Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM6097

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
23-001673-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De terugwerkende kracht van de onverbindheid van de beschikking tot ongewenstverklaring brengt met zich dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001673-08

datum uitspraak: 21 mei 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2006 in de strafzaak onder parketnummer 15-630666-06.

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

[adres] [woonplaats]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

26 juli 2006 en op de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 juli 2006 te Uitdam, gemeente Waterland, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft verwezen naar de notitie van 9 december 2008 opgesteld door zijn collega mr. J.J.M. Gielen-Winkster, advocaat-generaal, en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Verdachte is een EU-onderdaan, die bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 26 juli 2006 onherroepelijk is veroordeeld voor het op 18 juli 2006 te Uitdam, gemeente Waterland, verblijven in Nederland, wetende dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Nadien is bij beschikking van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 26 oktober 2006 het bezwaarschrift tegen de beschikking d.d. 28 april 2005 tot ongewenstverklaring alsnog gegrond verklaard en is de ongewenstverklaring van Conway opgeheven.

Vervolgens is een aanvraag tot herziening van het onherroepelijke vonnis van de politierechter ingediend bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft onder meer overwogen dat op grond van de inhoud van de beschikking het er voor moet worden gehouden dat de opheffing van de ongewenstverklaring terugwerkende kracht heeft tot 29 april 2006, zijnde de datum waarop de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad, geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door de wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, in werking is getreden..

Gelet daarop, heeft de Hoge Raad - onder meer in rechtsoverweging 4.5 - overwogen dat aan de beschikking van 26 oktober 2006 een ernstig vermoeden valt te ontlenen, dat de politierechter, ware deze met voornoemde beschikking en de daarin vervatte overwegingen bekend geweest, de aanvrager van het tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

De Hoge Raad heeft de aanvraag tot herziening gegrond verklaard, de opschorting/schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter bevolen en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam.

Nu door de uitspraak van de Hoge Raad is komen vast te staan dat als gevolg van de terugwerkende kracht van de opheffing van de ongewenstverklaring tot 29 april 2006 verdachte op 18 juli 2006 geen ongewenst vreemdeling was, kan het tenlastegelegde naar het oordeel van het openbaar ministerie niet bewezen worden verklaard en zal de verdachte vrijgesproken dienen te worden.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ten aanzien van het ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

Hij verwijst evenals de advocaat-generaal naar de notitie van 9 december 2008 van mr. J.J.M. Gielen-Winkster, waarin deze stelt dat met terugwerkende kracht is vast komen staan dat verdachte op 18 juli 2006 niet meer ongewenst vreemdeling was, zodat zijn cli├źnt ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden.

Beoordeling door het hof.

Om de redenen als door het openbaar ministerie aangevoerd zal het hof de verdachte van het ten laste gelegde vrijspreken, nu de verdachte op 18 juli 2006 niet ongewenst vreemdeling was.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. P.M. Brilman en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van mr. A. Sahin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2010.

De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.