Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3863

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
200.035.937/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ3881, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ3881
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling naar Pools recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 6 april 2010 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.035.937/01 van:

[…],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P. Moraal-Roos te Amstelveen,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 7 augustus 2009 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 18 maart 2009 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 377947 / FA RK 07-6307 en 396004 / FA RK 08-2889.

1.3. De man heeft op 21 september 2009 een exceptie betreffende de niet-ontvankelijkheid van de vrouw in hoger beroep ingediend.

1.4. De man heeft op 17 november 2009 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5. De vrouw heeft op 29 december 2009 een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend. Tevens heeft zij in dat verweerschrift haar verzoek vermeerderd.

1.6. De vrouw heeft op 4 februari, 5 februari, 7 februari en 11 februari 2010 nadere stukken ingediend. Van de zijde van de man heeft het hof op 4 februari 2010 nadere stukken ontvangen.

1.7. De zaak is op 18 februari 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.8. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1979 gehuwd. Bij beschikking van 16 april 2008 heeft de rechtbank te Amsterdam tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken, welke scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister op 29 juli 2008.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover van belang - bepaald dat:

- het woonpand aan de [a] (hierna: het woonpand) wordt toegescheiden aan de man;

- de man de schulden aan [x] en [y] als een eigen schuld dient te voldoen en de vrouw ter zake daarvan dient te vrijwaren;

- de vrouw de schuld aan de verhuurder van de woning in [c] als een eigen schuld dient te voldoen en de man terzake daarvan dient te vrijwaren;

- de man in verband met de verdeling verminderd met hetgeen de vrouw aan de man verschuldigd is in verband met bovenstaande schulden € 100.662,- aan de vrouw dient te betalen op het moment van overdracht van het woonpand aan de man en dat deze overdracht binnen twee maanden na het wijzen van de beschikking dient plaats te vinden;

- de uitspraak ex artikel 3:301 BW in de plaats treedt van de tot levering van het woonpand bestemde akte.

3.2. De vrouw verzoekt met vernietiging van de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de toedeling van het woonpand aan de man, de overdracht van het woonpand aan de man, de bepaling dat de uitspraak in de plaats treedt van de tot levering van het woonpand bestemde akte en de toedeling van de schulden aan de kinderen van partijen aan de man, te bepalen dat de benedenwoning van het woonpand aan de vrouw wordt toebedeeld, de schulden van partijen aan de kinderen in gelijke delen tussen partijen wordt verdeeld, en een bedrag wordt vastgesteld welke de man ter zake overbedeling aan de vrouw dient te voldoen, althans een zodanige beslissing te geven als het hof juist acht.

3.3. De man verzoekt in principaal appel de bestreden beschikking te bekrachtigen en te bepalen dat:

- de overdracht van het woonpand binnen twee maanden na het wijzen van de onderhavige beschikking dient plaats te vinden;

- de uitspraak ex artikel 3:301 BW in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte van het woonpand, dan wel dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 50,- per dag, voor elke dag dat zij geen medewerking verleent aan de overdracht van het woonpand bij de notaris na de gestelde termijn, tot een maximum van € 500.000,-;

- de schulden die partijen aan de zoons hebben aan de man worden toegewezen en daarbij wordt bepaald dat de man deze schulden als eigen schuld dient te voldoen en de vrouw dient te vrijwaren, waarbij de vrouw de man € 37.663,- dient te vergoeden.

In incidenteel appel verzoekt de man te bepalen dat:

- de waarde van de bospercelen in [d] wordt vastgesteld op € 160.789,-, waarbij de helft van de waarde wordt toebedeeld aan de vrouw en de vrouw de man de helft daarvan dient te vergoeden;

- ieder der partijen de bankrekening op zijn of haar naam toebedeeld zal krijgen en dat de vrouw de man een vergoeding dient te betalen van € 289,-;

- de taxatiekosten tussen partijen worden verdeeld en deze kosten voor de vrouw worden gesteld op € 280,-, zijnde de helft van € 560,- en de vrouw € 280,- dient te vergoeden aan de man;

- de vrouw ter zake de huurschuld van de woning in [c] € 100,- aan de man dient te vergoeden;

- de man in verband met de verdeling verminderd met hetgeen de vrouw aan de man verschuldigd is in verband met bovenstaande schulden € 22.924,- aan de vrouw dient te betalen op het moment van overdracht van het woonpand aan de man en dat deze overdracht binnen twee maanden na het wijzen van de beschikking dient plaats te vinden;

- partijen na bovenstaande verdeling over en weer niets van elkaar te vorderen hebben.

