Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM4506

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
07/00542
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting onterecht is opgelegd en beroept zich o.a. op uitspraken van de parkeercontroleur. Het Hof verwerpt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/851
FutD 2010-1369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P07/00542

uitspraak: 11 maart 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Y, belanghebbende,

gemachtigde B,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/6159 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 8 april 2006 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 2 aan parkeerbelasting en € 46 aan kosten (hierna: de aanslag) ter zake van het parkeren van een voertuig met kenteken […] (hierna: de auto).

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend

16 juni 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Bij mondelinge uitspraak van 7 augustus 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 13 augustus 2007 en aangevuld bij brieven van 9 september en 8 en 16 oktober 2007.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op 25 januari 2008, 1 februari 2008 en 29 oktober 2009 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de heffingsambtenaar.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Het Hof verwijst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld en die als volgt in de uitspraak van de rechtbank zijn weergegeven (de rechtbank duidt belanghebbende aan als eiseres en de heffingsambtenaar als verweerder):

(…)

1. Eiseres is houder van het voertuig met kenteken […] (hierna: de auto). Op 8 april 2006 heeft B, de vader van eiseres, met de auto geparkeerd op de …straat te Y. Op die datum om 19.06 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto geparkeerd stond zonder dat op juiste wijze aangifte was gedaan van de voor het parkeren verschuldigde parkeerbelasting. In verband hiermee heeft de parkeercontroleur aan eiseres de in het geding zijnde naheffingsaanslag opgelegd.

2. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat daar van uit, dat de auto geparkeerd stond op een plaats en tijdstip waarvoor parkeerbelasting als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen 2006 van de gemeente Amsterdam was verschuldigd. Tevens staat vast dat B, zoals hij ter zitting heeft verklaard, op het moment dat de naheffingsaanslag werd opgelegd, nog geen parkeerkaartje had gekocht.

2.2. In hoger beroep betwist belanghebbende dat de bestuurder van de auto ten tijde van het opleggen van de aanslag nog geen parkeerkaart had gekocht. Voor het overige bestaat over de feitenvaststelling door de rechtbank geen geschil, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

3. De procedure voor de rechtbank

Voor de rechtbank was - voor zover hier van belang - in geschil of de aanslag terecht is opgelegd.

De rechtbank heeft omtrent het geschil overwogen:

3. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan haar is opgelegd, omdat een parkeerder het recht heeft om in de gelegenheid te worden gesteld binnen tien minuten na het parkeren van een auto een parkeerkaartje te kopen en dat B doende was een parkeerkaartje uit de parkeerautomaat te halen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres een om 19.12 uur gekocht parkeerkaartje overgelegd. Deze stelling kan niet slagen. Volgens vaste jurisprudentie moet aan een parkeerder een zekere – korte – tijd worden gelaten om de afstand tussen parkeerplaats en parkeerautomaat te overbruggen. Nu B, zoals hij ter zitting heeft verklaard, de auto heeft geparkeerd, naar een verderop gelegen pizzeria is gelopen om parkeergeld te halen en vervolgens zijn parkeerkaartje (zes minuten na het opleggen van de aanslag) bij een verder van de auto gelegen parkeerautomaat heeft gekocht, kan dat niet als voorbedoelde korte tijd worden aangemerkt. Haar in dit verband nog aangevoerde stelling dat de parkeerautomaat vijf minuten krediet geeft, heeft eiseres, in het licht van de uitdrukkelijke betwisting daarvan door verweerder en bij gebreke van een nadere onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt. Verder kan, gelet op het tijdsverloop tussen de naheffingsaanslag en de aanschaf van het parkeerkaartje (zes minuten), niet worden gezegd dat B op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag doende was een parkeerkaartje te kopen. Daarbij is van belang dat voormelde handelingen niet kunnen worden aangemerkt als handelingen waarmee aan de verplichting om bij aanvang van het parkeren de parkeerbelasting te voldoen, uitvoering wordt gegeven. Volgens vaste jurisprudentie is het wisselen van geld immers geen uitvoeringshandeling. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van B had gelegen het parkeergeld te voldoen bij het dichtstbijzijnde parkeerapparaat, waarvan gesteld noch gebleken is dat deze buiten werking was.

