Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM5044

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
23-002798-06
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ7018, Meerdere afhandelingswijzen
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BS1730, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BS1730
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vals geld. Verwerping van verweren, gericht op proportionaliteit en subsidiariteit telefoontap en onrechtmatigheid doorzoeking. Tevens verwerping van verweer, gericht op ontbreken oogmerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002798-06

datum uitspraak: 1 februari 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 2 juni 2006 in de strafzaak onder parketnummer 15-751640-05 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1955],

adres: [adres].

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Haarlem vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 20 januari 2006, 8 februari 2006 en 19 mei 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 29 juni 2009, 05 oktober 2009 en 18 januari 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, overeenkomstig de op de terechtzittingen in eerste aanleg van 20 januari 2006 en 8 februari 2006 op vorderingen van de officier van justitie toegestane aanpassing respectievelijk wijziging tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde, dat:

feit 1:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van

a. 03 februari 2005 tot en met 01 maart 2005 en/of

b. 20 april 2005 tot en met 05 mei 2005

te Amsterdam en/of te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit als bedoeld in artikel 209 Wetboek van Strafrecht, te weten het ontvangen en/of zich verschaffen en/of in voorraad hebben en/of vervoeren van een of meer valse en/of vervalste bankbiljetten, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, waarvan de valsheid hem toen hij deze ontving bekend was, voor te bereiden (telkens) opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, of voorhanden heeft gehad, immers heeft verdachte en/of zijn mededaders

- (echt) geld voorhanden gehad (ter aankoop van vals geld) en/of

- een of meer monsters (van vals geld) en/of biljetten vals geld voorhanden gehad

- een voorwerp, namelijk een apparaat dat ultraviolet licht uitstraalt, voorhanden gehad en/of

- (telefonische en/of persoonlijke) contacten gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn mededaders en/of leveranciers betreffende de kwaliteit en/of de coupures en/of de prijs en/of de levering van vals geld en/of

- een of meer hand- of spandiensten verricht.

feit 2:

hij op of omstreeks 29 augustus 2005

a. te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk twee bankbiljetten van 200 euro, in elk geval een bankbiljet van 200 euro en/of

b. te Amsterdam opzettelijk een bankbiljet van 50 US-dollar,

dat/die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat/die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat/die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad, bestaande die valsheid hierin dat voor dat/die bankbiljet(ten) een van echt afwijkende papiersoort en/of druk- of reproductietechniek was/waren gebruikt en/of dat de overige echtheidskenmerken ontbraken.

feit 4:

primair: hij op of omstreeks 29 augustus 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een bankwisselbrief met nummer FM002077 van de [bank] ter waarde van fl. 100.000,- heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl verdachte ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die bankwisselbrief wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen bankwisselbrief betrof

subsidiair: hij op een of meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2004 tot en met 29 augustus 2005 te Amsterdam, althans in Nederland een bankwisselbrief met nummer FM002077 van de [bank] ter waarde van fl. 100.000,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de bankwisselbrief van misdrijf afkomstig was

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De opgave van het feit in de tenlastelegging onder 1

Het hof is van oordeel dat de inleidende dagvaarding onder feit 1 wat betreft het gedeelte ‘(telefonische en/of persoonlijke) contacten gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn mededaders en/of leveranciers betreffende de kwaliteit en/of de coupures en/of de prijs en/of de levering van vals geld’ nietig behoort te worden verklaard, omdat dit gedeelte niet kan worden begrepen als een feitelijke omschrijving van het daarvoor omschreven ‘verwerven, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren of voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen’. De tenlastelegging is in zoverre onbegrijpelijk, hetgeen in zoverre leidt tot nietigheid.

