Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM4542

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
200.009.049/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De notaris heeft de kamer verzocht hem ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 29 lid 3 Wna, omdat hij gedurende drie jaren zijn praktijk wilde gaan uitoefenen vanuit de vestiging te New York. Dit verzoek is afgewezen. De notaris heeft vervolgens het standpunt verdedigbaar geacht dat artikel 29 lid 3 Wna aldus moet worden geinterpreteerd dat meerdere malen achter elkaar gedurende de maximale periode van één jaar op verzoek van een notaris telkens een waarnemer kan worden benoemd zonder dat ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 29 lid 3 Wna. De notaris heeft er voor gekozen om een eigen, letterlijke, interpretatie aan artikel 29 lid 3 Wna te geven. Het hof acht de klacht gegrond en de door de kamer opgelegde maatregel van schorsing uit het ambt voor de duur van één maand passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 11 mei 2010 in de zaak van:

[de notaris],

oud-notaris te [plaatsnaam],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. J. Italianer.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Het hof heeft in deze zaak op 4 augustus 2009 een tussenbeslissing gegeven waarnaar voor het verloop van het geding tot aan die beslissing wordt verwezen en waarbij wordt volhard, met dien verstande dat in die beslissing onder 1.1. de fungerend voorzitter ten onrechte als geïntimeerde is aangeduid.

1.2. Ter terechtzitting van 22 oktober 2009 is de behandeling van het hoger beroep voortgezet. De notaris is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Zij hebben het woord gevoerd, nadat eerst de in voormelde tussenbeslissing genoemde getuige, mr R. Orobio de Castro, was gehoord.

2. De feiten

Bij brief van 14 februari 2004 heeft de notaris de kamer verzocht hem ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 29 lid 3 Wet op het Notarisambt (Wna) in verband met zijn voornemen om vanaf ongeveer 1 juni 2004 voor een periode van in beginsel drie jaren zijn praktijk te gaan uitoefenen vanuit de vestiging te New York, Verenigde Staten, van het kantoor waaraan hij is verbonden. Dit verzoek is bij brief van de kamer van toezicht van 8 april 2004 afgewezen.

De notaris heeft vervolgens desondanks de waarneming verleend aan een kantoorgenoot in de perioden van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006, van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007 en van 16 juli 2007 tot en met 15 juli 2008.

3. Standpunt van de voorzitter van de kamer

Door zich langer dan één jaar te laten waarnemen zonder dat ontheffing van het bepaalde in artikel 29 lid 3 Wna is verleend, heeft de notaris, aldus de voorzitter, gehandeld in strijd met de bedoeling van genoemd artikel.

4. Het standpunt van de notaris in hoger beroep

4.1. De notaris heeft zich in hoger beroep als volgt verweerd.

De notaris heeft een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 29 lid 3 Wna bij de kamer ingediend. Voorts heeft de notaris telefonisch overleg gepleegd met onder meer de toenmalig fungerend voorzitter van de kamer, mr. R. Orobio de Castro, naar aanleiding van het ontheffingsverzoek en de interpretatie van artikel 29 lid 3 Wna. Uit een opmerking van mr. Orobio de Castro in dat telefoongesprek heeft de notaris afgeleid dat deze het standpunt verdedigbaar achtte dat artikel 29 lid 3 Wna aldus moet worden geïnterpreteerd dat meerdere malen achter elkaar gedurende de maximale periode van één jaar op verzoek van een notaris telkens een waarnemer kan worden benoemd zonder dat ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 29 lid 3 Wna.

De notaris is van mening dat de kamer in haar beoordeling geen helder onderscheid heeft aangebracht tussen de tekst van artikel 29 lid 3 Wna en de doelstelling daarvan.