5. (Hof:4.) Voorts heeft eiseres nog aangevoerd dat de parkeercontroleurs hebben gezegd in beroep te gaan omdat zij de naheffingsaanslag niet meer ‘terug konden draaien’. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat eiseres zich op het vertrouwensbeginsel beroept. Uit de enkele mededeling dat eiseres in beroep moet gaan volgt echter niet dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Eiseres heeft daaraan dan ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat de naheffingsaanslag in beroep, dan wel bezwaar vernietigd zou worden. Aan het verzoek van eiseres om de betrokken parkeercontroleurs als getuigen te (laten) horen, zal dan ook geen gevolg worden gegeven.

6. (Hof:5.) Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

4. Geschil in hoger beroep

4.1. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd, en zo ja, of deze moet worden vernietigd op grond van het vertrouwensbeginsel.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag niet terecht is opgelegd. Zij stelt dat de bestuurder van de auto na het parkeren niet eerst geld is gaan wisselen maar direct een parkeerkaart is gaan kopen en dat hij daarvoor overigens minimaal tien minuten de tijd zou moeten hebben. Daarbij komt dat de parkeerautomaat vijf minuten krediet zou geven, hetgeen zou inhouden dat de kaart niet om 19.12 uur zoals de afdruk vermeldt, maar om 19.07 uur, derhalve bijna tegelijk met het opleggen van de nahefffingsaanslag zou zijn gekocht. Voorts stelt belanghebbende dat een parkeercontroleur bij de bestuurder van de zuto de indruk heeft gewekt dat de aanslag zou worden vernietigd.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

4.3. De heffingsambtenaar is van opvatting dat de aanslag terecht is opgelegd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Hij stelt dat de parkeercontroleur geen geldige parkeerkaart heeft aangetroffen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Niet in geschil is dat op het tijdstip van het opleggen van de onderhavige aanslag op de betreffende plaats op grond van de Verordening parkeerbelasting 2006 van de gemeente Amsterdam parkeerbelasting verschuldigd was.

5.2. Voor de naheffing van parkeerbelasting is het aan de heffingsambtenaar te stellen - en bij betwisting aannemelijk te maken - dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan.

5.3. Vaststaat dat de naheffingsaanslag om 19.06 uur is opgelegd. Belanghebbende heeft een parkeerkaart met tijdstip 19.12 uur overgelegd. Belanghebbende stelt dat haar vader doende was een parkeerkaart te kopen en dat de controleur dit had kunnen zien.

5.4. Volgens vaste jurisprudentie dient de verschuldigde parkeerbelasting te worden voldaan bij de aanvang van het parkeren. Aan degene die parkeert moet een zekere – korte – tijd worden gelaten om de afstand tussen de parkeerplaats en de parkeerautomaat en vice versa te overbruggen, maar de tijd die nodig is om geld te wisselen of te lenen in een winkel moet daarbij buiten beschouwing worden gelaten, vergelijk Hoge Raad 25 november 2005,

nr. 39 529, BNB 2006/43, LJN AU6887. Het voorgaande in aanmerking genomen acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende niet direct na het parkeren een parkeerkaart is gaan kopen. Het Hof kent hiervoor betekenis toe aan de verklaring van de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van de rechtbank dat hij bij een pizzeria geld is gaan wisselen, aan de korte afstand tussen de plaats waar de auto stond geparkeerd en enkele parkeerautomaten en aan het tijdsverloop van zes minuten tussen het tijdstip van de aanslag en het tijdstip dat is weergegeven op de overgelegde parkeerkaart. Gelet op het voorgaande kan belanghebbendes betoog dat een parkeerder het recht zou hebben om gedurende tien minuten na het parkeren een kaartje te kopen evenmin slagen.

5.5. De stelling van belanghebbende dat de bestuurder van de auto doende was een parkeerkaart te kopen op hetzelfde moment dat de naheffingsaanslag werd opgelegd wordt, gelet op het hierboven onder 5 .4 aangegeven tijdsverloop eveneens verworpen.

In het licht van de nadrukkelijke betwisting door de heffingsambtenaar acht het Hof evenmin aannemelijk belanghebbendes stelling dat de parkeerautomaten voorlopen op de daadwerkelijke tijd en een krediet van vijf minuten geven. Niet aannemelijk is derhalve dat belanghebbende ten tijde van de naheffingsaanslag reeds een parkeerkaart had gekocht.

5.6. Ten slotte heeft belanghebbende nog betoogd dat de betreffende parkeercontroleur zou hebben aangeraden bezwaar te maken omdat hij de aanslag niet meer kon terugdraaien. Naar het Hof begrijpt doet belanghebbende hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat dit beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. De daartoe door de rechtbank gebezigde gronden maakt het Hof tot de zijne.

Slotsom

5.7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, A.P.M. van Rijn en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 11 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.