Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM6832

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
200.032.841/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Allereerst stelt het hof vast dat klaagster in haar hoedanigheid van voogdes de belangen van de minderjarige erfgenaam behartigt. Derhalve kan klaagster worden aangemerkt als belanghebbende, óók ten aanzien van de periode vóór dat zij voogdes werd benoemd. Het vragen van een second opinion is naar het oordeel van het hof geen goede grond voor de notaris om diens werkzaamheden met betrekking tot de nalatenschap van erflater te beëindigen.

Het hof is van oordeel dat het in beginsel een notaris, die zijn werkzaamheden voor de boedel beëindigd heeft, niet vrij staat zich alsnog inhoudelijk met de zaak te bemoeien. Uit het verweer van de notaris, dat door klaagster onvoldoende is weersproken, blijkt echter dat hij de opvolgend boedelnotaris en partijen heeft willen informeren over zijn opvattingen en die heeft willen onderbouwen. Het hof is met de kamer van oordeel dat de notaris de rekening voor zijn dienstverlening bij de executeur en opdrachtgever, zijnde de partner van erflater, had moeten indienen en niet bij de minderjarige erfgenaam, dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger. Wat betreft de weigering om aan klaagster informatie te verstrekken dient te worden opgemerkt dat de notaris hiertoe niet gehouden was tot het moment dat klaagster tot voogdes van de minderjarige erfgenaam is benoemd, derhalve tot 14 maart 2007. Gelet op het feit dat de notaris zijn werkzaamheden per 25 juni 2007 heeft beëindigd, stelt het hof vast dat de notaris eerst vanaf 14 maart 2007 gehouden was om aan klaagster informatie te verschaffen.

Anders dan de kamer komt het hof de conclusie dat de notaris laakbaar heeft gehandeld bij de afwikkeling van de nalatenschap. Het hof acht de maatregel van berisping passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 25 mei 2010 in de zaak onder nummer 200.032.841/01 NOT van:

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

APPELLANT,

t e g e n

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, hierna verder te noemen de notaris, is bij een op 14 mei 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Maastricht, hierna verder te noemen de kamer, van 10 april 2009, verzonden op 16 april 2009, waarbij de klacht gericht tegen de notaris gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk ongegrond en voor het overige gegrond is verklaard, zonder oplegging van een maatregel aan de notaris.

1.2. Van de zijde van geïntimeerde, hierna verder te noemen klaagster, is op 16 juni 2009 een verweerschrift ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 september 2009. De notaris was hierbij niet aanwezig, hetgeen hij reeds per schrijven gedateerd op 17 augustus 2009 had aangekondigd. Klaagster en haar zuster, [mevrouw X], zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat het hof zal uitgaan van de door de kamer in eerste aanleg vastgestelde feiten.

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de notaris met betrekking tot de op 12 november 1999 door hem geredigeerde en verleden uiterste wilsbeschikking, hierna: het testament, van [erflater], overleden op 23 november 2006, hierna te noemen erflater, het volgende:

a. Het testament is op onderdelen juridisch niet helder en kennelijk voor meer dan één interpretatie vatbaar.

b. De notaris heeft aan het testament een interpretatie gegeven ten gevolge waarvan de minderjarige zoon van erflater, diens enige erfgenaam, alle lasten, inclusief de rente op de hypothecaire lening, van de aan de partner van de erflater gelegateerde woning – nagenoeg het enige actief van de nalatenschap – zou moeten dragen en alle lusten daarvan voor de partner van erflater zouden zijn; indien deze interpretatie van het testament al juist is, heeft de notaris een testament geredigeerd dat onuitvoerbaar is en waarvan hij had moeten beseffen dat de gevolgen voor de minderjarige erfgenaam desastreus zijn.

c. Nadat klaagster de notaris had meegedeeld dat zij een second opinion had verkregen met betrekking tot de interpretatie van het testament en daarover overleg met hem wenste, heeft de notaris door zijn kandidaat-notaris klaagster telefonisch laten weten dat hij zijn werkzaamheden had beëindigd. De notaris was niet beschikbaar voor overleg. Bovendien is de notaris na beëindiging van zijn werkzaamheden de partner van erflater blijven adviseren en heeft hij zich derhalve partijdig opgesteld;

d. De notaris verricht zijn werkzaamheden in een uiterst traag tempo en op een onzorgvuldige wijze.

