Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM4029

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
KL09-0066
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklagzaak artikel 12 Sv. Beklag afgewezen in zedenzaak. Het hof schaart zich achter de slotconclusie van het rapport van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken om te stoppen met het onderzoek omdat het onmogelijk is geworden om de waarheid boven tafel te krijgen. In casu is naar het oordeel van het hof bij de gevraagde strafvervolging geen gerede kans op een veroordeling aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking van 23 april 2010 op het beklag met het rekestnummer K09/0066 van

[Klaagster],

wonende te [woonplaats],

klaagster.

Gemachtigde: mr. A.M. Wolf, advocaat te Haarlem.

1. Het beklag

Het klaagschrift is op 10 maart 2009 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Alkmaar om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde], terzake van verkrachting en incest.

2. Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 29 april 2009 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag ongegrond te verklaren.

3. De voorhanden stukken

Behalve van het klaagschrift en van het verslag heeft het hof kennis genomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal, van het ambtsbericht van de fungerend hoofdofficier van justitie te Haarlem van 9 april 2009 met de daarbij gevoegde notitie van parketsecretaris W. Halsema en overige door partijen ingebrachte stukken.

4. De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klaagster in de gelegenheid gesteld op 2 oktober 2009 het beklag toe te lichten. Klaagster is, bijgestaan door haar gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

Voorts heeft het hof [beklaagde] (hierna ook te noemen: beklaagde) in de gelegenheid gesteld op 2 oktober 2009 te worden gehoord. Beklaagde is, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. R.P.H. de Granada, advocaat te Alkmaar, in raadkamer verschenen en heeft het hof verzocht hetzij nader onderzoek te gelasten hetzij de klacht af te wijzen.

Hierna is door het hof op 13 oktober 2009 een tussenbeschikking gewezen. Het dossier is vervolgens ter beoordeling toegezonden aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (verder te noemen: LEBZ). De LEBZ heeft op 7 januari 2010 een rapport uitgebracht.

Het hof heeft klaagster op 26 februari 2010 gehoord naar aanleiding van het door de LEBZ uitgebrachte rapport. Klaagster is, bijgestaan door haar gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift verzocht, welk verzoek door het hof is gehonoreerd.

Voorts heeft het hof ook beklaagde in de gelegenheid gesteld op 26 februari 2010 te worden gehoord naar aanleiding van het rapport van de LEBZ. Beklaagde is, bijgestaan door zijn gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het hof wederom verzocht de klacht af te wijzen.

De daartoe aangewezen raadsheer-commissaris heeft klaagster vervolgens op 9 april 2010 opnieuw in de gelegenheid gesteld te worden gehoord naar aanleiding van het door de LEBZ uitgebrachte rapport. Klaagster is, bijgestaan door haar gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag nader toegelicht en gehandhaafd.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5. Beoordeling van het beklag

Het hof komt op grond van alle in het geding gebrachte stukken tot het volgende eindoordeel. In zijn tussenbeschikking van 13 oktober 2009 heeft het hof als zijn voorlopig standpunt tot uitdrukking gebracht dat er belastende aanwijzingen voorhanden zijn die de verdenking rechtvaardigen dat in het verleden van klaagster van seksueel misbruik door haar vader sprake is geweest, reden waarom het hof bij de LEBZ advies heeft ingewonnen met betrekking tot de vraag of nader onderzoek wenselijk dan wel mogelijk is en, zo ja, op welke wijze dat onderzoek ware in te stellen. Hoewel het hof het voor een deel eens is met de kritiek die door en namens klaagster op het LEBZ-rapport is uitgeoefend, hetgeen door opinies van terzake deskundigen werd ondersteund, schaart het hof zich niettemin achter de slotconclusie in het rapport ‘om te stoppen met dit onderzoek’ omdat ‘het onmogelijk geworden is de waarheid boven tafel te krijgen’. Immers, naar het oordeel van het hof kan nader onderzoek alleen zinvol zijn als daarvan een uitkomst te verwachten is die, gebaseerd op feiten en omstandigheden, redengevend is voor datgene waarvan beklaagde door klaagster wordt beschuldigd. Dit houdt in dat er op basis van concrete feiten en omstandigheden een directe en oorzakelijke relatie met het vermeende seksueel misbruik moet worden aangetoond, omdat anders de later oordelende strafrechter, mocht het hof de vervolging bevelen, nimmer tot een bewezenverklaring kan geraken. Daarmee zou dan het doel van de verlangde strafvervolging – het achterhalen van een strafbare werkelijkheid met een daarbij passende strafoplegging – niet worden bereikt.

In zedenzaken is het bijbrengen van voldoende bewijs in het algemeen, gelet op de besloten aard van de strafbare gedragingen, doorgaans erg problematisch als de verdachte ontkent. In de zaak van klaagster geldt dat eens te meer, niet alleen omdat beklaagde categorisch ontkent, maar ook en vooral omdat het beweerdelijke misbruik al geruime tijd geleden zou hebben plaatsgevonden en de beschikbare voor beklaagde belastende aanwijzingen ternauwernood op concrete feiten en omstandigheden zijn terug te voeren, mede omdat zij nauw verweven zijn met de emotionele complexiteit van het zich voltrekkende familiedrama in het verleden van klaagster. Vrijwel alle bezwarende indicaties kunnen weliswaar bijdragen aan het vestigen van de overtuiging dat er inderdaad van seksueel misbruik sprake is geweest, maar het daarvoor – volgens wet en rechtspraak – vereiste concrete en directe bewijs valt naar het inzicht van het hof niet aan te dragen. Alles wat in het nadeel van beklaagde wordt aangevoerd, zou kunnen passen bij een patroon van seksueel misbruik (zoals het huiselijk geweld, waarvoor beklaagde in eerste aanleg is veroordeeld, de karakterstructuur en het gezinsverleden van beklaagde, medische indicaties bij zowel klaagster als beklaagde, de traumatische aandoeningen bij klaagster), maar kunnen ook het tegendeel zeker niet uitsluiten. Juist om onterechte veroordelingen te voorkomen, wordt aan het strafrechtelijk bewijs de wettelijke eis gesteld dat de innerlijke overtuiging van de rechter op wettige bewijsmiddelen, dat zijn concrete feiten en omstandigheden, moet zijn gestoeld. Indirecte feiten en omstandigheden – die weliswaar kunnen wijzen in de richting van het strafbare feit – staan in een te verwijderd verband van die wettige bewijsmiddelen en kunnen derhalve niet tot een toelaatbare bewezenverklaring leiden. Tot indirect bewijs worden ook de verklaringen van die getuigen gerekend, zoals door klaagster genoemd, die over het seksuele misbruik ‘van horen zeggen’ kennis hebben gekregen of over ongewone gedragsveranderingen bij klaagster kunnen verklaren, maar die het misbruik zelf niet hebben waargenomen (zoals familieleden die pas na het misbruik zijn ingelicht, buren, leraren, klasgenoten, vrienden, hulpverleners). Het hof acht het dan ook niet zinvol om deze getuigen in een nader onderzoek te betrekken.

Om al deze redenen komt het hof tot het slotoordeel dat bij de gevraagde strafvervolging geen gerede kans op een veroordeling aanwezig is. Het hof heeft dan ook geen andere keus dan het beklag af te wijzen, waarmee het hof bepaald niet tot uitdrukking wil brengen dat de beschuldiging van klaagster niet als serieus zou zijn aan te merken.

6. De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 23 april 2010 door mrs. T.M. Schalken, voorzitter, J.P. Splint en F.A. Hartsuiker, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L.H.J. Peters, griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.