Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7580

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
05/00495
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De stelling van belanghebbende dat de inspecteur in strijd met het recht terugwerkende kracht heeft toegekend aan indelingsverordening 384/2004 mist derhalve feitelijke grondslag en kan reeds om die reden geen bijzondere omstandigheid opleveren.

Ook de vaststelling dat de inspecteur een door de Douanekamer voorgestane indeling niet volgt levert in de onder 4.2. geschetste situatie geen bijzondere omstandigheid op die een afwijking van de forfaitaire vergoedingsregeling zou rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. P05/00495bis DK

de dato 3 juni 2010

1. De procedure

1.1. Voor een overzicht van de procedure, die is ingeleid door een beroepschrift van mr. M als gemachtigde van K B.V. te R, belang¬heb¬bende, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane (hierna: de inspecteur), van 30 december 2004, ken¬merk …, tot aan de door de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) vastgestelde uitspraak van 10 april 2008, wordt verwezen naar die uitspraak.

1.2. Bij evenbedoelde uitspraak van 10 april 2008 heeft de Douanekamer het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) verzocht uitspraak te doen over de navolgende prejudiciële vragen:

“1. Is Verordening (EG) nr. 384/2004 van de Commissie van 1 maart 2004, tot indeling van bepaalde goederen in de GN, geldig, voorzover volgens die verordening post 8414 59 30 van de GN de onder 2.7. omschreven goederen omvat?

2. Indien de Verordening ongeldig is, kan het gemeenschappelijk douanetarief dan zo worden uitgelegd dat deze goederen moeten worden ingedeeld als “delen en toebehoren van de machines bedoeld bij post 8471” van postonderverdeling 8473 30 90 van de GN?”

1.3. Het Hof van Justitie heeft de zaak ingeschreven onder nummer C-173/08 en heeft daarin op 18 juni 2009 arrest gewezen (verder ook: het arrest), waarvan het dictum luidt:

“Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003, moet aldus worden uitgelegd dat producten als die aan de orde in het hoofdgeding, die zijn samengesteld uit een heatsink en een ventilator en die uitsluitend bestemd zijn om te worden ingebouwd in computers, moeten worden ingedeeld in post 8473 30 90 van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij die verordening.”

1.4. Belanghebbende heeft bij brief van 14 mei 2009 een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat mr. J te R op 26 maart 2009 gemachtigd is om namens haar deze beroepsprocedure verder te voeren.

1.5. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk over het arrest uit te laten. De inspecteur heeft dat bij brief van 10 juli 2009 gedaan, belanghebbende heeft bij brief van 29 juli 2009 gereageerd.

1.6. Naar aanleiding van het arrest en in verband met de gewijzigde samenstelling van de raadkamer heeft op 23 november 2009 een nadere zitting plaatsgevonden. Partijen hebben bij faxberichten van 16 november 2009 kenbaar gemaakt dat zij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zullen zijn.

1.7. Naar aanleiding van een brief van de griffier van 26 april 2010 heeft de gemachtigde bij brief van 3 mei 2010 bevestigd dat indeling van de aangegeven ‘heatsinks’ onder de door belanghebbende voorgestane post resulteert in een terugbetaling van € 3.735,91. Bij brief van 6 mei 2010 heeft ook de inspecteur ingestemd met voormeld bedrag.

2. De nadere standpunten van partijen

2.1. Namens belanghebbende wordt gesteld dat het arrest de door haar voorgestane indeling van de litigieuze producten bevestigt. Zij verzoekt om vergoeding van de door haar werkelijk gemaakte proceskosten.

2.2. De inspecteur conformeert zich aan hetgeen het Hof van Justitie in zijn arrest heeft beslist.

3. De rechtsoverwegingen

3.1. Nu het Hof van Justitie voor recht heeft verklaard dat de producten onder post 8473 30 90 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) moeten worden ingedeeld, staat vast dat de inspecteur in zijn beschikking van 9 september 2004, kenmerk 04/379/5598/141, ten onrechte de terugbetaling van douanerechten heeft geweigerd, voor zover de aangifte van 6 januari 2004 betrekking heeft op de onderwerpelijke producten. Partijen hebben schriftelijk bevestigd dat het terug te betalen bedrag € 3.735,91 bedraagt.

