Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3577

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
23-002940-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2007:BA3160, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BU8730, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU8730
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beleggingsfraude. Veroordeling wegens het verlenen van beleggingsdiensten zonder vergunning. Vrijspraak van fiscale fraude en oplichting en heling. Overwegingen over: (onder meer) verjaring, verandering van wetgeving, medeplegen en opzet van de verdachte, schending redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Wet op het financieel toezicht 2:96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/163
JE 2010, 280
JOR 2010/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002940-07

datum uitspraak: 4 mei 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-120047-99 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 22, 23, 27 en 29 maart 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 20 april 2009, 19 april 2010 en 21 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie ten aanzien van de gehele tenlastelegging, gelet op het tijdsverloop, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is geschonden, is door het hof reeds ter terechtzitting van 20 april 2009 vastgesteld. Op die terechtzitting heeft het hof tevens - onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, LJN: BD2578 - beslist dat deze schending geen grond vormt voor een niet-ontvankelijk verklaring zoals door de raadsman betoogd.

Het door de raadsman ter terechtzitting van 19 april 2010 herhaalde beroep wordt op dezelfde grond verworpen. De schending van de redelijke termijn kan in de overwegingen ten aanzien van de strafmaat worden betrokken.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 19 april 2010 is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van het onder feit 5, 7 primair, 7 subsidiair, 8, 9 en 10 tenlastegelegde.

Omvang van het hoger beroep

Zowel de verdachte als het openbaar ministerie zijn in appel gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep is zowel door de verdachte als het openbaar ministerie niet bij akte beperkt.

De verdachte is in eerste aanleg ten aanzien van feit 4 en 6 vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 19 april 2010 te kennen gegeven dat het appel van het openbaar ministerie zich niet richtte tot deze vrijspraken. Zowel de verdachte als het openbaar ministerie zijn daarom op die terechtzitting ten aanzien van deze feiten niet-ontvankelijk verklaard in het appel.

De omvang van het appel behelst, gezien het bovenstaande, de feiten 1, 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is – voor zover in hoger beroep aan de orde – aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 13 maart 2000, althans in maart 2000, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, inzake de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz (1999) Vermogensbelasting 2000 (ten name van verdachte) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar, al dan niet opzettelijk onjuist en/of onvolledig opgegeven, door middel van een door of vanwege hem, verdachte en/of zijn mededader(s), ingevuld (ondertekend) en bij de inspecteur van de eenheid (grote) ondernemingen te Amsterdam ingeleverd aangiftebiljet voor de Inkomstenbelasting Premie volkverzekeringen Premie Waz Vermogensbelasting 2000 over 1999 (D/270) (zijnde een formulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Wet inzake Rijksbelastingen) dat zijn belastbaar inkomen f 1.187.358,00 was terwijl dat belastbaar inkomen in werkelijkheid hoger was dan het aangegeven bedrag en/of dat zijn vermogen fl. 1.733.447,00 was terwijl dat vermogen in werkelijkheid hoger was dan het aangegeven bedrag, zulks terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

feit 2 primair

hij op een of meer tijdstippen tussen 1 januari 1997 tot en met 31 mei 2000 te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Indonesië en/of in België en/of in Duitsland en/of Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zichzelf en/of zijn mededader(s) en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels

- [belegger 1] en/of [belegger 2] en/of [belegger 3] heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 822.125,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 4] heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 5.010.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 5] (G 17) heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 563.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 6] (G 37) heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 98.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 7] (G 44) heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 46.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 8] (G 47) heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 96.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag;

- [belegger 9] heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 43.700, in elk geval enig geldbedrag;

hebbende hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), toen en daar met dat oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan/ten overstaan van genoemde [belegger 1] en/of [belegger 2] en/of [belegger 3] en/of [belegger 4] en/of [belegger 5] en/of [belegger 6] en/of [belegger 7] en/of [belegger 8] en/of [belegger 9] in woord en/of geschrift

- aandelen in de onderneming World Health Network N.V. aangeboden en/of verkocht en/of (daarbij)

- (zakelijk weergegeven) medegedeeld dat de aandelen in de onderneming World Health Network N.V. binnen afzienbare tijd ter beurze genoteerd zouden zijn/worden en/of (om andere redenen) in waarde zouden stijgen en/of

- (zakelijk weergegeven) medegedeeld dat de koopprijs voor de aandelen in World Health Network N.V. (integraal) (zonder aftrek/inhouding van kosten en/of commissies/provisies) ten goede kwam/zou komen van de onderneming World Health Network N.V. en/of