Het hof overweegt voorts dat de inleidende dagvaarding onder feit 1 wat betreft het gedeelte ‘een of meer hand- of spandiensten verricht’ nietig behoort te worden verklaard, omdat deze termen geen nadere feitelijke omschrijving hebben gekregen. Het is daarom niet duidelijk op welke gedraging(en) de steller van de tenlastelegging het oog heeft gehad. Het hof is -met de rechtbank- van oordeel dat deze zinsnede op zichzelf genomen onvoldoende feitelijk is en dat de tenlastelegging in zoverre niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt, zodat de tenlastelegging in zoverre door het hof nietig zal worden verklaard.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 4 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Verweren en verzoeken

Door de raadsvrouwe is op voorhand aan het hof een pleitnota met bijlagen van de verdachte zelf toegezonden, waarbij zij de wens van de verdachte kenbaar heeft gemaakt die pleitnota uit te spreken naast het pleidooi dat zij zelf in de zaak zou voeren. Ter terechtzitting van 18 januari 2010 heeft de verdachte ook, na afloop van het pleidooi van zijn raadsvrouw, het woord gevoerd aan de hand van eerdergenoemde pleitnota. De raadsvrouw heeft vervolgens desgevraagd verklaard dat, gelet op het pleidooi van de verdachte, in afwijking van hetgeen in haar pleitaantekeningen is vermeld, aan de door haar in haar pleitnota gevoerde formele verweren primair de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te worden verbonden en dat het pleidooi van de verdachte overigens als nadere toelichting op het door haar, raadsvrouwe, gehouden pleidooi heeft te gelden. Gelet op het voorgaande zal het hof voor wat betreft de te bespreken verweren en verzoeken uitgaan van hetgeen in de pleitaantekeningen van de raadsvrouw is opgenomen, met dien verstande dat daaraan primair de conclusie van niet-ontvankelijkheid geacht moet worden te zijn verbonden.

Formele verweren

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd - kort gezegd - dat het gebruik van de in augustus 2005 aangelegde zogenaamde traceertap niet aan de aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te ontlenen eisen voldoet. Bovendien is de rechter-commissaris niet geinformeerd over het nevendoel van deze traceertap, namelijk het onderzoeken van de verdere (mogelijk strafbare) activiteiten van de verdachte.

Voorts heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting aangevoerd - kort gezegd - dat op 5 september 2005 een tweede, niet in de stukken verantwoorde en daarmee onrechtmatige doorzoeking in de woning van de verdachte is uitgevoerd.

De raadsvrouw van de verdachte concludeert op basis van het bovenstaande primair tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Subsidiair concludeert zij tot bewijsuitsluiting.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsvrouw in al hun onderdelen en overweegt daartoe als volgt.

Met betrekking tot de telefoontap, waarmee het traceren van de verdachte is beoogd geldt, dat de verdachte zeker twee, maar volgens zijn eigen verklaring zelfs vier mogelijke verblijfsadressen had. Bij de twee eerstbedoelde woningen is geobserveerd en op deze wijze is de verblijfplaats van de verdachte niet achterhaald. Het hof is van oordeel dat de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet meebrengen dat, alvorens over te gaan tot een rechtmatige telefoontap, nogmaals of langduriger had moeten worden geobserveerd. Voorts is het hof van oordeel dat het enkele feit dat de mobiele telefoon van de verdachte op enig moment een zendmast in de buurt van een van vorenbedoelde woningen aanstraalde, niet een zodanig uitsluitsel over de verblijfplaats van de verdachte gaf dat van een verlenging van de machtiging had moeten worden afgezien. Het verwijt dat de rechter-commissaris onvolledig was geinformeerd, namelijk niet op de hoogte is gebracht van het ‘aanstralen’ van de zendmast in de buurt van een van de genoemde woningen, treft reeds om die reden geen doel. Het hof stelt voorts vast, dat de ‘traceertap’ is gebruikt voor het doel waartoe de machtiging was verleend. Immers, toen door een afgeluisterd en opgenomen gesprek bekend werd dat de verdachte zich naar Schiphol begaf, is naar aanleiding van deze informatie onverwijld gehandeld en is de verdachte op Schiphol aangehouden. Dat de telefoontap voor de opsporingsambtenaren, naast de vaststelling van de verblijfplaats mogelijk nog een ander doel diende, betekent niet dat de rechter-commissaris -ook indien hij bekend zou zijn geweest met dit ‘nevendoel’- niet in redelijkheid tot het verlenen van de machtiging had kunnen komen.