3.4. De vrouw verzoekt in het incidenteel appel het verzoek van de man af te wijzen door hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren, althans door hem zijn incidenteel appel te ontzeggen. Bij wijze van vermeerdering van haar verzoek verzoekt zij te bepalen dat de man aan de vrouw ten titel van schadevergoeding een bedrag zal betalen van € 572.000,-.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Het hoger beroep van de vrouw is ingediend ruim na ommekomst van de appeltermijn. De man heeft zich op de niet-ontvankelijkheid van dit hoger beroep beroepen wegens termijnoverschrijding. Het hof volgt de man hierin niet gelet op het navolgende. Nadat de vrouw zonder tussenkomst van een advocaat bij brieven ingekomen 20 mei en 16 juni 2009 haar bezwaren tegen de bestreden beschikking kenbaar gemaakt heeft, heeft de griffier van dit hof haar bij brief van 26 juni 2009 meegedeeld dat zij uitsluitend in hoger beroep kon komen door indiening van een verzoekschrift door een advocaat binnen vier weken na laatstgenoemde brief. Vervolgens heeft een derde namens de vrouw voor het einde van genoemde termijn van vier weken om een nadere termijn van twee weken verzocht bij brief ingekomen 24 juli 2009. Telefonisch is door een griffiemedewerkster van dit hof positief op dit verzoek gereageerd. Aan de man werd daarvan geen mededeling gedaan. Nadat de man een exceptie betreffende de niet-ontvankelijkheid van de vrouw in hoger beroep had ingediend, heeft een griffier van dit hof bij brief van 23 september 2009 de hiervoor geschetste gang van zaken aan de advocaat van de man uiteengezet en daarbij tevens meegedeeld dat het hof de zaak in volle omvang ter terechtzitting zal behandelen en geen aanleiding ziet daaraan voorafgaand een zitting te bepalen waarbij uitsluitend de ontvankelijkheid aan de orde zal komen. De man is vervolgens een termijn voor verweer gegeven. Hoewel de door het hof aan de vrouw gegunde aanvullende termijn ruimer is dan volgens de rechtspraak van de Hoge Raad toelaatbaar is, acht het hof de vrouw in deze zaak ontvankelijk in haar hoger beroep. De namens het hof schriftelijk en telefonisch gedane mededelingen en toezeggingen zijn zodanig, dat het het hof thans niet meer vrij staat om daarop terug te komen en de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, zie Hoge Raad 19 oktober 2007, NJ 2007, 562.

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verdeling naar Pools recht vastgesteld van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap. Aan de man is toegedeeld het woonpand [a] , de inboedel van de woning [b], de Postbank rekening [1], en de rekeningen bij de Rabobank onder nummer [2] en [3]. Aan de vrouw is toegedeeld de inboedel van de woning […] te [c]. Voorts is bepaald dat de man de hypothecaire geldlening afgesloten bij de Postbank dient te voldoen, alsmede de bestaande schulden aan de zoons van partijen en een aantal belastingschulden. De vrouw dient de schuld aan de verhuurder van de woning in [c] als een eigen schuld te voldoen. Verder is bepaald dat de man aan de vrouw in verband met overbedeling een bedrag van € 100.661,73 dient te voldoen op het moment dat het woonpand [a] aan de man wordt overgedragen en dat deze overdracht binnen twee maanden na het wijzen van de beschikking dient plaats te vinden. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat partijen na deze verdeling over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat de beschikking ex artikel 3:301 Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van de tot levering van het woonpand [a] te Amsterdam bestemde akte.

De grieven van de vrouw richten zich tegen de toedeling van de woning [a] aan de man en de bepaling dat de beschikking in plaats komt van haar medewerking, de hoogte van het door de man aan haar te betalen bedrag, alsmede de beslissing dat de man de schulden aan de zoons van partijen dient te voldoen.

De grieven van de man richten zich eveneens tegen de hoogte van het door hem aan de vrouw te betalen bedrag, de waarde waartegen de woning [a] aan hem is toegedeeld, de toedeling van de Rabobankrekeningen aan hem, de beslissing van de rechtbank dat een bosperceel te [d] niet in de beperkte gemeenschap valt en eigendom is van de vrouw, alsmede tegen de wijze van verrekening van de taxatiekosten van het woonpand en de huurschuld van de vrouw in [c].