- (zakelijk weergegeven) medegedeeld dat ((aan)betalingen op/van) de (koop)prijs van deze aandelen gestort/voldaan konden/moesten worden op ABN-rekening nummer [rekeningnummer] t.n.v. de onderneming World Health Network N.V., terwijl van deze rekening in werkelijkheid niet World Health Network N.V. de begunstigde was (maar "WHN World Health Network vrv (voor rekening van) F.F.C.A." ) en/of

- correspondentie verzonden die, zakelijk weergegeven, de schijn wekte (rechtstreeks) afkomstig te zijn (van "The Investment Relations Department") van World Health Network N.V. en/of

- gebruik gemaakt van een of meer valse namen (waaronder [betrokkene 4]) en/of

- zogenaamde "confirmation statements" (betalingsinstructies) verzonden waarop, zakelijk weergegeven, stond vermeld dat betalingen ten gunste van World Health Network N.V. konden/moesten worden verricht door overmaking op een (ABN-AMRO) bankrekeningnummer waarvan de feitelijk begunstigde niet World Health Network N.V. was

- voorgewend dat er geen dan wel in geringe mate sprake was van commissie;

feit 2 subsidiair

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] op een of meer tijdstippen tussen 1 januari 1997 tot en met 31 mei 2000 te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Indonesië en/of in België en/of in Duitsland en/of Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zichzelf en/of zijn/hun mededader(s) en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels

- [belegger 1] en/of [belegger 2] en/of [belegger 3] heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 822.125,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 4] heeft/hebben bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 5.010.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 5] (G 17) heeft/hebben bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 463.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 6] (G 37) heeft/hebben bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 98.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 7] (G 44) heeft/hebben bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 46.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag en/of

- [belegger 8] (G 47) heeft/hebben bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 96.000,-, althans tot de afgifte van delen van dat (geld)bedrag, in elk geval van enig geldbedrag

- [belegger 9] heeft bewogen tot de (middellijke en/of girale) afgifte van (in totaal) US $ 43.700, in elk geval enig geldbedrag;

hebbende die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer van zijn/hun mededader(s), toen en daar met dat oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan/ten overstaan van genoemde [belegger 1] bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan/ten overstaan van genoemde [belegger 1] en/of [belegger 2] en/of [belegger 3] en/of [belegger 4] en/of [belegger 5] en/of [belegger 6] en/of [belegger 7] en/of [belegger 8] en/of [belegger 9] in woord en/of geschrift

- aandelen in de onderneming World Health Network N.V. aangeboden en/of verkocht en/of (daarbij)

- (zakelijk weergegeven) medegedeeld dat de aandelen in de onderneming World Health Network N.V. binnen afzienbare tijd ter beurze genoteerd zouden zijn/worden en/of (om andere redenen) in waarde zouden stijgen en/of

- (zakelijk weergegeven) medegedeeld dat de koopprijs voor de aandelen in World Health Network N.V. (integraal) (zonder aftrek/inhouding van kosten en/of commissies/provisies) ten goede kwam/zou komen van de onderneming World Health Network N.V. en/of

- (zakelijk weergegeven) medegedeeld dat ((aan)betalingen op/van) de (koop)prijs van deze aandelen gestort/voldaan konden/moesten worden op ABN-rekening nummer [rekeningnummer] t.n.v. de onderneming World Health Network N.V., terwijl van deze rekening in werkelijkheid niet World Health Network N.V. de begunstigde was (maar "WHN World Health Network vrv (voor rekening van) F.F.C.A" ) en/of

- correspondentie verzonden die, zakelijk weergegeven, de schijn wekte (rechtstreeks) afkomstig te zijn (van "The Investment Relations Department") van World Health Network N.V. en/of

- gebruik gemaakt van een of meer valse namen (waaronder [betrokkene 4]) en/of

- zogenaamde "confirmation statements" (betalingsinstructies) verzonden waarop, zakelijk weergegeven, stond vermeld dat betalingen ten gunste van World Health Network N.V. konden/moesten worden verricht door overmaking op een (ABN-AMRO) bankrekeningnummer waarvan de feitelijk begunstigde niet World Health Network N.V. was;

- voorgewend dat er geen dan wel in geringe mate sprake was van commissie;

tot/ bij welk(e) feit(en) hij, verdachte, toen in Amsterdam, althans elders in Nederland en/of in Luxemburg, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- het oprichten en/of besturen van een of meer rechtspersonen en/of

- het onderhouden van contacten met en/of tussen genoemde [betrokkene 1] en/of genoemde [betrokkene 2] en/of genoemde [betrokkene 3] (enerzijds) en een of meer andere (rechts)personen (anderzijds) en/of