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte ervan overtuigd is dat er een - niet in enig proces-verbaal verantwoorde - tweede doorzoeking in zijn woning heeft plaatsgevonden en dat daarbij geld is weggenomen. Het hof is van oordeel dat de inhoud van het dossier, in het bijzonder gelet op het door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakte ambtsedig proces-verbaal van 14 december 2005 en de BIO stukken die - door aanhechting aan de pleitnota van 29 juni 2009 - deel zijn gaan uitmaken van het dossier, geen redelijke aanknopingspunten bevat en dat voorts het onderzoek ter terechtzitting geen redelijke aanwijzingen heeft opgeleverd om aan te nemen dat er een tweede, niet in de stukken verantwoorde, doorzoeking is geweest.

Nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van vormverzuimen geen sprake is geweest, is de feitelijke grondslag aan de verweren komen te ontvallen en behoeven de daaraan door de raadsvrouw verbonden rechtsgevolgen geen verdere bespreking.

Verzoeken

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven te persisteren in de verzoeken die de verdediging ter gelegenheid van de regiezitting in deze zaak heeft gedaan. Het hof begrijpt dat deze verzoeken herhaald doch voorwaardelijk, namelijk voor het geval het hof de tot niet-ontvankelijkheid leidende verweren niet zou honoreren, zijn gedaan. Nu die voorwaarde is vervuld, zullen de verzoeken worden besproken.

Sinds de regiezitting van 29 juni 2009, waarin de verzoeken door het hof gemotiveerd zijn afgewezen, zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen, die zouden kunnen leiden tot de noodzaak thans een van de verzoeken toe te wijzen.

Met betrekking tot het op de politiefunctionaris [verbalisant 2] betrekkelijke verzoek overweegt het hof nog in het bijzonder dat het op 29 juni 2009 heeft geoordeeld dat diens verhoor niet noodzakelijk was nu omtrent hetzelfde onderwerp de heer [getuige] ter terechtzitting als getuige zou worden gehoord. Het hof acht, gelet op de inhoud van de ter terechtzitting van 18 januari 2010 afgelegde verklaring van de getuige [getuige] - inhoudende dat hij aangifte heeft gedaan van diefstal van de desbetreffende bankwisselbrief, nadat de vermissing ervan hem op 23 mei 2000 bekend was geworden en dat de in het proces-verbaal van aangifte vermelde datum van 10 mei 2000 derhalve op een verschrijving moet berusten - een verhoor van verbalisant [verbalisant 2] op dit punt niet noodzakelijk. Voorts brengt de door getuige [getuige] afgelegde verklaring niet mee dat het noodzakelijk is de eerdere aangiftes toe te voegen.

De verzoeken worden derhalve afgewezen.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op tijdstippen in de periode van

a. 03 februari 2005 tot en met 01 maart 2005 en/of

b. 20 april 2005 tot en met 05 mei 2005

te Amsterdam en/of te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in artikel 209 Wetboek van Strafrecht, te weten het ontvangen en/of zich verschaffen en/of in voorraad hebben en/of vervoeren van een of meer valse en/of vervalste bankbiljetten, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, waarvan de valsheid hem toen hij deze ontving bekend was, voor te bereiden:

opzettelijk voorwerpen, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, immers heeft de verdachte en hebben zijn mededaders:

- geld voorhanden gehad ter aankoop van vals geld en

- monsters van vals geld voorhanden gehad

feit 2:

hij op of omstreeks 29 augustus 2005

a. te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk twee bankbiljetten van 200 euro en

b. te Amsterdam opzettelijk een bankbiljet van 50 US-dollar,

waarvan de valsheid of vervalsing de verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad, bestaande die valsheid hierin dat voor die bankbiljetten een van echt afwijkende papiersoort en/of druk- of reproductietechniek was/waren gebruikt en dat de overige echtheidskenmerken ontbraken

feit 4 subsidiair:

hij in de periode van 01 januari 2004 tot en met 29 augustus 2005 te Amsterdam een bankwisselbrief met nummer FM002077 van de [bank]ter waarde van fl. 100.000,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat de bankwisselbrief van misdrijf afkomstig was

Hetgeen onder 1, 2 en 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van een bewijsverweer

Ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte op geen enkel moment daadwerkelijk een bijdrage heeft geleverd aan de handel in vals geld. Hij heeft [betrokkene 1] slechts willen misleiden, met het oogmerk een aan hem en een vriend van hem, [betrokkene 2], geleend geldbedrag geretourneerd te zien. De verdachte heeft niet meer gedaan dan de indruk wekken over vals geld te beschikken.

