Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3026

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
200.026.927/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BH2081, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot overlegging van stukken. Vermoeden van aannemen steekpenningen. Werkgever had duidelijk moeten maken waarom werknemer geen rechtmatig belang zou hebben bij notulen, managementletters, en bijlagen bij onderzoeksrapport. Geen belang bij andere procesdossiers.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 843a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 843b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting [werkgever],

gevestigd te [plaats],

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.M. van Werkhoven-de Bruijn te Amsterdam,

t e g e n

[X],

wonend te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen worden hierna [werkgever] en [X] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

[Werkgever] is bij dagvaarding van 26 februari 2009 in hoger beroep gekomen van het tussen partijen onder rolnummer 379884/CV EXPL 08-4116 gewezen vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem (verder: de kantonrechter) van 7 januari 2009, tussen partijen gewezen in een tweetal incidenten, met dagvaarding van [X] voor dit hof.

[Werkgever] heeft bij memorie één grief aangevoerd, een productie overgelegd en geconcludeerd, voor zover relevant, dat het hof – kennelijk onder vernietiging van het bestreden vonnis – de vordering van [X] in het incident alsnog afwijst, met diens veroordeling - naar het hof begrijpt - in de kosten van de incidenten in beide instanties.

[X] heeft bij memorie van antwoord de grief bestreden en geconcludeerd, voor zover van belang, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [werkgever] in de kosten van het hoger beroep.

Partijen hebben schriftelijk gepleit, bij welke gelegenheid [werkgever] nog producties in het geding heeft gebracht.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2. De beoordeling in hoger beroep

2.1. [X] is van medio 1980 tot 1 juni 2000 in dienst geweest van [werkgever], laatstelijk als lid van de tweehoofdige Raad van Bestuur, niet zijnde statutair bestuurder.

2.2. Bij inleidende dagvaarding van 18 maart 2008 heeft [werkgever] tegen [X] een verklaring voor recht gevorderd (vordering A), inhoudend dat [X]:

“door het aannemen van gelden van kwestieuze derden en (rechtstreeks) van [S] ([S], directeur/enig aandeelhouder van [O] B.V., verder [O], de voormalige speelautomatenleverancier van [werkgever]; hof) jegens [werkgever] opzettelijk althans bewust roekeloos en daarmee in strijd met goed werknemerschap heeft gehandeld, dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen c.q. onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij daarvoor aansprakelijk is.”

(vordering A).

Daarnaast vorderde [werkgever] de betaling door [X] - als hoofdelijk schuldenaar met [O], [S] en, mogelijk, [H] (een andere hooggeplaatste werknemer van [werkgever]) – van de door [werkgever] geleden schade, nader op te maken bij staat in een nog te entameren schadestaatprocedure tussen [werkgever] enerzijds en [O] en [S] anderzijds (vordering B). Tevens vorderde [werkgever] de betaling door [X] van de bedragen waarmee hij – volgens haar - ongerechtvaardigd is verrijkt in de jaren 1993, 1994 en 1998, zijnde dit een totaalbedrag van € 41.798,= althans € 397.256, met rente (vordering C). Eveneens op grond van ongerechtvaardigde verrijking vorderde [werkgever] dat het [X] op straffe van de verbeurte van een dwangsom zou worden geboden alle afschriften met betrekking tot de door zijn echtgenote, [Y] (verder: [Y]), van 22 februari 1991 tot 20 januari 2004 onder nummer 314758-22 bij Banque Credit Suisse aangehouden bankrekening over te leggen (vordering D). Ten slotte eiste [werkgever] dat [X] zou worden verwezen in de proceskosten, die van de door haar gelegde beslagen daaronder begrepen, met wettelijke rente (vordering E).