- het onderhouden van contacten met en/of het vragen van informatie aan een of meer (financiële) toezichtsinstellingen (waaronder de Stichting Toezicht Effectenverkeer) in Nederland en/of in het buitenland en/of

- het openen en/of beheren van een of meer bankrekeningen (waaronder een rekening onder/met de (misleidende) begunstigde/naam "WHN World Health Network vrv (voor rekening van) F.F.C.A.") en/of

- het doorboeken en/of contant opnemen van een of meer geldbedragen naar/ten behoeve van (bankrekeningen van) (rechtspersonen van) zichzelf en/of een of meer van de bovengenoemde verdachte(n) (in het buitenland);

feit 2 meer subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 mei 2002 te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer US $ 15.357.000,-) (gestort op en/of afkomstig van het ABN-AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of (giraal) heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die/dat geldbedrag(en) wist/wisten dat het (een) door misdrijf verkregen geldbedrag(en) betrof/betroffen;

en/of

opzettelijk uit winstbejag (een) van misdrijf afkomstig geldbedrag(en) (in totaal ongeveer US $ 15.357.000,-) (gestort op en/of afkomstig van het ABN-AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer]) voorhanden heeft gehad en/of (giraal) heeft overgedragen;

feit 3

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 mei 2000 te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, - al dan niet - opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar en/of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten heeft aangeboden aan en/of heeft doen aanbieden aan en/of verricht voor een of meer natuurlijke personen, te weten (onder meer) [belegger 2] en/of [belegger 1] en/of [belegger 3] en/of [belegger 4] en/of [belegger 5] en/of [belegger 6] en/of [belegger 7] en/of [belegger 8] en/of een of meer andere personen, in elk geval (telkens) – al dan niet - opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar en/of vermogensbeheerder diensten en/of werkzaamheden met betrekking tot de bemiddeling bij en/of de totstandkoming van (een) effectentransactie(s) aangeboden aan en/of doen aanbieden aan en/of verricht voor en/of doen verrichten voor die [belegger 2] en/of [belegger 1] en/of [belegger 3] en/of [belegger 4] en/of [belegger 5] en/of [belegger 6] en/of [belegger 7] en/of [belegger 8] en/of een of meer andere personen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Beroep op partiële nietigheid ten aanzien van feit 3

Standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 voor zover het betrekking heeft op het tenlastegelegde “en/of een of meer andere personen” nietig dient te worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het voor zijn cliënt onmogelijk is zich tegen een dergelijk vaag en niet-gespecificeerd verwijt te verdedigen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk is en dat van nietigheid geen sprake kan zijn.

Beoordeling

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het onder feit 3 ten laste gelegde behelst – kort gezegd – dat de verdachte samen met anderen opzettelijk zonder vergunning werkzaam is geweest als effectenbemiddelaar. In dat kader zijn diensten aangeboden aan diverse beleggers, die gedeeltelijk in de tenlastelegging met naam zijn genoemd en in het dossier allemaal zijn terug te vinden. Deze gedraging is in de tenlastelegging naar het oordeel van het hof voldoende concreet, begrijpelijk en duidelijk omschreven. Het feit sluit bovendien aan op hetgeen de verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd. Naar het oordeel van het hof moet de verdachte in staat worden geacht het onder feit 3 ten laste gelegde te begrijpen en kon bij de verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs geen twijfel ontstaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Uit de verhoren van de verdachte, de proceshouding van de verdachte ter terechtzitting en het pleidooi van de raadsman is het tegendeel niet gebleken. Het hof is daarom van oordeel dat onder feit 3 ten laste gelegde voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv). Het verweer wordt verworpen.

Beroep op verjaring ten aanzien van feit 3

Standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat een deel het onder 3 tenlastegelegde feit is verjaard. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Overtreding van artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (verder: Wte 1995) (oud) kan worden beschouwd als een aflopend delict. Het gaat om een feit dat meermalen zou hebben plaatsgevonden binnen de tenlastegelegde periode. Dit betekent dat de verjaring steeds aanvangt op de dag na de vermeende pleegdatum van elk afzonderlijk feit. Voor zover het gaat om investeringen die meer dan 12 jaar geleden zijn gedaan is het feit daarom verjaard.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het onder 3 tenlastegelegde feit niet is verjaard. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Overtreding van artikel 7 Wte 1995 (oud) kan worden beschouwd als een voortdurend delict. Het gaat om één tenlastegelegde overtreding van de verbodsbepaling. Voor een kwalificatie als ‘meermalen gepleegd’ is dan ook geen ruimte.