e. De notaris heeft klaagster, althans de minderjarige erfgenaam [A] ten onrechte een factuur verzonden. Klaagster heeft de notaris echter nergens toe opdracht gegeven, klaagster is geen executeur en zij heeft namens de minderjarige de erfenis niet aanvaard in afwachting van een rechterlijke uitspraak over de interpretatie van het testament. Nadat klaagster de notaris had verzocht om, hangende de procedure en zonder erkenning van de verschuldigdheid van de factuur, af te zien van incassomaatregelen heeft het door de notaris ingeschakelde incassobureau klaagster bericht dat de notaris tot dagvaarding wenste over te gaan.

f. De bejegening van de notaris is ver onder de maat. Hij heeft geen oog voor de belangen van de minderjarige erfgenaam, hij weigert klaagster informatie te verstrekken, hij condoleert de ouders van erflater niet en hij schakelt een incassobureau in om de door klaagster betwiste factuur te incasseren.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris bestrijdt de stellingen van klaagster en verweert zich, voor zover thans van belang, als volgt.

5.2. Allereerst stelt de notaris zich op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze noch op grond van de wet noch op grond van het testament titel heeft om de boedel te vertegenwoordigen. Uitsluitend de executeur is bevoegd de boedel te vertegenwoordigen.

5.3. Met betrekking tot de klachtonderdelen zoals vervat onder 4.a. en b. is de notaris van mening dat het testament door hem op de juiste wijze is geïnterpreteerd. De gebruikelijke oplossing bij de afwikkeling van een nalatenschap als deze is volgens de notaris om de woning die erflater heeft achtergelaten te verkopen, schulden af te lossen, de partner van erflater een vergoeding te betalen en het eventuele restant op de bank te zetten ten behoeve van de minderjarige erfgenaam.

Voor zover de klacht behelst dat de notaris in 1999 een uiterste wilsbeschikking zou hebben geredigeerd is de klacht volgens de notaris niet ontvankelijk aangezien de termijn genoemd in artikel 98 lid 12 van de Wet op het notarisambt, hierna: Wna, is verstreken.

5.4. Wat betreft het klachtonderdeel zoals vervat onder 4.c. baseert de notaris de beëindiging van zijn werkzaamheden op onherstelbaar geschaad vertrouwen. Hij betwist dat hij partijdig is geweest. De notaris heeft uit eigen beweging nadere informatie toegezonden aan de collega-notaris die de afwikkeling van de nalatenschap van hem heeft overgenomen, aan klaagster en aan de partner van erflater, omdat hij hen op de hoogte wilde stellen van zijn standpunt.

5.5. Het klachtonderdeel zoals vervat onder 4.d. is volgens de notaris ongegrond, omdat de vertraging in de afwikkeling van de nalatenschap van erflater te wijten is aan de houding van klaagster. De laatstgenoemde heeft namelijk niet gekozen voor de door de notaris voorgestelde gebruikelijke oplossing.

5.6. Tevens is het klachtonderdeel zoals vervat onder 4.e. volgens de notaris ongegrond. De factuur die aan klaagster is verzonden is gebaseerd op de opdracht die de partner van erflater in haar hoedanigheid van executeur aan de notaris heeft verstrekt. De factuur betreft werkzaamheden ter afwikkeling van de nalatenschap. Het is een preferente boedelschuld en dient te worden voldaan uit de erfenis. Hiertoe is thans klaagster bevoegd in haar hoedanigheid van voogdes van de minderjarige erfgenaam en vereffenaar.

Wat betreft het uit handen geven van zijn vordering aan een incassobureau heeft de notaris opgemerkt dat hij zijn kantoor in stand dient te houden, zodat hij zelfs verplicht kan zijn om tot incasso over te gaan.

5.7. Met betrekking tot het klachtonderdeel zoals vervat onder 4.f. verklaart de notaris dat het bij veel emotie geen wijsheid is om nog eens bij het overlijden nadrukkelijk stil te staan door middel van (uitvoerige) gesprekken en condoléances. Derhalve is het gesprek met de ouders kort en zakelijk gehouden. Er is door de notaris gekozen voor de ervaringswijs minst pijnlijke weg en een verwijt is hier niet op zijn plaats.

