Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM6888

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
23-005076-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer; vormverzuim; verdachte heeft geen afstand genomen van eerder afgelegde verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005076-09

datum uitspraak: 26 mei 2010

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 september 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-850315-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

adres: [adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 18 december 2008 tot en met 13 januari 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (mobiele) telefoon (merk Sony Ericsson) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door diefstal (met geweldpleging), in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Bespreking van de bewijsverweren

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte twee maal gehoord is, op zowel 13 als 14 januari 2009, zonder bijstand dan wel consultatie van een advocaat. Zij heeft erop gewezen dat de verdachte niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om een raadsman te adiëren en dat hij in zijn tweede verhoor bovendien gevraagd heeft of zijn advocaat daar niet bij moest zijn en gezegd heeft dat er nog geen advocaat bij hem geweest was. Nu de verdachte beide keren belastend voor zichzelf verklaard heeft en het gaat om een onherstelbaar vormverzuim, kunnen de verklaringen naar de mening van de raadsvrouw niet gebezigd worden voor het bewijs. Hierop aansluitend heeft zij om vrijspraak verzocht wegens gebrek aan bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De gang van zaken is inderdaad zo geweest als hiervóór weergegeven. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt - voor zover hier van belang - het aan de verdachte toekomende recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 (inzake Salduz tegen Turkije) is de omvang van dat recht nader omlijnd, in die zin dat het recht op een eerlijke behandeling mede omvat het recht op rechtsbijstand tijdens het opsporingsonderzoek. Voor de Nederlandse rechtspraktijk brengt dit mee, voor zover thans van belang: de aangehouden verdachte dient voorafgaand aan diens eerste verhoor door de politie op zijn consultatierecht gewezen te worden en in beginsel dient aan hem de gelegenheid geboden te worden dat recht te verwezenlijken, nog voordat dat verhoor wordt gehouden.

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof zal echter volstaan met de vaststelling dat dit vormverzuim zich heeft voorgedaan.

Weliswaar heeft de verdachte zijn consultatierecht niet kunnen uitoefenen, maar niet is aannemelijk geworden dat de verdachte hierdoor (overigens) in zijn processuele belangen is geschaad.

Door de verdediging is niet aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte onwaarheden bevatten. De verdachte heeft bovendien, nadat hij met zijn advocaat had gesproken, zijn verklaring herhaald. En voorts heeft de verdachte op geen enkel moment afstand genomen van eerder afgelegde verklaringen.

Nadere bewijsoverweging

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Op zijn minst genomen is voorwaardelijk opzet aanwezig, nu de verdachte zelf heeft verklaard dat hij vermoedde dat de telefoon gestolen was. Ook gelet op de overige omstandigheden – de verdachte kocht de telefoon op straat van een onbekende man, tegen een prijs ver onder de marktwaarde, nadat de man hem eerst een fiets te koop aangeboden had – komt het hof tot het oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het hier een door misdrijf verkregen telefoon betrof.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 18 december 2008 tot en met 13 januari 2009 te Amsterdam een mobiele telefoon (merk Sony Ericsson) heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van 300 euro subsidiair 6 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een mobiele telefoon. Opzetheling is een ergerlijk feit waardoor de verdachte meewerkt aan de instandhouding van een circuit voor gestolen goederen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 april 2010 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.M.J. Chorus, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.E.A. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. Z.G.I. Kooi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 mei 2010.