Beoordeling

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Tenlastegelegd is het als effectenbemiddelaar, zonder vergunning, aanbieden of verrichten van diensten. Van belang hierbij is wat onder een effectenbemiddelaar wordt verstaan. Artikel 1, sub b Wte 1995 (oud) omschrijft vijf soorten verrichtingen of activiteiten die worden gekwalificeerd als effectenbemiddeling. Hiertoe behoren onder andere het beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam zijn bij de totstandkoming van transacties in effecten en het beroeps- of bedrijfsmatig overnemen of plaatsen van effecten bij de uitgifte daarvan. Uit de verschillende verklaringen in het dossier volgt dat gedurende de tenlastegelegde periode allerlei werkzaamheden zijn verricht die zien op het totstandbrengen van effectentransacties en het plaatsen van effecten. Tot die werkzaamheden behoorden niet alleen het contact opnemen met potentiële beleggers in strikte zin, maar ook de administratieve verwerking van de transacties en de verwerking en doorboeking van de belegde gelden door de verdachten. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de beleggers dat in het kader van hun beleggingen meerdere malen contact met hen is geweest, ook nadat de gelden waren gestort. Ook dergelijke contacten hebben plaatsgevonden in het kader van de werkzaamheden als effectenbemiddelaar. Gelet op de tekst van artikel 7 Wte 1995 (oud) en het geheel van werkzaamheden dat heeft plaatsgevonden gedurende de tenlastegelegde periode is naar het oordeel van het hof sprake van een voortdurend delict.

Dit heeft voor de beoordeling van de vraag of sprake is van verjaring het volgende tot gevolg. De verjaring begint te lopen vanaf het moment dat voor het laatst werkzaamheden zijn verricht als effectenbemiddelaar. Naar het oordeel van het hof moet in dat verband worden uitgegaan van het volgende. Uit de verklaring van [belegger 11] (dossierbijlage G/39), één van de in de tenlastelegging niet bij naam genoemde beleggers, blijkt dat zij in februari 2000 nog contact heeft gehad met de heer ‘[betrokkene 4]’. Op 14 maart 2000 heeft zij vervolgens nog aandeelhouders- informatie ontvangen. Het hof neemt daarom met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn deze laatste datum als uitgangspunt.

Voor de beoordeling van de vraag of het tenlastegelegde feit inmiddels is verjaard is voorts het volgende van belang. Overtreding van artikel 7 Wte 1995 (oud) was strafbaar gesteld via artikel 1 onder 2 Wet economische delicten (verder: WED). De maximum gevangenisstraf bedroeg op grond van artikel 6, eerste lid, onder 2 WED 2 jaar. De bijbehorende verjaringstermijn is (en was) op grond van artikel 70, eerste lid, onder 2 Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) 6 jaar. Uit het dossier blijkt dat de verjaring door daden van vervolging is gestuit. Het hof wijst in dit verband op 23 mei 2000, op welke datum de verdachte is verhoord en onderzoek in zijn woning is gedaan en op 3 november 2002, op welke datum de inleidende dagvaarding in persoon aan de verdachte is betekend. In verband met deze stuiting is artikel 72, tweede lid Sr van belang dat – kort gezegd en voor zover van belang – bepaalt dat ingeval van stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt die gelijk is aan maximaal twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. In dit geval betekent dit, in verband met de stuiting, dat een verjaringstermijn van 12 jaar heeft te gelden. Omdat op het moment van het wijzen van dit arrest de termijn van 12 jaren, gerekend vanaf 23 mei 2000, niet is verstreken is van verjaring van dit feit geen sprake. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Het tenlastegelegde feit onder 1

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Uit de inhoud van het dossier blijkt de betrokkenheid van de verdachte bij de vennootschap Harvester. Tevens blijkt dat de verdachte gerechtigd was tot het vermogen op de rekeningen bij de Banque International á Luxembourg (verder: BIL). Dit had de verdachte op het aangifteformulier dienen op te geven. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een optieovereenkomst met betrekking tot Escada (de moedermaatschappij van Harvester) overgelegd. De verdachte had deze optieovereenkomst moeten vermelden als vermogen op het aangiftebiljet. Voorts heeft de verdachte inkomen genoten dat binnenkwam op een rekening van Harvester. Deze inkomsten had hij op het aangiftebiljet als inkomen dienen te vermelden.

Standpunt raadsman

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Met betrekking tot de inkomstenbelasting geldt dat – zo al sprake is geweest van inkomsten – dat dit inkomsten van de vennootschap Harvester betroffen. De verdachte was niet gehouden om dit op te geven op zijn aangifte in privé.