4.2. De notaris betwist dat hij de kwaliteit van de notariële dienstverlening in gevaar heeft gebracht en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 29 lid 3 Wna. In dat verband heeft de notaris er op gewezen dat hij in de periode van de waarneming volledig werkzaam is gebleven in de notariële praktijk, waarbij hij regelmatig contact heeft onderhouden met zijn kantoor in [plaatsnaam]. De notaris is van mening dat hij als een “bijzonder geval” diende te worden aangemerkt.

5. De beoordeling

5.1. Ter beoordeling van het hof ligt de vraag voor of de notaris in deze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.2. Artikel 29 lid 3 Wna luidt:

“De periode van waarneming kan niet langer zijn dan één jaar in geval van een volledige waarneming. Bij waarneming in deeltijd dient de notaris zijn ambt uit te oefenen gedurende minimaal het aantal uren per week dat bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

De kamer van toezicht kan van het bovenstaande in bijzondere gevallen ontheffing verlenen.”

5.3. Vast staat dat de notaris bij brief van 14 februari 2004 de kamer verzocht heeft hem ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 29 lid 3 Wna, omdat hij gedurende drie jaren zijn praktijk wilde gaan uitoefenen vanuit de vestiging te New York.

5.4. Voorts is niet in geschil dat de kamer bij brief van 8 april 2004 dit verzoek heeft afgewezen, en dat de notaris desondanks aan een kantoorgenoot de waarneming heeft verleend in de perioden van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006, van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007 en van 16 juli 2007 tot en met 15 juli 2008.

5.5. Door de notaris is gesteld dat mr. Orobio de Castro hem in een telefoongesprek op de mogelijkheid heeft gewezen dat, zoals door de notaris reeds in zijn brief van 8 maart 2004 was verwoord, artikel 29 lid 3 Wna aldus kan worden geïnterpreteerd dat waarneming gedurende de maximale periode van één jaar meerdere malen achter elkaar mogelijk is zonder dat de ontheffing als bedoeld in artikel 29 lid 3 Wna is verkregen.

5.6. Aan deze stelling moet evenwel aanstonds voorbij worden gegaan nu mr. Orobio de Castro als getuige onder ede heeft verklaard nimmer een telefoongesprek met de notaris te hebben gevoerd en de notaris daartegenover niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met mr. Orobio de Castro een telefoongesprek heeft gevoerd en dat deze daarin uitlatingen heeft gedaan als waarop de notaris zich thans beroept.

Het hof merkt in dit verband overigens nog op dat het hem zeer onwaarschijnlijk voorkomt dat de notaris, in het geval de voorzitter van de kamer van toezicht in een telefoongesprek dergelijke – voor de notaris zeer importante – uitlatingen had gedaan dit gesprek niet schriftelijk zou hebben bevestigd.

5.7. Uit het vorenstaande volgt dat ervan uitgegaan moet worden dat de notaris nadat hij om ontheffing als bedoeld in artikel 29 lid 3 Wna had verzocht en deze niet had verkregen desalniettemin gehandeld heeft als had hij die ontheffing wel gekregen: de beslissing van de kamer van toezicht heeft de notaris dus volledig genegeerd.

De notaris heeft er vervolgens voor gekozen om een eigen, letterlijke, interpretatie aan artikel 29 lid 3 Wna te geven waarbij de strekking daarvan, te weten het voorkomen dat een notaris zijn ambt te lang laat waarnemen door een ander (zie ook de Nota van toelichting bij het Besluit deeltijd notarissen van 31 mei 1999), volkomen werd miskend. Materieel gezien heeft de notaris zich immers drie jaar achtereen volledig laten waarnemen.

5.8. Dit eigenmachtig handelen acht het hof bijzonder kwalijk en in ernstige mate tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarmee heeft de notaris niet alleen artikel 29 lid 3 Wna overtreden, maar ook te kennen gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan beslissingen van de kamer van toezicht. Zijn stelling in hoger beroep dat hij de kwaliteit van de notariële dienstverlening niet in gevaar heeft gebracht – reden waarom hij, zo begrijpt het hof, kennelijk meende de beslissing van de kamer te kunnen negeren – gaat kennelijk uit van diezelfde laakbare eigenmachtige instelling.