Het hof zal de grieven in principaal en in incidenteel appel voor zover mogelijk gezamenlijk behandelen.

Het woonpand aan de [a]

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van dit woonpand. De vrouw verzet zich tegen toedeling aan de man. Zij stelt dat op grond van het Poolse recht de woning fysiek dient te worden verdeeld. De woning [a] was aanvankelijk een ongesplitste eengezinswoning. Op verzoek van partijen is deze woning gesplitst in drie appartementen. De splitsing is op verzoek van partijen tot stand gekomen zodat de twee zoons van partijen, [y] en [x], ieder een verdieping konden gaan bewonen, zij hebben daartoe zelfs de aanvraag voor de splitsing mede ondertekend. Zowel [y] als [x] huren een etage, te weten de benedenverdieping en de bovenste verdieping. De man bewoont de middelste etage. De vrouw wil gaan wonen in de benedenverdieping, die door een van de zoons wordt gehuurd.

Het hof oordeelt als volgt. Anders dan de vrouw stelt kent ook het Poolse recht de mogelijkheid van toedeling van een gezamenlijke woning aan een van de echtelieden. In hoger beroep is gebleken dat de verhoudingen tussen de vrouw enerzijds en de man en de beide zoons anderzijds ernstig verstoord zijn, omdat partijen van mening verschillen over de geestelijke gezondheidstoestand van de vrouw, die naar de mening van de man en de zoons, in het verleden voor grote problemen heeft gezorgd. Bovendien is [y] die de benedenetage huurt, niet bereid de etage vrijwillig te verlaten. Hij doet een beroep op huurbescherming. Hoe de vrouw bewoning van de benedenetage zou willen effectueren is in hoger beroep onduidelijk gebleven. De drie woningen hebben weliswaar eigen toegangsdeuren, maar de voordeur is gemeenschappelijk en partijen zitten in alle opzichten dicht op elkaar. Onder deze omstandigheden dient het belang van de man bij toedeling van het woonpand aan hem te prevaleren boven het belang van de vrouw bij het hebben van woonruimte. Voor zover de vrouw zich er op beroept dat zij geen toestemming voor verhuur van die etage heeft gegeven en zich beroept op het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 onder a Burgerlijk Wetboek (BW), baat haar dat beroep niet. De huurovereenkomst met [y] dateert van 9 mei 2005 zodat zij gelet op de verstreken termijn deze rechtshandeling niet meer kan laten vernietigen.

Het hof zal de bestreden beschikking met betrekking tot de toedeling van het woonpand aan de man dan ook bekrachtigen.

Omdat de vrouw ook in hoger beroep niet de bereidheid heeft uitgesproken vrijwillig mee te werken aan levering van het pand aan de man zal het hof ook de beslissing van de rechtbank bekrachtigen dat deze beschikking ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de tot levering van het woonpand bestemde akte. Gelet daarop is er geen aanleiding een dwangsom te verbinden aan de weigering van de vrouw tot medewerking aan toedeling. Dit verzoek van de man zal het hof derhalve afwijzen.

De waarde van het woonpand [a]

[…] (hierna: [makelaarskantoor]) heeft de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van dit pand per 25 november 2009 getaxeerd op € 285.000,-. De vrouw stelt dat deze waarde te laag is. De man dat de waarde te hoog is omdat geen rekening is gehouden met de verhuurde staat van de beneden- en bovenste verdieping.

Dat de woning meer waard is dan het getaxeerde bedrag heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Het hof zal haar stelling op dit punt dan ook passeren. Ook de stelling van de man dat het pand door de verhuurde staat van de twee etages minder waard is, passeert het hof. Weliswaar staat op de eerste bladzijde van het taxatierapport de waarde vrij van huur vermeld, doch op pagina 5 onder K, eigen bewoning en/of bewoning door derden (anderen dan de eigenaar), valt te lezen dat de parterre en de tweede etage in gebruik is bij de zoons van partijen. Met bewoning door anderen dan de eigenaar is derhalve wel degelijk rekening gehouden. Mede gelet op de verhuur in familiaire sfeer, ziet het hof geen aanleiding om de door [makelaarskantoor] verrichte taxatie naar beneden aan te passen zoals door de man verzocht. De beschikking waarvan beroep zal ook op dit punt worden bekrachtigd.

