Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM5138

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
23-006140-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2007:BB5734, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Verwerping van verweren, gericht op ontbreken opzet en ontbreken samenwerking. Tevens verwerping van een verweer, inhoudende een beroep op noodweer. Naar ’s hofs oordeel is onmiskenbaar dat gedachten en/of gevoelens die zijn opgewekt door de door de verdachte veronderstelde seksuele geaardheid van de slachtoffers de aanleiding voor het geweld zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-006140-07

datum uitspraak: 13 april 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-420863-07 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 oktober 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging, dat:

Feit 1:

Primair:

hij op of omstreeks 26 mei 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft geschopt en/of gestompt

Subsidiair:

hij op of omstreeks 26 mei 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere schedelbasisfracturen en/of een aangezichtsfractuur en/of een neusfractuur en/of lucht en/of bloedingen in het hoofd), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 1] opzettelijk meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht, althans het hoofd, te schoppen en/of te stompen

Feit 2:

Primair:

hij op of omstreeks 26 mei 2007 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Vijzelstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit - het meermalen, althans eenmaal, schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het gezicht althans hoofd en/of lichaam en/of de benen van die [slachtoffer 1] en/of - het meermalen, althans eenmaal, schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het (boven)lichaam en/of de benen van die [slachtoffer 2], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het (boven)lichaam en/of de benen heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen, en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (meerdere schedelbasisfracturen en/of een aangezichtsfractuur en/of een neusfractuur en/of lucht en/of bloedingen in het hoofd) en/of enig lichamelijk letsel (een opgezwollen enkel) voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad

Subsidiair:

hij op of omstreeks 26 mei 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het (boven)lichaam en/of de benen heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (meerdere schedelbasisfracturen en/of een aangezichtsfractuur en/of een neusfractuur en/of lucht en/of bloedingen in het hoofd) en/of enig lichamelijk letsel (een opgezwollen enkel), heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt, reeds omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Dat de verdachte de intentie zou hebben gehad het slachtoffer te doden, noch dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden, vindt ondersteuning in het dossier.

Bespreking van bewijsverweren

Ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd -kort gezegd- dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel. Zij heeft erop gewezen dat de verdachte aan het slachtoffer [slachtoffer 1] niet meer dan een enkele vuistslag in het gezicht heeft toegediend. De verdachte heeft het gevolg daarvan, zwaar lichamelijk letsel, blijkens de door hem gedurende het onderzoek afgelegde verklaringen niet beoogd. Ook kan niet gezegd worden dat de kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van het handelen van de verdachte naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk moet worden aangemerkt. In ieder geval is de verdachte zich van het bestaan van zo'n aanmerkelijke kans niet bewust geweest en heeft hij deze reeds daarom niet willens en wetens aanvaard. Op grond hiervan dient de verdachte ook van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, zware mishandeling, te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep de volgende gang van zaken vast. De verdachte heeft het latere slachtoffer [slachtoffer 1] een krachtige vuistslag in het gezicht gegeven, waarop [slachtoffer 1] achterover met het hoofd op de grond is gevallen en direct het bewustzijn heeft verloren. Naast meer letsels aan de schedel heeft [slachtoffer 1] ook een fractuur van het neusbeen opgelopen.

Het hof is van oordeel dat de aard van die gedraging - een zo krachtige vuistslag in het gezicht, dat daardoor een breuk van het neusbeen optreedt - gelet op hetgeen de ervaring dienaangaande leert en in aanmerking genomen dat het hoofd een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is, de aanmerkelijke kans in zich bergt dat daardoor zwaar lichamelijk letsel wordt veroorzaakt. Die aanmerkelijke kans heeft zich in het onderhavige geval ook verwezenlijkt. Immers, ten gevolge van de door de verdachte uitgedeelde krachtige vuistslag is niet alleen een breuk van het neusbeen van [slachtoffer 1] veroorzaakt, maar is hij bovendien met het hoofd hard in aanraking met de grond gekomen, met de overige ten laste gelegde letsels als gevolg. Het kan niet anders zijn dan dat ook de verdachte zich bewust moet zijn geweest van het bestaan van die aanmerkelijke kans, te meer nu de verdachte geoefend militair is. Door niettemin die vuistslag uit te delen heeft hij het risico dat [slachtoffer 1] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou bekomen op de koop toe genomen.

Ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd - kort gezegd- dat de stomp die de verdachte [slachtoffer 1] in het gezicht gaf een op zichzelf staande gedraging betreft en dat dit geweld niet in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte] is gepleegd. Vervolgens zijn [slachtoffer 2] en [medeverdachte] elkaar te lijf gegaan, zodat de verdachte niet voor enig jegens [slachtoffer 2] gebezigd geweld strafrechtelijk aansprakelijk mag worden gehouden. Van enige bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] is niet gebleken. Op grond hiervan dient de verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken zijn de verdachte en [medeverdachte], die samen over de Vijzelstraat te Amsterdam liepen, met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in gesprek geraakt. Dit gesprek mondde uit in een woordenwisseling, waarbij de verdachte aan [slachtoffer 1] vervolgens met gebalde vuist een stomp in het gezicht heeft gegeven. Direct daarna raakten [medeverdachte] en [slachtoffer 2] in een worsteling verwikkeld, waarbij [medeverdachte][slachtoffer 2] meermalen tegen het lichaam heeft gestompt. De verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [medeverdachte] met [slachtoffer 2] aan het vechten was. Toen kort daarna de politie ter plaatse kwam, heeft de verdachte [medeverdachte] gewaarschuwd en zijn zij samen weggerend. Het hof is van oordeel dat, gelet op het verloop van al deze gebeurtenissen, de verdachte door aldus te handelen een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat door [medeverdachte] is gebruikt en dat de verdachte dusdoende dit geweld in vereniging met de ander heeft gepleegd.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

Subsidiair:

hij op 26 mei 2007 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ,een schedelbasisfractuur, een neusfractuur en lucht en bloedingen in het hoofd, heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 1] opzettelijk tegen het gezicht te stompen.