De beslissing of door de overtreding van artikel 29 lid 3 Wna als gevolg van langdurige werkzaamheid op een kantoorvestiging in het buitenland de notariële dienstverlening in gevaar wordt gebracht, is aan de wetgever, en niet aan een individuele notaris.

5.9. Het hof acht de klacht dan ook gegrond en de door de kamer opgelegde maatregel van schorsing uit het ambt voor de duur van één maand passend en geboden.

Dat de notaris inmiddels is gedefungeerd leidt niet tot een ander oordeel.

6. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, L. Verheij en P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 mei 2010 door de rolraadsheer.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 4 augustus 2009 in de zaak onder nummer 200.009.049/01 NOT van:

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. J. Italianer.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof is op 3 juli 2008 van de zijde van appellant, hierna de notaris, een verzoekschrift met één bijlage ingekomen, waarbij de notaris tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Amsterdam, hierna de kamer, van 17 juni 2008, waarbij de kamer de klacht van geïntimeerde, hierna de fungerend voorzitter, gegrond heeft verklaard en de notaris de maatregel van schorsing voor de duur van één maand heeft opgelegd.

1.2. Namens de notaris is op 22 augustus 2008 een aanvullend beroepschrift met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 28 mei 2009.

De notaris is verschenen, vergezeld van mr. J. Corthals, advocaat te Amsterdam. Zij hebben het woord gevoerd, mr. Corthals aan de hand van een pleitnota.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. De notaris tegen vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Het hof acht zich nog onvoldoende ingelicht om in deze te kunnen beslissen en zal derhalve het onderzoek heropenen en op de nader te bepalen zitting mr. R. Orobio de Castro als getuige horen.

4.2 Mr. Orobio de Castro wordt verzocht bij gelegenheid van zijn verhoor als getuige, ter zitting het naar aanleiding van deze kwestie opgebouwde dossier ter beschikking te hebben.

4.3. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

Het hof:

- heropent het onderzoek en schorst het vervolgens voor onbepaalde tijd;

- beveelt de oproeping van mr. R. Orobio de Castro, de notaris en de fungerend voorzitter tegen de nader te bepalen terechtzitting;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, L. Verheij en P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2009 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN

TE AMSTERDAM

Beslissing van 17 juni 2008 op de bevindingen van de voorzitter

in het onderzoek ex artikel 96 Wna met nummers 386040 / NT RK 07-44 AB van:

mr. J.A.J. Peeters, fungerend voorzitter van de kamer van toezicht te Amsterdam,

tegen:

[notaris],

notaris te [vestigingsplaats].

Het verloop van de procedure

Bij periodieke controle van het register van waarnemingen is gebleken dat de notaris zich langdurig laat waarnemen. De fungerend voorzitter heeft de notaris hierover aangeschreven op 6 augustus 2007. Partijen hebben vervolgens uitvoerig over deze kwestie gecorrespondeerd en een bespreking gevoerd op 24 september 2007. Op grond van hetgeen in de correspondentie en de bespreking naar voren is gekomen, heeft de fungerend voorzitter aanleiding gezien om de zaak op grond van artikel 96 lid 6 Wet op het notarisambt (Wna) aan de kamer van toezicht voor te leggen, hetgeen hij op 10 december 2007 heeft gedaan. De notaris heeft ermee ingestemd dat, naast de gevoerde correspondentie en bespreking, geen aanvullend onderzoek als bedoeld in artikel 96 Wna noodzakelijk is.