6. De beoordeling

6.1. Allereerst stelt het hof vast dat klaagster in haar hoedanigheid van voogdes de belangen van de minderjarige erfgenaam behartigt. Derhalve kan klaagster worden aangemerkt als belanghebbende, óók ten aanzien van de periode vóór dat zij voogdes werd benoemd. Dat de executeur de erfgenamen bij de afwikkeling van de boedel vertegenwoordigt moge juist zijn, het betekent niet dat belanghebbenden bij de boedel zich niet over het handelen of nalaten van de notaris kunnen beklagen.

6.2. Het klachtonderdeel zoals hiervoor omschreven onder 4.a. is door de kamer niet behandeld omdat klaagster dit ter zitting zou hebben ingetrokken. In hoger beroep heeft klaagster echter aangevoerd dat de kamer haar klaarblijkelijk verkeerd heeft begrepen: zij heeft slechts willen zeggen van de kamer geen uitspraak te verlangen over de vraag of de rente op de hypothecaire lening nu wel of niet tot de lasten behoort die door de zakelijk gerechtigde gebruiker moeten worden voldaan, maar heeft daarmee niet haar klacht willen intrekken.

Het hof zal derhalve dit klachtonderdeel alsnog behandelen.

6.3. Het hof zal de klachtonderdelen zoals vervat onder 4.a. en b. gezamenlijk behandelen.

De notaris heeft allereerst aangevoerd dat klaagster in de hier bedoelde klachten niet ontvankelijk is omdat zij betrekking hebben op het testament dat in 1999 door hem ten behoeve van de erflater is opgemaakt, derhalve buiten de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 98 lid 12 Wna. Dit verweer faalt omdat klaagster eerst na het overlijden van erflater in 2006 van het testament heeft kunnen kennis nemen. De klachten zijn derhalve ontvankelijk.

6.4. Inhoudelijk heeft de notaris met betrekking tot de klachtonderdelen zoals vervat onder 4.a. en b. aangevoerd dat de uiterste wilsbeschikking is opgesteld met de gebruikelijke bepalingen. Deze hebben volgens de notaris tot gevolg dat de woning moet worden verkocht en dat de schulden uit de opbrengst moeten worden voldaan na rangregeling. De gebruiker krijgt – vergelijkbaar met de ruimende huurder – dan een vergoeding. Het hof leidt hier uit af dat het – in de opvatting van de notaris – in een geval als het onderhavige gebruikelijk is dat een dergelijke legaat van (vrucht)gebruik niet ten uitvoer wordt gelegd.

Uit de interpretatie van het testament door de notaris en de door hem aangeraden oplossing leidt het hof af dat de redactie van de uiterste wilsbeschikking uit 1999 niet ondubbelzinnig was en in de uitwerking door de notaris heeft geleid tot een gevolg waarvan niet aannemelijk is dat erflater dit heeft beoogd. Het hof is daarom van oordeel dat de klachten onder 4.a. en b. gegrond zijn.

6.5.1. Met betrekking tot het verwijt van klaagster verwoord onder klachtonderdeel 4.c., inhoudende dat de notaris zijn werkzaamheden heeft beëindigd nadat klaagster hem had meegedeeld dat zij een second opinion had verkregen en deze met hem wilde bespreken, oordeelt het hof dat ook dit gedeelte van de klacht gegrond is. Het vragen van een second opinion is naar het oordeel van het hof geen goede grond voor de notaris om diens werkzaamheden met betrekking tot de nalatenschap van erflater te beëindigen.

6.5.2.Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel zoals vervat onder 4.c. is het hof van oordeel dat het in beginsel een notaris, die zijn werkzaamheden voor de boedel beëindigd heeft, niet vrij staat zich alsnog inhoudelijk met de zaak te bemoeien. Uit het verweer van de notaris, dat door klaagster onvoldoende is weersproken, blijkt echter dat hij de opvolgend boedelnotaris en partijen heeft willen informeren over zijn opvattingen en die heeft willen onderbouwen. Een dergelijke handelwijze kan behulpzaam zijn bij de verdere behandeling van de boedel door de opvolgend boedelnotaris en is niet klachtwaardig. Dat de opvattingen van de notaris discutabel zijn en niet alle betrokken conveniëren maakt zulks niet anders.