Met betrekking tot de vermogensbelasting geldt dat – als sprake was van een door de verdachte economisch gecontroleerde vennootschap – vast moet komen te staan dat Harvester per 1 januari 2000 een vennootschap was die aan de verdachte in privé kon worden toegeschreven. Op grond van de inhoud van het dossier kan dit niet worden vastgesteld, de verdachte was dan ook niet gehouden om vermogen op rekening(en) van Harvester op te geven als vermogen.

Beoordeling

Bij de beoordeling van dit feit heeft het hof als uitgangspunt genomen dat de resultaten van het onderzoek in Luxemburg waarvoor een fiscaal voorbehoud geldt (de inhoud van ordner 31) niet als bewijs van dit feit kunnen gelden.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat Harvester onderdeel uitmaakte van de familietrust die was opgericht door zijn vader. Voorts verklaarde de verdachte dat hij van Harvester gebruik maakte als servicevennootschap. Dit behelsde onder meer het (tijdelijk) storten van geldbedragen op rekeningen van Harvester ten behoeve van zijn cliënten.

Dat Harvester onderdeel uitmaakte van de familietrust blijkt onder meer uit de verklaring van de halfbroer van de verdachte, [halfbroer verdachte], zoals afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 23 oktober 2009.

Uit het door de verdachte op 9 maart 2000 ondertekende aangiftebiljet (bijlage D/270) blijkt het volgende. Onderdeel 25 van het aangiftebiljet gaat over “bijzondere situaties van u, uw echtgenoot en/of uw minderjarige kinderen”. Hieronder valt blijkens vraag 25a ook betrokkenheid bij een trustvermogen.

In vraag 25a staat: “Als u, uw echtgenoot en/of uw minderjarige kinderen betrokken waren bij een trustvermogen, kruis dan het hokje aan en volg de aanwijzingen op blz. 32 van de Toelichting.” Het vakje achter deze vraag is aangekruist. Hieruit volgt dat de verdachte heeft aangegeven betrokken te zijn bij een trustvermogen en aldus in beginsel heeft voldaan aan de op hem rustende aangifteplicht. In beginsel, want het dossier omvat niet de toelichting waarover in de vraag wordt gesproken. Evenmin bevat het aangiftebiljet een bijlage waaruit een toelichting blijkt op het aankruisen van dit hokje, terwijl uit de eerste pagina van het aangiftebiljet blijkt dat in totaal 3 bijlagen met deze aangifte zijn meegestuurd.

Onder deze omstandigheden valt niet uit te sluiten dat de verdachte met het aankruisen van dit vakje hiermee zijn betrokkenheid bij de familietrust (waaronder Escada valt waarop de verdachte een optieovereenkomst heeft en waarvan Harvester een dochtermaatschappij is) heeft aangegeven. De verdachte heeft dan, naar het zich laat aanzien, voor zowel de aangifte inkomstenbelasting als de aangifte vermogensbelasting aan zijn aangifteplicht voldaan. Wanneer de belastingsdienst voor de aanslag nog meer informatie nodig zou hebben gehad, had het op de weg van de belastingdienst gelegen nadere informatie aan de verdachte hieromtrent te vragen.

De verdachte dient derhalve, bij gebrek aan bewijs terzake van dit feit, te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Subsidiair verzoek ter zake het tenlastegelegde feit onder 1

In diens laatste woord heeft de verdachte verzocht de heren [belastingdienstmedewerker 1] en [belastingdienstmedewerker 2], werkzaam bij de belastingdienst, als getuigen te horen. Nu de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken, en daardoor geen noodzaak bestaat deze personen als getuigen te horen, wordt dit verzoek afgewezen.

Het tenlastegelegde feit onder 2, primair, subsidiair en meer subsidiair

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezen verklaring van het onder feit 2 primair tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft nauw en bewust samengewerkt met, onder meer, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij de verkoop van aandelen in World Health Network N.V. (verder: WHN). De beleggers zijn door de verdachte en zijn medeplegers bij deze verkoop opgelicht. De rol van de verdachte was daarin gelegen dat hij betrokken was bij de oprichting van diverse vennootschappen en tevens bij het regelen van de geldstroom afkomstig van de beleggers, welk geld door de verdachte op diverse rekeningen werd geboekt en gestort. De verdachte beheerde hiertoe diverse rekeningen waarvoor hij, soms als enige, tekeningsbevoegd was. De verdachte speelde hierdoor een essentiële rol in de oplichting van de beleggers.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte ten aanzien van dit feit dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Met betrekking de feiten 2 primair, subsidiair en meer subsidiair geldt dat de verdachte niet op de hoogte was van enig plan om welke belegger dan ook op te lichten. Daarnaast was hij niet bij enige uitvoering terzake betrokken. Nu zowel de wetenschap als de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten ontbreekt kan de verdachte ten aanzien van deze feiten niet worden veroordeeld.