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

- Brief van de notaris aan mr. R. Orobio de Castro, toenmalig fungerend voorzitter van de kamer van toezicht, van 14 februari 2004;

- Brief van mr. Orobio de Castro aan de notaris van 20 februari 2004;

- Brief van de notaris aan mr. Orobio de Castro van 8 maart 2004;

- Brief van mr. Orobio de Castro aan de notaris van 8 april 2004;

- Uittreksel uit het register van waarnemingen van 23 juli 2007;

- Brief van mr. Peeters aan de notaris van 6 augustus 2007;

- Brief van de notaris aan mr. Peeters van 9 augustus 2007;

- Brief van mr. Peeters aan de notaris van 3 september 2007;

- Brief van de notaris aan mr. Peeters van 12 november 2007;

- Brief van mr. Peeters aan de notaris van 28 november 2007;

- Brief van de notaris aan mr. Peeters van 5 december 2007;

- Brief van mr. Peeters aan de kamer van toezicht van 10 december 2007.

Bij de behandeling van de klacht op 22 april 2008 is de notaris verschenen. Hij heeft het woord gevoerd en zijn standpunt toegelicht. Uitspraak is bepaald op 17 juni 2008.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a. Bij brief van 14 februari 2004 heeft de notaris de kamer verzocht ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 29 lid 3 Wna, in verband met zijn voornemen om vanaf ongeveer 1 juni 2004 voor een periode van in beginsel drie jaren zijn praktijk te gaan uitoefenen vanuit de vestiging te New York, Verenigde Staten, van het kantoor waaraan hij is verbonden. Dit verzoek is bij brief van 8 april 2004 afgewezen.

b. De notaris heeft de waarneming verleend aan een kantoorgenoot in de perioden van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006, van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007 en van 16 juli 2007 tot en met 15 juli 2008.

2. De bevindingen van de voorzitter

De voorzitter stelt dat de notaris, door zich langer dan één jaar te laten waarnemen zonder dat ontheffing van het bepaalde in artikel 29 lid 3 Wna is verleend, in strijd handelt met de bedoeling van genoemd artikel. Hoewel hij er niet aan twijfelt dat de notaris zijn juridische notariële kennis in New York op peil houdt, neemt dit niet weg dat de notaris daar geen ambtelijke werkzaamheden verricht. Het voorstel van de notaris, om per kwartaal gedurende één week in [vestigingsplaats] aanwezig te zijn, maakt dit volgens de voorzitter niet anders. Een ontslagaanvraag was volgens de voorzitter de passende weg geweest.

3. Het verweer

De notaris bestrijdt dat hij het verbod van artikel 29 lid 3 Wna heeft overtreden. Ten eerste is volgens de notaris geen sprake van een waarneming van langer dan één jaar, maar van drie waarnemingen van één jaar, zodat hij het verbod van artikel 29 lid 3 Wna niet heeft overtreden. Ten tweede voert de notaris aan dat de maximumtermijn die aan de waarneming is gesteld, beoogt een notaris de mogelijkheid te bieden om een sabbatical jaar op te nemen, en tegelijkertijd de kwaliteit van de dienstverlening te waarborgen, doordat een notaris niet langer dan genoemde termijn geen notariële werkzaamheden uitvoert. Daardoor blijven zijn kennis en ervaring immers actueel. De notaris stelt dat hij volledig werkzaam is in de notariële praktijk, zodat voor verlies van de kwaliteit van zijn dienstverlening niet behoeft te worden gevreesd. In de waarneming van een notaris die volledig werkzaam is in de notariële praktijk op een kantoor in het buitenland lijkt de Wna niet te voorzien, maar in ieder geval handelt hij niet in strijd met de bedoeling van artikel 29 lid 3 Wna., aldus de notaris. Hij heeft ervoor gekozen geen ontslagaanvraag in te dienen, omdat hij in dat geval – gelet op het bepaalde in artikel 6 lid 2 sub b ten 3e Wna – pas na verloop van twee jaren na zijn terugkeer in Nederland een nieuw verzoek om benoeming zal kunnen indienen.