De schulden aan de zoons van partijen

Tot de gemeenschap behoren twee schulden aan de zoon [x] van respectievelijk € 28.134,- en € 10.890,-, en twee schulden aan de zoon [y] van respectievelijk € 25.412,- en € 10.890,-. De rechtbank heeft bepaald dat de man deze schulden als zijn eigen schuld dient te voldoen en de vrouw daarvoor dient te vrijwaren. Het gevolg daarvan is dat de vrouw de man € 37.663,- dient te vergoeden. De vrouw stelt dat zij de plicht heeft haar kinderen te verzorgen en dat het haar wens is dat de schulden in gelijke delen tussen partijen worden verdeeld subsidiair dat de schulden aan haar worden toebedeeld en de man haar een bedrag van € 37.663,- zal betalen.

Het hof volgt de vrouw hierin niet. Een deel van genoemde schulden is ontstaan door de verbouwing van het hiervoor genoemde pand. Nu dit pand aan de man wordt toegedeeld, ligt het in de rede om te bepalen dat de daarmee verbonden schulden door de man dienen te worden voldaan. Bovendien hebben de kinderen door middel van brieven in deze procedure aangegeven dat zij, vanwege het gedrag van de moeder niets meer met haar van doen willen hebben. Gelet op de ernstig verstoorde verhoudingen binnen het gezin, is de man de meest gerede partij om de schulden aan de zoons te voldoen. Ook op dit punt zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Bospercelen [d]

Met betrekking tot deze percelen heeft de rechtbank bepaald dat deze percelen voor de helft tot het privé vermogen van de vrouw behoren en voor de andere helft eigendom van de kinderen van partijen zijn, omdat het een schenking betreft, zodat ter zake geen verdeling behoeft plaats te vinden. De man stelt dat er geen sprake is van schenking aan de vrouw. Hij stelt dat partijen de ouders van de schenker een bedrag van $ 1.200,- hebben betaald, alsmede dat zij $ 110,- hebben betaald voor de daadwerkelijke aankoop. Bovendien heeft de man vanaf 1992 hard op de percelen gewerkt omdat het de bedoeling was daar een huis te bouwen waarin partijen hun oude dag zouden kunnen slijten. Hij stelt dat partijen ruim f 20.000,- in de te bouwen woning hebben geïnvesteerd. Hij stelt de waarde van de bospercelen op € 160.789,-. Omdat de percelen de kinderen van partijen voor de helft in eigendom toebehoren, verzoekt hij de percelen voor een bedrag van € 80.395,- aan de vrouw toe te delen. De vrouw ontkent een en ander, zij stelt dat er slechts een deel van een kelder tot stand is gekomen welke inmiddels rijp is voor de sloop.

Het hof oordeelt als volgt. De stelling van de man dat de schenking aan de vrouw en de kinderen slechts tot stand is gekomen omdat buitenlanders geen bezit in Polen mochten hebben, heeft de vrouw onvoldoende weersproken. Evenmin heeft zij weerlegd dat er voor de percelen $ 1.200,- door partijen gezamenlijk is betaald aan de ouders van de schenker en dat voor de verkrijging daarnaast nog een bedrag van $ 110,- door hen is voldaan. Het had op haar weg gelegen aan te tonen dat genoemde bedragen vanuit haar privé vermogen zijn voldaan. Onder die omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat de bospercelen gemeenschappelijk eigendom zijn. Aangezien de vrouw Poolse is en – naar het hof heeft begrepen – inmiddels meestentijds in Polen verblijft, zal het hof het aandeel (de helft) van de percelen aan de vrouw toedelen onder de verplichting de man een vierde van de waarde van die percelen uit te keren. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, heeft de man de door hem gestelde waarde van de bospercelen onvoldoende onderbouwd, zodat er geen aanleiding is tot toewijzing van het door de man verzochte bedrag.