Het tweede gedeelte van de klacht zoals vervat onder 4.c. is derhalve ongegrond.

6.6. Klaagster heeft haar verwijt dat de notaris zijn werkzaamheden in een uiterst traag tempo en op onzorgvuldige wijze zou verrichten niet voldoende aannemelijk gemaakt. De klacht onder 4.d. is daarom ongegrond.

6.7. Het hof is met de kamer van oordeel dat de notaris de rekening voor zijn dienstverlening bij de executeur en opdrachtgever, zijnde de partner van erflater, had moeten indienen en niet bij de minderjarige erfgenaam, dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger. Ook wanneer dit anders zou zijn geweest oordeelt het hof dat onder de gegeven omstandigheden het uit handen geven van de vordering aan een incassobureau en het dreigen met maatregelen in rechte alle perken te buiten gaan. Het verweer van de notaris dat hij tot incasso zou moeten overgaan omdat hij zijn kantoor in stand moet houden kan het hof niet serieus nemen. De klacht onder 4.e. is derhalve in alle onderdelen gegrond.

6.8. Wat betreft de klacht vervat onder 4.f. is het oordeel van het hof deels vervat in het voorgaande. Wat betreft de weigering om aan klaagster informatie te verstrekken dient te worden opgemerkt dat de notaris hiertoe niet gehouden was tot het moment dat klaagster tot voogdes van de minderjarige erfgenaam is benoemd, derhalve tot 14 maart 2007. Gelet op het feit dat de notaris zijn werkzaamheden per 25 juni 2007 heeft beëindigd, stelt het hof vast dat de notaris eerst vanaf 14 maart 2007 gehouden was om aan klaagster informatie te verschaffen. Uit de stukken is het hof niet gebleken dat de notaris in bedoelde periode heeft geweigerd klaagster informatie te verschaffen. De klacht onder 4.f. is wat betreft de weigering om informatie te verstrekken in zoverre ongegrond.

Ofschoon het behoort tot de gebruikelijke fatsoensnormen om jegens ouders die een kind hebben verloren en met wie de notaris uit hoofde van zijn ambt in contact treedt, van enig gepast medeleven blijk te geven, is het achterwege laten daarvan niet in strijd met de norm van artikel 98 lid 1 Wna. In zoverre is de klacht ongegrond.

6.9. Het hof komt op grond van het vooroverwogene tot de conclusie dat de notaris laakbaar heeft gehandeld bij de afwikkeling van de nalatenschap. Het hof acht de maatregel van berisping passend en geboden.

Nu het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

6.10. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.11. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing waarvan beroep, en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klachten zoals hierboven vervat onder 4.a., b., en e. geheel gegrond en de klachten onder 4.c. en f. gedeeltelijk gegrond;

- legt deswege aan de notaris de maatregel van berisping op;

- verklaart de klacht onder 4.d. geheel ongegrond en de klachten zoals hierboven vervat onder 4.c. en f. voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en F.A.A. Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 25 mei 2010 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET

ARRONDISSEMENT MAASTRICHT

De kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen voormeld heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

hierna te noemen: klaagster,

tegen:

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

hierna te noemen: de notaris.

1. Het verloop van de procedure

Bij schrijven van 17 juni 2008, met bijlagen, heeft klaagster bij de kamer van toezicht te Roermond een klacht ingediend tegen de notaris.

Aangezien de notaris deel uitmaakt van de kamer van toezicht te Roermond heeft de president van het Gerechtshof te Amsterdam bij beslissing ex artikel 98, lid 3 Wna van 1 juli 2008 de kamer van toezicht te Maastricht belast met de behandeling van de klachten.

Bij brief van 27 augustus 2008, met bijlagen, heeft de notaris op de klacht gereageerd.

Op 12 november 2008 heeft de kamer de klacht in behandeling genomen. Bij die gelegenheid heeft de notaris verzocht dat de kamer in een andere samenstelling oordeelt over de klacht omdat een kantoorgenoot van [mr. Z], notarislid van de kamer van toezicht te Maastricht, in de onderhavige kwestie waarop de klacht betrekking heeft, advies heeft verstrekt aan klaagster.