Het hof overweegt het volgende. De verdachte stelt zich op het standpunt dat weliswaar zijn gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm, op zichzelf beschouwd en bezien in de context van zijn met [betrokkene 1] onderhouden contacten, zijn strafbare betrokkenheid bij de handel in vals geld suggereren, doch dat hij met zijn handelen niet meer heeft beoogd dan de misleiding van [betrokkene 1]. Het achterliggende motief van zijn handelen zou het terugkrijgen van een door hem aan [betrokkene 1] en ene [betrokkene 2] geleend bedrag van enkele duizenden euro’s zijn. Het hof acht deze stelling van de verdachte ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij.

Het hof overweegt daartoe in de eerste plaats dat op zichzelf de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken - zeker wanneer deze wordt bezien in samenhang met in het dossier gedane vaststellingen met betrekking tot het aantreffen van vals geld bij medeverdachten - geen andere conclusie toelaten dan dat de verdachte zich daadwerkelijk met de voorbereiding van handel in vals geld heeft beziggehouden. Het hof overweegt voorts dat in de stukken van het dossier geen steun te vinden is voor de juistheid van de stelling van de verdachte en dat bovendien niet is gebleken van enige poging van de verdachte de terugbetaling van het beweerdelijk geleende bedrag op meer reguliere wijze te bewerkstelligen. Voorts draagt aan de geloofwaardigheid van de stelling van de verdachte niet bij dat bij hem ten tijde van zijn aanhouding daadwerkelijk vals geld is aangetroffen.

Ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte op het moment dat hij de biljetten ontving niet bekend was met de valsheid van die biljetten. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte geen oogmerk heeft gehad op het als echt en onvervalst uitgeven van het aangetroffen valse geld. Ten aanzien van het bankbiljet van 200 euro dat achter de zonneklep is aangetroffen heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte daarvan geen wetenschap heeft gehad.

Het hof is van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte op de hoogte was van de valsheid van de bankbiljetten toen hij deze ontving. Het hof is tot dit oordeel gekomen gelet op de inhoud van de ten behoeve van feit 1 gebezigde bewijsmiddelen, met name de afgeluisterde telefoongesprekken, waaruit blijkt dat de verdachte zich bezig hield met het medeplegen van de voorbereiding van handel in vals geld, en de eigen verklaringen van de verdachte. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij handelt in geld en dat hij bankbiljetten altijd op een wit blad papier drukt en eroverheen wrijft om de echtheid van dat geld te controleren (processen-verbaal met nummer PL2709/05-076020, beiden van 13 september 2005, dossieronderdeel C, doorgenummerde pagina’s 0353 en 0355). Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voorts verklaard dat het papier van het biljet van USD 50,- anders aanvoelde en dat hij het om die reden over een wit blaadje heeft geveegd. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, wordt dit verweer verworpen.

Ten aanzien van het oogmerk om de bankbiljetten als echt en onvervalst in het verkeer te brengen is het hof van oordeel dat bedoeld oogmerk bewezen is, en wel op grond van de inhoud van de ten behoeve van feit 1 gebezigde bewijsmiddelen, alsmede gelet op verdachtes verklaring dat hij het biljet van 200 euro heeft bewaard om dit in de Dominicaanse Republiek weer om te ruilen (proces-verbaal met nummer PL2709/05-076020 van 30 augustus 2005, dossieronderdeel C, doorgenummerde pagina’s 0340 en 0341). Het hof beschouwt dat omruilen als een handeling waarmee het valse bankbiljet feitelijk weer in het verkeer wordt gebracht.