3.2. Bij de mondelinge behandeling op 20 februari 2008 is komen vast te staan dat in de aangifte naast ‘heatsinks’ tevens ‘controlepanelen’ waren begrepen, welke dienen te worden ingedeeld onder post 8537 10 99. Hierdoor is een lager tarief van toepassing. Partijen hebben tijdens voornoemde zitting er mee ingestemd dat toepassing van dit lagere tarief leidt tot een aanspraak op terugbetaling van € 300,--.

3.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is en dat de bestreden uitspraak op bezwaar en de beschikking op het verzoek om terugbetaling moeten worden vernietigd.

4. De proceskosten

4.1. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van haar werkelijke proceskosten. De Douanekamer stelt in dit verband voorop dat een afwijking van de forfaitaire bedragen genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht mogelijk is indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Belanghebbende stelt dat een bijzondere omstandigheid is gelegen in het feit dat de door de inspecteur voorgestane indeling afweek van de indeling welke door de Douanekamer was vastgesteld in zijn uitspraak van 16 december 2003, nr. 01/90225. Daarnaast heeft de inspecteur volgens belanghebbende in strijd met het recht terugwerkende kracht toegekend aan indelingsverordening 384/2004. De Douanekamer overweegt dienaangaande als volgt.

4.2. In haar aangifte van 6 januari 2004 heeft belanghebbende de litigieuze goederen aangegeven onder GN-code 8414 51 90 (3,2%). De inspecteur is belanghebbende hierin gevolgd. Op 23 maart 2004 is verordening 384/2004 in werking getreden, waarin voor de onderwerpelijke goederen indeling onder GN-code 8414 59 30 (2,3%) wordt voorgeschreven. Op 21 juli 2004, derhalve eerst na inwerkingtreding van verordening 384/2004, heeft belanghebbende haar verzoek om terugbetaling ingediend, waarin zij verzoekt om indeling onder GN-code 8473 30 90 (0%), onder verwijzing naar de uitspraak van de Douanekamer van 16 december 2003 in zaak 01/90255. Zowel in zijn beschikking op het verzoek om terugbetaling als in zijn uitspraak op het tegen deze beschikking gerichte bezwaar heeft de inspecteur volhard in indeling van de producten onder GN-code 8414 51 90. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur in strijd met het recht terugwerkende kracht heeft toegekend aan indelingsverordening 384/2004 mist derhalve feitelijke grondslag en kan reeds om die reden geen bijzondere omstandigheid opleveren.

4.3. Ook de vaststelling dat de inspecteur een door de Douanekamer voorgestane indeling niet volgt levert in de onder 4.2. geschetste situatie geen bijzondere omstandigheid op die een afwijking van de forfaitaire vergoedingsregeling zou rechtvaardigen. De inspecteur kan naar het oordeel van de Douanekamer niet het verwijt worden gemaakt dat hij een beschikking of uitspraak heeft gegeven, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Op die grond is derhalve voor een hogere vergoeding van de proceskosten geen aanleiding. Er is evenmin sprake van een evident onjuist standpunt van de inspecteur in strijd met de bepalingen van het gemeenschapsrecht. Ook overigens doen zich naar het oordeel van de Douanekamer geen omstandigheden voor die een hogere vergoeding van de proceskosten rechtvaardigen.

4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende in aanmerking komt voor een forfaitaire proceskostenvergoeding overeenkomstig artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, welke als volgt dient te worden berekend: 1 (beroepschrift) + 0,5 (repliek) + 1 (verschijnen ter zitting) + 2 (schriftelijke opmerkingen bij Hof van Justitie) + 0,5 (schriftelijke uiteenzetting naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 2.415.

5. De beslissing

De Douanekamer

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vernietigt de sub 3.1. vermelde beschikking;

- verleent de verzochte terugbetaling tot een bedrag van € 4.035,91;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, groot

€ 2.415, en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten aan

belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte

griffierecht ad € 276 te vergoeden.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 3 juni 2010 door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, A. Bijlsma en B.A. van Brummelen leden, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.