Beoordeling

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte enige wetenschap had van de handelingen van het verkoopkantoor FFCA/HRS te Amsterdam. De verdachte was weliswaar betrokken bij de oprichting van de vennootschappen en het beheren van de geldstroom, maar op de wijze waarop potentiële beleggers werden overgehaald geld in te leggen had de verdachte geen zicht.

Zo volgt uit de verklaringen van de medewerkers van het Amsterdamse verkoopkantoor dat de verdachte daar niet kwam. Door de medewerkers werd de verdachte aangeduid als de accountant en boekhouder. De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte zich niet bemoeide met de dagelijkse gang van zaken op het kantoor in Amsterdam. De getuige [betrokkene 2] heeft daar in eerste instantie anders over verklaard, maar heeft later, ten overstaan van de rechter-commissaris, delen van zijn verklaring genuanceerd.

Vast staat dat de verdachte back office-activiteiten heeft verricht (oprichting HRS en FFCA, doorboeking gelden, opstellen overeenkomsten met WHN) die essentieel waren voor de front office-werkzaamheden (effectenbemiddeling sec) en in die zin ook essentieel kunnen zijn voor de gepleegde oplichtingshandelingen. Verder blijkt uit verscheidene afgeluisterde telefoongesprekken dat de verdachte en de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gesprekken voerden over de uitoefening van de optierechten.

Essentieel voor het medeplegen is echter de dubbele opzet. Niet alleen moet de verdachte opzet hebben gehad op de samenwerking, maar ook op de uitvoering van het strafbare feit, zijnde de oplichting. Aan dat laatste ontbreekt het. Uit geen bewijsmiddel kan volgen dat de verdachte op de hoogte is geweest wat aan de beleggers is voorgehouden. Zo had de verdachte geen kennis van de zogenaamde sale-scripts die door het verkooppersoneel werden gebruikt. De verdachte had bovendien zelf geen contact met de verkopers als het ging om hun werkzaamheden als effectenbemiddelaar. Ook uit de getapte telefoongesprekken volgt niet dat de verdachte wetenschap had.

Gelet op bovenstaande wordt de verdachte vrijgesproken voor zowel het primair, subsidiair als meer subsidiair tenlastegelegde, nu voor alle varianten geldt dat de verdachte tenminste wetenschap moet hebben gehad van de in de tenlastelegging omschreven handelingen, welke ontbrak.

Het tenlastegelegde feit onder 3

Verandering van wetgeving

Onder feit 3 wordt de verdachte – kort gezegd – verweten een voorschrift gesteld bij artikel 7, eerste lid van de Wte 1995 (oud) te hebben overtreden. De tekst van dit artikel luidde ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit als volgt (cursivering toegevoegd):

Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten.

De inhoud van de Wte 1995 (oud) is per 1 januari 2007 vervangen door de Wet op het financieel toezicht (verder: Wft). De betreffende verbodsbepaling is thans opgenomen in artikel 2:96 Wft. Deze verbodsbepaling luidt als volgt (cursivering toegevoegd):

Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen.

Aan de orde is derhalve de vraag of deze wijziging van wetgeving, namelijk de wijziging van het bestanddeel ‘in of vanuit Nederland’ tot ‘in Nederland’ blijkt geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het feit. Indien dit het geval is, dient, met toepassing van het bepaalde in artikel 1, tweede lid Sr, te worden beoordeeld of de nieuwe bepaling (in abstracto en in concreto) gunstiger is. Indien dit het geval is dient de nieuwe bepaling te worden toegepast.

Standpunt advocaat-generaal

Bij de beantwoording van deze vraag heeft de advocaat-generaal verwezen naar het boek Wet op het financieel toezicht, Tekst & Toelichting, F.G.B. Graaf en R.A. Stegeman (red.), Kluwer, Deventer 2007, eerste druk, waarin is opgenomen (p. 393) dat de achtergrond van de wijziging ligt in het volgende. Door ontwikkelingen van de Nederlandse effectenwetgeving lijkt Nederland op het moment van het opstellen van de Wft niet meer aantrekkelijk als toevluchtsoord om de effectenwetgeving in andere landen te ontduiken. De wijziging van wetgeving hangt derhalve samen met gewijzigde omstandigheden, maar niet met een gewijzigd oordeel van de wetgever omtrent de strafbaarheid van het feit. Nu geen sprake is van een gunstiger bepaling dient artikel 7 Wte 1995 (oud) te worden toegepast.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft gesteld dat de wetgever door de wijziging blijkt geeft van een gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid van het feit. Hij heeft hierbij onder meer verwezen naar Kamerstukken II 2005-2006, 29 708, nr. 19, p. 465, waaruit blijkt dat het niet wenselijk wordt geacht het verlenen van financiële diensten aan in het buitenland gevestigde cliënten in Nederland voorwerp te maken van een Nederlandse vergunningsplicht.