Ten aanzien van het opzettelijk in voorraad hebben van het bankbiljet van 200 euro dat is aangetroffen achter de zonneklep van de auto die de verdachte in gebruik had, is het hof van oordeel dat de verdachte dit bankbiljet opzettelijk in voorraad heeft gehad. Immers, de verdachte heeft verklaard dat hij de auto waarin dat bankbiljet op 29 augustus 2005 is aangetroffen sinds eind 2004 in gebruik had, dat hij de auto dagelijks gebruikte en dat hij wel eens wat papieren achter de zonneklep stopte (proces-verbaal met nummer PL2709/05-076020 van 30 augustus 2005, dossieronderdeel C, doorgenummerde pagina 0339 en proces-verbaal met nummer PL2709/05-076020 van 31 augustus 2005, dossieronderdeel C, doorgenummerde pagina 0346), terwijl de eigenaar van de auto heeft verklaard geen wetenschap te hebben van het bankbiljet (proces-verbaal met nummer PL2709/05-078391 van 7 september 2005, dossieronderdeel G, doorgenummerde pagina 0113). Dit alles bezien in het licht van de voor het bewijs van feit 1 gebruikte bewijsmiddelen brengt het hof tot voornoemd oordeel en aldus tot verwerping van het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van voorbereiding van het ontvangen en/of zich verschaffen en/of vervoeren en/of in voorraad hebben van bankbiljetten, waarvan de valsheid of vervalsing hem toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad hebben, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde:

witwassen

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding van transacties met betrekking tot vals geld, door geld ter aankoop van vals geld en monsters van vals geld voorhanden te hebben. Uit het dossier komt naar voren dat de beoogde transacties omvangrijk waren en dat er internationale contacten waren. De verdachte had voorts ten tijde van zijn aanhouding verschillende coupures aan vals geld voorhanden. Het in omloop brengen van vals geld brengt in het algemeen het vertrouwen in papiergeld en het monetaire verkeer grote schade toe en dupeert bovendien de latere onwetende bonafide ontvanger in ernstige mate. Daarnaast ondervindt het handelsverkeer als geheel door het in omloop brengen van valse bankbiljetten hinder en schade.

Tevens heeft de verdachte lange tijd een bankwisselbrief voorhanden gehad, waarvan hij wist dat deze gestolen was. Hierdoor heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor van misdrijf afkomstige voorwerpen.

Voorts is rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiele Documentatie van 12 januari 2010 eerder wegens verduistering en wegens het voorhanden hebben van een vals geschrift is veroordeeld.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf als door de rechtbank opgelegd in beginsel passend en geboden. Het hof houdt bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening met het feit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM voor de behandeling van zijn zaak in hoger beroep ruimschoots is overschreden. Sedert het instellen van het hoger beroep op 8 juni 2006 is immers ruim 3,5 jaar verstreken, terwijl voorts in het onderhavige geval te meer aannemelijk is geworden dat de verdachte - die zich zeer intensief met de onderhavige strafzaak heeft bezig gehouden - die periode onder de vervolging heeft geleden. Om die reden zal worden volstaan met oplegging van een straf als door de advocaat-generaal gevorderd en zal de proeftijd worden beperkt tot zes maanden.

De hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 2 bewezen verklaarde met betrekking tot die voorwerpen is begaan.

Het hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerp, dat aan de verdachte toebehoort en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht is aangetroffen, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, terwijl het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van

soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten, nu dit valse paspoort - met daarin een foto van de verdachte - de identiteit van de verdachte kan verhullen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 46, 47, 57, 209, 214bis en 420 bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding in eerste aanleg wat betreft het gedeelte 'een of meer hand- of spandiensten verricht' en het gedeelte '(telefonische en/of persoonlijke) contacten gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn mededaders en/of leveranciers betreffende de kwaliteit en/of de coupures en/of de prijs en/of de levering van vals geld' van het onder 1 ten laste gelegde nietig.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het vervalste Ghanese paspoort op naam van [naam].

Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: twee valse bankbiljetten van 200 euro en een vals bankbiljet van 50 US dollar.

Gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de bankwisselbrief met nummer FM002077, middels tussenkomst van de [bank] en de Ghanese paspoorten op naam van [naam], [naam] en [naam].

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. R. Veldhuisen en mr. R.P.P. Hoekstra, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 februari 2010.