4. De beoordeling

4.1 Op grond van artikel 98 lid 1 Wna zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. Thans staat ter beoordeling of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Uitgangspunt is dat het verzoek van de notaris om ontheffing van het in artikel 29 lid 3 Wna opgenomen verbod op 8 april 2004 is afgewezen. Desondanks heeft de notaris in de perioden van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2007 en van 16 juli 2007 tot en met 15 juli 2008 de waarneming verleend. De notaris heeft betoogd dat de periode van waarneming niet moet worden gezien als één waarneming, maar als drie waarnemingen van telkens één jaar. Dit verweer wordt verworpen.

Als een waarneming in de zin van artikel 29 lid 3 Wna moet worden aangemerkt de periode dat de notaris zich laat vervangen. De waarneming is niet gekoppeld aan het aantal meldingen aan de kamer waarin de waarneming is opgedeeld, of aan de persoon van de waarnemer. Vast staat dat de notaris zich van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2007, dat is twee jaren, heeft laten waarnemen, een aanzienlijke overschrijding van de maximumtermijn. Met deze waarneming heeft de notaris het verbod van artikel 29 lid 3 Wna overtreden. Door vervolgens twee weken niet de waarneming te verlenen en aansluitend een volgende waarneming voor de duur van een jaar te verlenen, heeft de notaris in strijd met de bedoeling van artikel 29 lid 3 Wna gehandeld.

Anders dan de notaris meent is het middel van de waarneming niet bedoeld om een verblijf van meerdere perioden van een jaar buiten de vestigingsplaats mogelijk te maken, mits de notaris maar zijn kennis en ervaring op peil houdt. Afgezien van het feit dat de notaris in New York geen ambtelijke werkzaamheden kan verrichten, is een notaris ingevolge de artikelen 12 en 13 Wna verplicht kantoor te houden in de plaats van vestiging en zijn ambtelijke werkzaamheden op het grondgebied van Nederland te verrichten. Buiten zijn (Nederlandse) vestigingsplaats mag hij geen bijkantoor hebben. Binnen de huidige wetgeving is er dan ook geen plaats voor een notaris die langer dan gedurende een periode van één jaar buiten Nederland werkzaam is.

De slotsom is dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt door, zonder dat ontheffing van het bepaalde in artikel 29 lid 3 Wna is verleend, zich langer dan één jaar te laten waarnemen. De bezwaren die de notaris heeft tegen het alternatief dat open stond, namelijk ontslag en herbenoeming na terugkeer in Nederland, zijn weliswaar begrijpelijk, maar maken dit niet anders. De klacht is dan ook gegrond.

4.3 De kamer tilt er zwaar aan dat de notaris, hoewel hij formeel wel notaris is, feitelijk geen ambtelijke werkzaamheden verricht. Dit is een uitholling van het notarisambt en raakt aan de kern van het notariaat. Daarnaast telt mee dat de notaris zich klaarblijkelijk niets gelegen heeft laten liggen aan de niet mis te verstane afwijzing door de kamer van zijn verzoek om ontheffing, en dat hij evenmin heeft geïnformeerd hoe de kamer stond tegenover het verlenen door de notaris van de waarneming voor drie maal één jaar. Al met al komt de tuchtrechtelijke maatregel van een schorsing voor de duur van één maand passend voor.

4.4 Beslist wordt als volgt.

5. Beslissing

De kamer van toezicht:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt de notaris de tuchtrechtelijke maatregel van schorsing voor de duur van één maand op.

- bepaalt dat de datum waarop de schorsing van kracht wordt, wordt bepaald nadat is vastgesteld dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel meer openstaat.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.J. Beukenhorst, voorzitter, J.P. van Harseler, A.J.W.M. van Hengstum, H.M. de Jong Schouwenburg en P.J. van Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. van Bennekom, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2008.

mr. E. van Bennekom, mr. A.J. Beukenhorst,

secretaris. voorzitter.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden kennisgeving.