Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7188

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
09/00100
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P09/00100

27 mei 2010

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. C.E. Kolthof (Pontius Advocaten te Amsterdam),

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 08/4513 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 30 juni 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.345.

1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 4 april 2008 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een definitieve aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.345. Deze aanslag resulteerde in een te betalen bedrag van € 3.068.

1.3. Na daartegen gemaakt bezwaar, dat tevens geacht wordt te zijn gericht tegen de op hetzelfde aanslagbiljet vermelde beschikking heffingsrente, heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 14 mei 2008, de definitieve aanslag gehandhaafd.

1.4. Bij uitspraak van 31 december 2008, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 16 januari 2009, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.5. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 29 januari 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Partijen hebben het Hof - belanghebbende bij brief van 18 februari 2010 en de inspecteur bij brief van 23 februari 2010 - toestemming verleend voor het achterwege blijven van het onderzoek ter zitting.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2005 aangifte IB/PVV gedaan, berekend naar een verzamelinkomen van € 16.345. Belanghebbende heeft in zijn aangifte onder inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking onder meer een WW-uitkering ten bedrage van € 1.065 en een NWW-uitkering ten bedrage van € 2.621 aangegeven. Voorts heeft belanghebbende arbeidskorting van € 921 geclaimd en verzocht om vrijstelling van premie volksverzekeringen.

2.2. De inspecteur heeft conform de door belanghebbende ingediende aangifte een voorlopige aanslag IB/PVV 2005 opgelegd, hetgeen heeft geleid tot een door belanghebbende terug te ontvangen bedrag van € 1.779.

2.3. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2005 is op twee punten van de door belanghebbende ingediende aangifte afgeweken. Allereerst heeft de inspecteur de WW- en NWW-uitkering - anders dan belanghebbende - aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en hem in dat verband geen arbeidskorting toegekend. Voorts heeft de inspecteur de door belanghebbende geclaimde vrijstelling van premie volksverzekeringen niet verleend. Het opleggen van de definitieve aanslag heeft geresulteerd - na verrekening van de voorlopige aanslag - in een door belanghebbende te betalen bedrag van € 3.068, waaronder een bedrag van € 287 aan in rekening gebrachte heffingsrente.

2.4. Belanghebbende heeft bij zijn bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2005 een nadere aangifte gevoegd berekend naar een verzamelinkomen van € 13.734. Belanghebbende heeft daarbij de WW-uitkering - conform de definitieve aanslag - als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking aangegeven en geen arbeidskorting geclaimd. Voorts heeft belanghebbende niet (meer) verzocht om vrijstelling van premie volksverzekeringen. De NWW-uitkering wordt door belanghebbende - in tegenstelling tot in de in 2.1 vermelde aangifte - niet aangegeven.

2.5. Tot de gedingstukken behoort een door de inhoudingsplichtige aan de inspecteur verstrekte jaaropgaaf met betrekking tot de fiscale loongegevens van belanghebbende waarop de NWW-uitkering ten bedrage van € 2.621 als loon staat aangegeven.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. In hoger beroep is in geschil of de definitieve aanslag IB/PVV 2005 tot het juiste bedrag is vastgesteld.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het weglaten in de nadere aangifte van de NWW-uitkering van € 2.621 niet kan leiden tot een verschil in het verzamelinkomen van € 2.611 ten opzichte van de voorlopige aanslag en een definitieve aanslag op grond waarvan na verrekening van de voorlopige aanslag een bedrag van € 3.068 dient te worden betaald.

4.2. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep aangevoerd dat het te betalen bedrag van € 3.068 niet het gevolg is van het verhogen van het inkomen met de NWW-uitkering, maar van het feit dat er door belanghebbende bij de aanvankelijk ingediende aangifte is verzocht om vrijstelling van premie volksverzekeringen. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag is die vrijstelling verleend, hetgeen een voorlopige teruggave tot gevolg heeft gehad. Vervolgens is de vrijstelling bij het opleggen van de definitieve aanslag terecht niet verleend. Het andere punt waarop de definitieve aanslag verschilt van de voorlopige aanslag betreft, zoals weergegeven onder 2.3, het niet verlenen van de arbeidskorting, omdat de WW- en NWW-uitkeringen moeten worden aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. Deze twee correcties tezamen genomen hebben geresulteerd in een door belanghebbende te betalen bedrag van € 3.068 (inclusief heffingsrente). Voorts wijst de inspecteur erop dat belanghebbende in zijn nadere aangifte ook niet meer heeft verzocht om vrijstelling van premie volksverzekeringen en de WW-uitkering eveneens heeft aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. Het enige resterende geschilpunt is derhalve de vraag of belanghebbende in 2005 een NWW-uitkering van € 2.621 heeft genoten, zo stelt de inspecteur.

4.3. Het Hof volgt de inspecteur in zijn standpunt en de uitleg die hij daaraan ten grondslag heeft gelegd.

4.4. Belanghebbende stelt zich - naar het Hof begrijpt - in hoger beroep voorts op het standpunt dat de inspecteur de NWW-uitkering bij het opleggen van de definitieve aanslag ten onrechte in aanmerking heeft genomen, zodat is uitgegaan van een onjuist verzamelinkomen van € 16.345. De rechtbank heeft daaromtrent het volgende overwogen:

“3. Het enige punt waarop de aanslag en de nadere aangifte in het nadeel van [belanghebbende] van elkaar verschillen is dat in die nadere aangifte voornoemde NWW-uitkering niet is aangegeven. Omdat [belanghebbende] geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij in eerste instantie volgens hem ten onrechte een bedrag heeft aangegeven dat exact overeenkomt met de informatie die [de inspecteur] van de inhoudingsplichtige heeft ontvangen acht de rechtbank een vergissing niet op voorhand aannemelijk. Voorts heeft [belanghebbende] geen bevoegdelijk afgegeven gecorrigeerde jaaropgave overlegd waarmee hij zijn herziene aangifte kan onderbouwen. [Belanghebbendes] enkele stelling dat ‘iets is misgegaan’, acht de rechtbank onvoldoende. De aanslag is dan ook tot de juiste hoogte vastgesteld.”

4.5. Het Hof verenigt zich met dit oordeel en met de gronden waarop de rechtbank dit oordeel heeft doen steunen. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een nieuw of ander licht op de zaak kunnen werpen.

Slotsom

4.6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, H.E. Kostense en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 27 mei 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.