Beoordeling

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

In de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2005-2006, 29 708, nr. 19, p. 465) is het volgende omtrent de achtergrond van deze wijziging opgenomen (cursivering toegevoegd).

Het eerste lid van dit artikel bevat het verbod om in Nederland zonder vergunning beleggingsdiensten te verlenen. Dit verbod wordt overgenomen uit artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995. In artikel 1:1 is een definitie opgenomen van verlenen van een beleggingsdienst. Het eerste lid onderwerpt het in Nederland verrichten van deze financiële dienst aan een vergunningplicht.

Het element vanuit Nederland wordt niet overgenomen uit de Wte 1995, omdat het verlenen van vergunningen aan in Nederland gevestigde ondernemingen die uitsluitend diensten verlenen voor buitenlandse cliënten niet past in de doelstelling van dit voorstel om het verlenen van financiële diensten op de Nederlandse financiële markten via een vergunning te reguleren.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gecursiveerde passage een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het feit. Door de wetgever is bewust gekozen het verlenen van beleggingsdiensten vanuit Nederland niet langer te onderwerpen aan een vergunningsplicht. Het zonder vergunning aanbieden van beleggingsdiensten aan personen buiten Nederland is dientengevolge niet langer strafbaar. In de verbodsbepaling van het nieuwe artikel 2:96 Wft is dus een beperking aangebracht. Niet alleen is deze nieuwe bepaling in abstracto gunstiger, maar ook in concreto is dit het geval. Uit de verklaring van de beleggers volgt immers dat deze vrijwel allen, op één na (de Nederlandse belegger [belegger 10]), in het buitenland woonden.

Het hof zal gezien het bovenstaande bij de beoordeling van het onder 3 tenlastegelegde feit uitgaan van het bepaalde in artikel 2:96 Wft.

Medeplegen en opzet

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte als medepleger van het onder 3 tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte niet als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt nu hij niet op de hoogte is geweest van de gesprekken van de verkopers en de potentiële beleggers en voorts dat hij niet beter wist dan dat niet aan Nederlands ingezetenen werd verkocht.

Beoordeling

Uit de verklaring van de getuige [belegger 10] (dossierbijlage D/09) volgt dat ook in Nederland diensten zijn aangeboden. De getuige [belegger 10] woonde immers destijds in Hilversum.

Voorts volgt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij het plegen van dit feit. Immers, de verdachte heeft in samenspraak met WHN en de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de optieovereenkomsten opgesteld, het prospectus aangeboden aan de toenmalige STE (nu AFM), FFCA en HRS opgericht, de rekeningen geopend, de geldstromen beheerd en overleg gepleegd met de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] over de hoeveelheid aandelen die verkocht mochten worden door FFCA/HRS. Dat de verdachte meende dat het hier enkel zou gaan om een effectenuitgifte als bedoeld in artikel 3 Wte 1995 (oud) en niet om effectenbemiddeling, doet hieraan niet af. In het economische strafrecht geldt immers het kleurloze opzet: het opzet van de verdachte was gericht op de werkzaamheden die kwalificeren als effectenbemiddelingwerkzaamheden.

Dit betekent dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van effectenbemiddeling, zonder daarvoor de vereiste vergunning te hebben.

Subsidiair verzoek horen getuigen [STE medewerker 1] en [STE medewerker 2]

Ter terechtzitting in hoger beroep op 21 april 2010 heeft de raadsman subsidiair het verzoek gedaan de toenmalige behandelaars van de toen geheten STE te horen. De raadsman zou deze personen, [STE medewerker 1] en [STE medewerker 2] vragen willen stellen omtrent de informatie die destijds mondeling en schriftelijk door de verdachte met de STE is gedeeld.