2.3. Bij incidentele conclusie heeft [X] gevorderd dat [werkgever] op straffe van de verbeurte van een dwangsom zou worden bevolen afschriften van de navolgende stukken over te leggen:

“1. verslagen/notulen van de vergaderingen van de Raad van Commissarissen (van [werkgever]: hof) over de periode 1996-2000;

2. verslagen/notulen van de vergaderingen van het Management (bestuur, stafdirecteuren en vestigingsdirecteuren) over de periode 1996-2000;

3. verslagen/notulen van de vergaderingen van de directeuren (chefs/managers) speelautomaten over de periode 1996-2000;

4. managementletters van voormalig huisaccountant KPMG over de periode 1996-2000;

5. de financiële jaarverslagen Holland Casino over de periode 1996-2000;

6. de sociale jaarverslagen (van [werkgever]; hof) over de periode 1996-2000;

7. arbeidscontract [X] met bijlagen;

8. het (volledige) rapport van Ernst & Young Forensic Services (verder: Ernst & Young) van 29 februari 2000 met alle daarin genoemde bijlagen (betreffende A. Organisatiestructuur en functieomschrijvingen, B contracten, C Gespreksverslagen, D Kwantitatief, E Overige documenten);

9. het memorandum van KPMG in reactie op het rapport van Ernst & Young;

10. de volledige procesdossiers in de procedures [naam]/ [H] bij de kantonrechter te Haarlem met zaaknummer 133250 met het incidenteel appel bij de rechtbank Haarlem onder zaak/rolnummer 78102/HA ZA 01-1346, bij het gerechtshof te Amsterdam met het rolnummer 1956/03 en bij het gerechtshof Amsterdam met rolnummer 1845/06 (herroeping) tot in de hoogste instantie;

11. de volledige procesdossiers in de procedures [naam]/ [O]-[S] bij de rechtbank te Breda met zaak/rolnummer 85/HA ZA 00-1083 en bij het gerechtshof te Breda (bedoeld zal zijn: Den Bosch; hof), tot in de hoogste instantie met inbegrip van de schadestaat procedures (tot in de hoogste instantie) die als [X] het goed ziet nog dienen aan te vangen.”

[X] baseerde (en baseert) deze vordering op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en voor wat betreft de onder 1 tot en met 7 genoemde stukken subsidiair op art. 843b Rv. Om praktische redenen zal hierna telkens van stukken in plaats van afschriften of kopieën van stukken worden gesproken.

2.4. Bij haar antwoordconclusie in het incident heeft [werkgever] harerzijds incidenteel op straffe van de verbeurte van een dwangsom overlegging van de stukken gevorderd waarop haar hiervoor onder 2.2 genoemde vordering D betrekking heeft, dit op de voet van art. 843a Rv.

2.5. [X] heeft tegen de incidentele vordering van [werkgever] verweer gevoerd.

2.6. Bij inleidende dagvaarding van (eveneens) 18 maart 2008 heeft [werkgever] tegen [Y] voornoemd een verklaring voor recht gevorderd, inhoudend dat [Y]:

“door het aannemen van gelden van kwestieuze derden en (rechtstreeks) van [S] jegens [werkgever] onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij daarvoor aansprakelijk is.”

Daarnaast stelde [werkgever] ook tegen [Y] de onder 2.2, B tot en met E, weergegeven vorderingen in. Voor het overige kende de procedure in eerste aanleg tussen [werkgever] en [Y] (bekend onder rolnummer 389495 CV EXPL 08-7733) hetzelfde verloop als die tussen [werkgever] en [X], zoals onder 2.3 tot en met 2.5 vermeld. De in de zaak tussen [werkgever] en [Y] over en weer ingestelde incidentele vorderingen (en de grondslagen daarvan) zijn dan ook identiek aan die in de onderhavige zaak.

2.7. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de beide zaken gevoegd behandeld en daarbij de door [X], [werkgever] en [Y] ingestelde incidentele vorderingen aangemerkt als respectievelijk incident I, incident II en incident III. Hij wees de vorderingen in de incidenten I en III (behalve ten aanzien van de bijlage bij het arbeidscontract van [X] en het door [werkgever] reeds – zonder bijlagen - overgelegde rapport van Ernst & Young; vgl. 2.3, punten 7 en 8) op basis van art. 843a Rv toe en die in incident II af, verwees [werkgever] telkens in de proceskosten en bepaalde dat tussentijds hoger beroep is toegestaan. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8. Dit hoger beroep betreft de incidenten I en II, maar tot goed begrip merkt het hof op dat [werkgever] ook in de zaak tussen haar en [Y] hoger beroep heeft ingesteld. In die zaak, bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.026.925, wordt vandaag eveneens arrest gewezen.