Feit 2:

Primair:

hij op 26 mei 2007 te Amsterdam met een ander aan de openbare weg, Vijzelstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het eenmaal stompen tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] en het meermalen stompen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 1] tegen het gezicht heeft gestompt en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel, een schedelbasisfractuur, een neusfractuur en lucht en bloedingen in het hoofd, voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen onder 1 subsidiair en onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd - kort gezegd - dat sprake is van een noodweersituatie. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [slachtoffer 1] heeft getracht [medeverdachte] te slaan, en dat de verdachte, ter bescherming van [medeverdachte], [slachtoffer 1] daarop een vuistslag heeft gegeven. Op grond van deze gang van zaken dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De stukken in het dossier bieden geen redelijk aanknopingpunt voor het aannemen van het bestaan hebben van de door de raadsvrouw geschetste gang van zaken. Noch de medeverdachte [medeverdachte], noch de in de loop van het onderzoek gehoorde getuigen hebben verklaard dat zij een slaande beweging van [slachtoffer 1] hebben waargenomen. Dat [slachtoffer 1] heeft getracht [medeverdachte] te slaan is dan ook niet aannemelijk geworden, zodat de door de verdachte aan [slachtoffer 1] uitgedeelde vuistslag niet heeft te gelden als een handeling, die ter noodzakelijke verdediging tegen enige wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] geboden is geweest. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

zware mishandeling;

ten aanzien van het onder 2 primair bewezen verklaarde

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Het door de verdachte toegepaste straatgeweld heeft voor het slachtoffer ernstige gevolgen gehad, zoals daarvan mede blijkt uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring. Zo heeft hij een periode in het ziekenhuis gelegen, heeft hij lang niet kunnen werken noch kunnen autorijden en is zijn reukvermogen naar het zich laat aanzien blijvend aangetast. Voorts kunnen bij het slachtoffer en de getuigen van dergelijk geweld gevoelens van angst en onzekerheid gedurende lange tijd blijven bestaan. Op grond hiervan is de oplegging van een gevangenisstraf de enig passende strafrechtelijke sanctie. Het redeloze geweld wordt voorts nog door het navolgende gemarkeerd.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en ook de in hun gezelschap verkerende [getuige], vloeit voort dat het door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] uitgeoefende geweld direct is gevolgd op een bevestigend antwoord van [slachtoffer 1] op de vraag of hij, [slachtoffer 1], homoseksueel was. De verdachte heeft gedurende het onderzoek weliswaar ontkend dat de seksuele geaardheid van [slachtoffer 1] aanleiding was om hem te mishandelen, maar gelet op de opeenvolging van de gebeurtenissen en de door de verdachte en zijn medeverdachte gekozen woorden (gay en fag) -het een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd- is naar 's hofs oordeel onmiskenbaar dat gedachten en/of gevoelens die zijn opgewekt door de door de verdachte veronderstelde seksuele geaardheid van [slachtoffer 1] c.s. de aanleiding voor de geweldsexplosie zijn geweest.

Het hof ziet hierin aanleiding om een zwaardere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan en ook dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, nu de ernst van de misdrijven en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, daarin in onvoldoende mate tot uitdrukking komen.

Het hof houdt er anderzijds ten voordele van de verdachte rekening mee dat de feiten voor de verdachte tot gevolg hebben gehad dat zijn carriere in het Canadese leger is beeindigd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 6.839,22, zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering in eerste aanleg betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten, welke betwisting door de raadsvrouw ter zitting in hoger beroep is herhaald. Zij heeft voorts aangedrongen op matiging van het eventueel toe te wijzen bedrag, met name ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand die zij hoog acht.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de voormeld bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden. Voor matiging ziet het hof geen aanleiding, nu de als gevolg van de bewezen verklaarde strafbare feiten geleden schade dient te worden vergoed. De kosten van rechtsbijstand zijn naar het oordeel van het hof reeel, gelet op de aanwezigheid van een advocaat als gemachtigde van de benadeelde partij ter zitting in eerste aanleg en op de door deze gevoerde correspondentie, die zich in het dossier bevindt.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde.

In eerste aanleg is op deze vordering niet beslist.

Nu niet is gebleken dat de benadeelde partij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep (wederom) als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, kan haar vordering buiten beschouwing blijven.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het bewezen verklaarde en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voor zover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel, een bedrag van EUR 5.339,22 (vijfduizend driehonderdnegenendertig euro en tweeentwintig cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op EUR 1.500 (duizend vijfhonderd euro).

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot

EUR 5.339,22 (vijfduizend driehonderdnegenendertig euro en tweeentwintig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 1].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 61 (eenenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan een van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. R. Veldhuisen en mr. P.A.M. Hoek, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 april 2010.