Daarop is de behandeling aangehouden tot een nader te bepalen tijdstip zodat de kamer de gelegenheid heeft om op het verzoek te beslissen.

[Mr. Z], notarislid van de kamer, heeft vervolgens besloten zich te verschonen om daarmee alle schijn van partijdigheid te vermijden.

Op 12 februari 2009 is de behandeling van de klacht voortgezet in aanwezigheid van klaagster. Tevens waren [mevrouw X] en haar dochter aanwezig. De notaris heeft schriftelijk laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Na afloop van de behandeling heeft de voorzitter medegedeeld dat partijen zo spoedig mogelijk de beslissing van de kamer tegemoet kunnen zien.

2. De vaststaande feiten

Op 23 november 2006 is [erflater] overleden, met achterlating van de 12-jarige zoon [A]. [Erflater] heeft een testament laten opstellen met zoon [A] als enig erfgenaam. De partner van erflater, [partner erflater], wordt in het testament benoemd tot executeur en voogd van [A]. Tevens is zij legataris van de levenslange zakelijke rechten van gebruik van de woning, gelegen aan [adres] te [plaatsnaam].

Nadat [partner erflater] de voogdij niet heeft aanvaard, is klaagster op haar verzoek bij beschikking van 14 maart 2007 van de kantonrechter te Roermond benoemd tot voogd van de minderjarige [A].

Bij brief van 25 juni 2007 heeft de notaris aan klaagster medegedeeld de afwikkeling van de nalatenschap terug te geven aan partijen en af te zien van verdere werkzaamheden en als bijlage de nota voor reeds verrichte werkzaamheden gevoegd.

Bij brief van 11 juni 2008 van incassobureau Adactio is [A] c.q. klaagster als diens voogd gesommeerd de nota van 25 juni 2007 betreffende de werkzaamheden van de notaris terzake de afwikkeling van het testament binnen 10 dagen te voldoen.

Bij brief van 17 juni 2008 heeft klaagster de notaris erop gewezen dat er geen juridische titel is om haar c.q. [A] een nota betreffende diens werkzaamheden terzake de afwikkeling van het testament te sturen.

3. De inhoud van de klacht en de reactie van de notaris daarop

3.1 Klaagster is - zakelijk weergegeven - allereerst van mening dat het door de notaris in opdracht van haar broer opgestelde testament op onderdelen juridisch niet helder, althans onvoldoende doordacht is. Bovendien is zij van mening dat de notaris bepaalde onderdelen onjuist interpreteert, in afwijking van de volgens klaagster gangbare opvattingen. Het onderdeel waarbij - zakelijk weergegeven - aan de zoon als enig erfgenaam de woning, belast met hypotheek, wordt nagelaten en anderzijds aan [partner erflater] levenslang het gebruik van diezelfde woning, is onvoldoende doordacht en dreigt nu tot ernstig financieel nadeel voor de zoon als erfgenaam te leiden.

Klaagster verwijt de notaris verder dat hij niet als onpartijdig notaris is opgetreden. In het met [partner erflater] ontstane conflict en de daarop gevolgde procedure naar aanleiding van de uitvoering van het hiervoor kort aangehaalde deel van het testament, heeft hij - nadat hij formeel had laten weten aan klaagster geen werkzaamheden meer te willen verrichten of uitleg te willen geven - zich wel nog tot [partner erflater] gewend, met de mededeling dat zijn interpretatie van het deel van het testament juist was. Hij heeft [partner erflater] daarbij van verschillende juridische artikelen voorzien en is voor haar als een soort pleitbezorger gaan optreden.

Wat klaagster de notaris ook verwijt is de bejegening door de notaris. Die is volgens klaagster onder maat. De notaris heeft geen oog voor de belangen van het minderjarige kind, hij weigert informatie te verstrekken, hij condoleert de diepbedroefde (groot)ouders niet, gaat overal “kort door de bocht” en stelt zich arrogant op. Ook het feit dat hij klaagster een factuur stuurt voor zijn dienstverlening is niet netjes omdat klaagster hem nergens opdracht toe heeft gegeven, klaagster geen executeur is en zij de erfenis niet heeft aanvaard in afwachting van een rechterlijke uitspraak over de inhoud van het testament. Zelfs nadat klaagster de notaris op die feiten en omstandigheden had geattendeerd heeft hij toch nog een incassobureau ingeschakeld.