2.9. Aangezien [werkgever] tegen het vonnis in incident II weliswaar heeft geappelleerd maar geen grieven heeft gericht, zal zij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.10. Anders dan [X] (memorie van antwoord, sub 13-15) is het hof van oordeel dat [werkgever] voldoende duidelijk heeft gemaakt wat haar bezwaren tegen het bestreden vonnis in incident I zijn. [werkgever] is derhalve in zoverre (wel) ontvankelijk in haar beroep.

2.11. [Werkgever] heeft geen bezwaar tegen het verstrekken van de onder 2.3, 5 tot en met 7, genoemde stukken, voor zover door de kantonrechter toewijsbaar geoordeeld. Het bestreden vonnis zal dan ook in ieder geval in zoverre in stand blijven.

2.12. Bij de verdere beoordeling stelt het hof voorop dat de grief van [werkgever] uitsluitend inhoudt dat [X] geen rechtmatig belang heeft bij (het verkrijgen van) de overige stukken. Omdat [werkgever] in het bijzonder niet opkomt tegen het (impliciete) oordeel van de kantonrechter dat het hier telkens gaat om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin [X] partij is (vgl. art. 843a lid 1 Rv), zal het hof er van uitgaan dat het om dergelijke stukken gaat.

2.13. Bij haar schriftelijke pleitnotities, sub 5, heeft [werkgever] aangekondigd haar eis in de hoofdzaak te zullen beperken tot de vorderingen C, D en E en aldus de grondslag van haar vorderingen materieel te zullen beperken tot de door haar gestelde ongerechtvaardigde verrijking van [X]. Het hof zal er bij de verdere beoordeling in het incident van uitgaan dat [werkgever] in de hoofdzaak haar eis overeenkomstig deze aankondiging zal wijzigen.

2.14. Wat er zij van i) haar beschouwingen dat het in dit geding alleen gaat om de vraag of [X] steekpenningen van [O] en/of [S] heeft ontvangen, ii) haar stellingen over het verweer dat [X] in dat verband zou moeten voeren en iii) haar stellingen over het belang dat [X] – als hij inderdaad dat verweer voert – bij die stukken heeft, [werkgever] heeft niet betwist dat [X] de stukken als vermeld onder 2.3, 1 tot en met 4, wenst te verkrijgen ter staving van zijn betwisting van het door [werkgever] in de hoofdzaak in het geding gebrachte rapport van Ernst & Young. Bovendien heeft [werkgever] in hoger beroep niet aangegeven zich in de hoofdzaak niet langer op dat rapport te zullen beroepen. Bij die stand van zaken had het op de weg van [werkgever] gelegen duidelijk te maken dat en waarom onjuist is het oordeel van de kantonrechter dat [X] met het oog op de staving van zijn betwisting van dat rapport rechtmatig belang (“recht en belang”) bij de zojuist genoemde stukken heeft en dat hij daarbij voldoende concreet heeft onderbouwd waarom deze documenten voor zijn verweer noodzakelijk zijn. Het feit dat [werkgever] heeft aangekondigd in de hoofdzaak haar vorderingen te zullen beperken tot die op de grondslag ongerechtvaardigde verrijking doet hieraan niet af, omdat uit niets blijkt dat [werkgever] het rapport van Ernst & Young uitsluitend ter staving van haar op de andere grondslagen gebaseerde vorderingen in het geding heeft gebracht. Integendeel, in de inleidende dagvaarding verwijst [werkgever] (meteen) in haar beschouwingen over de achtergrond van de zaak naar dit rapport en komt zij pas later over de vorderingen en de grondslagen daarvan te spreken. Bovendien beroept zij zich ook in het kader van de grondslag ongerechtvaardigde verrijking op het handelen van [O]/[S] en de medewerking van [X] daaraan (inleidende dagvaarding, sub 35). Het hof zou dan ook onaanvaardbaar op de beoordeling in de hoofdzaak vooruitlopen, indien het thans zou oordelen dat het rapport van Ernst & Young voor de beoordeling van de te handhaven vorderingen van [werkgever] in de hoofdzaak geen (enkele) betekenis kan hebben en dat [X] (dus) geen rechtmatig belang heeft bij stukken waarmee hij zijn betwisting van dat rapport mogelijk kan staven. Om dezelfde reden heeft [werkgever] evenmin voldoende duidelijk gemaakt dat en waarom [X] geen rechtmatig belang heeft bij de stukken als vermeld onder 2.3, 8 en 9, voor zover door de kantonrechter toegewezen. In het rapport van Ernst & Young wordt immers (vanzelfsprekend) naar de daarbij gevoegde bijlagen verwezen en [werkgever] heeft niet betwist dat in het memorandum van KPMG “een afgewogen tegenreactie” wordt gegeven op de in dat rapport opgetekende bevindingen van Ernst & Young.