Het hof begrijpt dit verzoek in die zin dat het verzoek is gedaan omdat de verklaringen van deze getuigen een bijdrage zouden kunnen leveren aan duidelijkheid omtrent de rol en betrokkenheid van de verdachte bij dit feit. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De betrokkenheid van de verdachte bij het plegen van dit feit is niet enkel gelegen in de contacten van de verdachte met de toezichthouders. Zoals hierboven (in het hoofdstuk: medeplegen en opzet van de verdachte met betrekking tot feit 3) reeds is uiteengezet strekte de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit zich uit tot diverse handelingen. Het contact met de STE maakte daarvan deel uit. Het hof beschouwt deze handelingen van de verdachte in haar geheel. Nu de betrokkenheid van de verdachte genoegzaam uit de bewijsmiddelen blijkt, wordt het verzoek bij gebrek aan noodzakelijkheid, afgewezen.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 mei 2000 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar in of vanuit Nederland diensten heeft aangeboden aan [belegger 4] en [belegger 5] en [belegger 6] en [belegger 7] en [belegger 8] en andere personen.

Hetgeen onder feit 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert - voor zover het betrekking heeft het diensten aanbieden aan personen vanuit Nederland - geen strafbaar feit op. Het gaat in dit verband om de beleggers [belegger 4], [belegger 5], [belegger 6], [belegger 7] en [belegger 8]. Het is immers gezien hetgeen hiervoor is besproken niet langer strafbaar om het tenlastegelegde feit vanuit Nederland te plegen. De verdachte dient derhalve in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde voor zover het is gepleegd in Nederland uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op – voor zover het betrekking heeft op het diensten aanbieden aan personen in Nederland –:

het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:96, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder feit 1, 2 primair, 3 en 5 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een geldboete van € 150.000,00.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en een geldboete van € 150.000,00.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft (subsidiair) betoogd dat met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel aan zijn cliënt dient te worden opgelegd. Hiertoe heeft de raadman aangevoerd dat het disproportioneel zou zijn om zijn cliënt op een wijze te straffen die substantieel afwijkt van wat de afdoening in de zaken [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (die niet verder zijn vervolgd) is geweest. Voorts heeft de raadsman daarbij gewezen op de lange duur van de strafzaak en het feit dat zijn cliënt niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Beoordeling

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Met de vergunningplicht voor het verlenen van beleggingsdiensten beoogt de wetgever de consument en de financiële markt te beschermen. De verdachte heeft zich tezamen met zijn mededaders niet aan deze vergunningsplicht gehouden door aan een in Nederland woonachtige persoon beleggingsdiensten aan te bieden. Hierdoor zijn de regels met betrekking tot het verlenen van beleggingsdiensten omzeild.

Het hof houdt rekening met het feit dat de verdachte, blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 april 2010, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Verder zal het hof rekening houden met een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM overweegt het hof als volgt. Op 23 mei 2000 is verdachte door de FIOD-ECD verhoord, waaruit de verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zou instellen. Bij vonnis van 12 april 2007 is de verdachte door de rechtbank te Amsterdam veroordeeld, tegen welk vonnis de verdachte op 25 april 2007 hoger beroep heeft doen instellen. Het dossier is op 8 juni 2007 ter griffie van het hof ingekomen en heden, op 4 mei 2010, zal het hof arrest wijzen.

Het hof is, gelet op de hierboven beschreven gang van zaken, van oordeel dat de berechting in eerste aanleg (bijna 7 jaar), in hoger beroep (meer dan 3 jaar) en in haar geheel (bijna 10 jaar) niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM. Een deel van deze termijnoverschrijding valt te verklaren door de omvang van het onderzoek en de complexiteit van de feiten. De termijnoverschrijding is echter van zodanige omvang dat niet met de enkele vaststelling daarvan kan worden volstaan.

Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmer¬king nemende, een onvoorwaardelijke geldboete van € 8.500,- hebben opgelegd. Gelet echter op het feit dat sprake is geweest van de hiervoor vastgestelde overschrij¬ding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, acht het hof een geldboete van € 8.000,- passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [belegger 1]

De benadeelde partij, als bedoeld in artikel 51a Sv, heeft zich overeenkomstig artikel 51b Sv in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Nu niet is gebleken dat de benadeelde partij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid Sv in hoger beroep (wederom) als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, kan haar vordering buiten beschouwing blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, en artikel 2:96 van de Wet op het financieel toezicht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart dat het onder feit 3 bewezen verklaarde - voor zover het betrekking heeft het diensten aanbieden aan personen vanuit Nederland - geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 8.000,00 (achtduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige, tevens economische, strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. Jurgens, mr. Haentjens en mr. Brilman, in tegenwoordigheid van mr. Bijleveld, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 mei 2010.

Mr. Haentjens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.