De bankrekeningen

De stelling van de man dat van de in de beschikking waarvan beroep genoemde bankrekeningen slechts de Postbank (naar het hof aanneemt thans ING) rekening [1] op zijn naam staat en dat de andere rekeningen op naam van de vrouw staan, heeft de vrouw niet, althans onvoldoende, weersproken. De enkele stelling dat zij niet op de hoogte is van het saldi op de diverse rekeningen is onvoldoende. Het verzoek van de man met betrekking tot de bankrekeningen zal dan ook worden toegewezen. Het hof gaat er overigens wel van uit dat de man de op de bankrekeningen ten name van de vrouw betrekking hebbende stukken aan (de advocaat van) de vrouw doet toekomen, zodat de vrouw de adressering van de rekeningen kan wijzigen dan wel de rekeningen kan opheffen.

Taxatiekosten

De man heeft een factuur van 25 november 2008, de datum waarop de taxatie van het woonpand blijkens het taxatierapport is geschied, overgelegd van [makelaarskantoor] waaruit, anders dan de vrouw stelt, blijkt dat de taxatiekosten € 559,60 hebben bedragen. Omdat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van dit pand dienen de taxatiekosten gelijkelijk gedragen te worden. Het hof volgt de man dan ook in zijn stelling dat de vrouw hem de helft van de taxatiekosten dient te vergoeden, te weten een bedrag van € 279,80 in plaats van het door de rechtbank bepaalde bedrag van € 140,-. De grief van de man op dit punt slaagt derhalve.

Huurschuld

Het betreft niet betaalde huurtermijnen voor de door partijen gehuurde woning in [c]. De rechtbank heeft bepaald dat de man terzake € 100,- aan de vrouw diende te voldoen. In hoger beroep heeft de man een betalingsbewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij een schuld van € 200,- heeft voldaan aan de verhuurder van de woning. De vrouw stelt dat niet duidelijk is dat deze betaling betrekking heeft op de huurschuld.

Het hof volgt de vrouw daarin niet. Uit het door de man overgelegde bankafschrift blijkt dat hij op 13 augustus 2008 een bedrag van € 200,- heeft overgemaakt met als omschrijving […]. Nu de vrouw niet heeft weersproken dat het rekeningnummer dat van de verhuurder van de woning in [c] is, acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat deze betaling is geschied ter voldoening van een huurachterstand. De vrouw zal de man dan ook € 100,- dienen te vergoeden.

4.3. Het hof zal de vrouw niet ontvankelijk verklaren in de bij verweerschrift in incidenteel appel als vermeerdering van verzoek ingediende vorderingen op de man tot een bedrag van € 572.000,- ten titel van schadevergoeding, nu deze vorderingen geen betrekking hebben op de verdeling en niet bij verzoekschriftprocedure aanhangig kunnen worden gemaakt.

4.4. Het voorgaande betekent dat uitgaande van het voorgaande de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van

€ 100.135,93 berekend als volgt:

terzake de woning betaalt de man aan de vrouw € 136.374,-

terzake de inboedel betaalt de man aan de vrouw € 1.000,-

terzake voorhuwelijkse schulden betaalt de man de vrouw € 1.698,73

terzake de schuld aan de zoons betaalt de vrouw de man € 37.663,-

terzake belastingschulden betaalt de vrouw aan de man € 604,50

terzake de bankrekeningen betaalt de vrouw aan de man € 289,50

terzake de taxatiekosten betaalt de vrouw aan de man € 279,80

terzake de huurschuld betaalt de vrouw aan de man € 100,-

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin de Rabobankrekeningen nummer [2] en [3] aan de man zijn toegedeeld, is bepaald dat de vrouw de schuld aan de verhuurder van de woning in [c] als een eigen schuld dient te voldoen en de man terzake daarvan dient te vrijwaren en is bepaald dat de man in verband met de verdeling een bedrag aan de vrouw verschuldigd is van € 100.661,73 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

deelt aan de vrouw toe de Rabobank rekeningen met nummers [2] en [3];

deelt aan de vrouw toe de bospercelen te [d] voor zover eigendom van partijen onder de verplichting van de vrouw om de helft van de waarde aan de man te vergoeden;

bepaalt dat de man in verband met de verdeling een bedrag van € 100.135,93 (zegge: éénhonderdduizend éénhonderdvijfendertig euro en drieënnegentig eurocent) aan de vrouw dient te betalen op het moment van overdracht van het woonpand [a] aan de man en dat deze overdracht binnen twee maanden na het wijzen van deze beschikking dient plaats te vinden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, C.G. Kleene-Eijk en M.E. Burger in tegenwoordigheid van mr. B.J. Schutte als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2010.