Verhoeff in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2010.