3.2 De notaris heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd, waarvoor wordt verwezen naar het schrijven van 27 augustus 2008, dat als hier ingelast dient te worden beschouwd.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Bij de mondelinge behandeling van de klacht heeft klaagster aangegeven dat de klacht thans niet meer de werkzaamheden van de notaris inzake (de inhoud van) het testament van [erflater] - die kwestie is ter beoordeling aan de rechter voorgelegd - betreft, maar de bejegening door de notaris.

4.2 De kamer ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. Bij beschikking van 14 maart 2007 - uitvoerbaar bij voorraad - van de kantonrechter te Roermond is klaagster benoemd tot voogd over [A]. Daarmee is zij vanaf 15 maart 2007 als voogd wettelijk vertegenwoordiger voor [A] (artikel 337 BW 1). De kamer is dan ook van oordeel dat klaagster pas vanaf dát moment in deze nieuwe hoedanigheid als belanghebbende kan worden beschouwd, en zij, voor wat betreft de klachtonderdelen die betrekking hebben op de periode vanaf 15 maart 2007, in de klachten kan worden ontvangen. Met betrekking tot de klachtonderdelen die betrekking hebben op de periode vóór 15 maart 2007 acht de kamer klaagster om deze reden niet ontvankelijk.

4.3 Voor de periode van 15 maart 2007, de dag dat klaagster voogd en wettelijk vertegenwoordiger is van [A], tot 25 juni 2007, de dag waarop de notaris heeft besloten zijn werkzaamheden inzake de afwikkeling van de nalatenschap te beëindigen overweegt de kamer het volgende. In tegenstelling tot de eerste periode is klaagster belanghebbende en in zoverre ontvankelijk in haar klacht over de bejegening gedurende deze periode. Als door de notaris niet weersproken stelt de notaris zich ook in deze periode zeer zakelijk op tegenover klaagster. Dat die zakelijke opstelling van de notaris jegens klaagster weliswaar formeel juist is neemt niet weg dat een, gezien de geschetste omstandigheden, meer empathische opstelling misschien wenselijker ware geweest. De door klaagster geschetste wijze van bejegening door de notaris acht de kamer echter niet van dien aard dat de klacht gegrond is.

4.4 Voorts verwijt klaagster de notaris dat hij [A] c.q. klaagster een factuur heeft gestuurd voor zijn dienstverlening hoewel zij geen executeur is en zij hem nergens opdracht toe had gegeven.

Zoals de notaris in zijn verweerschrift heeft aangehaald is de executeur vertegenwoordiger en beheerder over de boedel. Zijn werkzaamheden in deze heeft de notaris verricht in opdracht van de executeur, [partner erflater]. De rekening voor die werkzaamheden had de notaris dan ook bij de opdrachtgever, zijnde [partner erflater], moeten indienen en niet bij de erfgenaam c.q. de wettelijke vertegenwoordiger. De notaris heeft dit niet inhoudelijk bestreden. Van hem mocht dan ook verwacht worden, nadat hij hierop door klaagster was gewezen, de verdere pogingen tot incasso achterwege te laten. Dit heeft hij echter nagelaten. De kamer acht deze gang van zaken niet correct en verklaart dit klachtonderdeel gegrond, echter zonder oplegging van een maatregel.

5. De beslissing

De kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Maastricht:

- verklaart de klacht onder 4.2 niet ontvankelijk,

- verklaart de klacht onder 4.3 ongegrond,

- verklaart de klacht onder 4.4 gegrond, zonder oplegging van een maatregel.

Aldus gegeven te Maastricht op 17 maart 2009 door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter,

mr. R.H.J. Otto en mr. C.L.J.R. Douven, kroonleden,

mr. C.J. Leussink, notarislid, en mr. P.J.N.T. Zeestraten, plaatsvervangend notarislid,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.Chr.H.M. Geurts, secretaris.