2.15. Ten aanzien van al deze stukken geldt dat het oordeel van het hof niet anders wordt vanwege de door [werkgever] gestelde omstandigheden dat uitvoering van het bestreden vonnis “veel menskracht vergt” en het hier deels om (zeer) vertrouwelijke bescheiden gaat (memorie van grieven, sub 6 en sub 14). Het hof gaat er daarbij, wat dit laatste betreft, van uit dat [X] de stukken slechts zal benutten voor het doel waarvoor hij afschrift daarvan wenst.

2.16. Ook voor het overige heeft [werkgever] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien juist, leiden tot het oordeel dat een belangenafweging in haar voordeel uitvalt. In dit verband merkt het hof nog op dat, omdat [werkgever] nu eenmaal het rapport van Ernst & Young ter adstructie van haar stellingen in het geding heeft gebracht, [X] zich daartegen reeds nu, mede met betrekking tot de daarbij behorende bijlagen, moet kunnen verdedigen en niet behoeft af te wachten tot een andere procedure of totdat “een duidelijke bewijslast is geformuleerd” (memorie van grieven, sub 14, slot).

2.17. Ten aanzien van de onder 2.3, onder 10 en 11, genoemde stukken, te weten de volledige procesdossiers in de zaken van [werkgever] tegen [O]/[S] en tegen [H], komt het hof tot een ander oordeel. Immers, zowel uit zijn incidentele conclusie, sub 17-21, als uit zijn memorie van antwoord, sub 23-24, blijkt dat [X] over al deze stukken wenst te beschikken, omdat [werkgever], kort gezegd, haar schade als gevolg van het handelen van [O], [S] en [H] op hem wenst af te wentelen. Nergens echter heeft [X] gesteld dat hij die stukken (ook) met het oog op zijn verdediging tegen de op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vorderingen nodig heeft. Nu [werkgever] heeft aangekondigd haar vorderingen in de hoofdzaak te zullen verminderen tot die welke op deze grondslag zijn gebaseerd, valt (dan ook) niet in te zien welk rechtmatig belang [X] (nog) bij die stukken heeft.

2.18. De conclusie van al het voorgaande is dat het bestreden vonnis ten aanzien van incident I zal worden vernietigd, voor zover [werkgever] daarbij is bevolen de onder 2.3, onder 10 en 11 genoemde stukken aan [X] af te geven, en dat de desbetreffende vordering van [X] alsnog zal worden afgewezen. Het hof zal de kosten van het hoger beroep en die van incident I in eerste aanleg compenseren, omdat partijen in zoverre over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld. Ook ten aanzien van de kostenveroordeling zal het bestreden vonnis met betrekking tot incident I dus worden vernietigd. Voor al het overige zal dat vonnis worden bekrachtigd. De zaak zal ter verdere afdoening naar de kantonrechter worden verwezen.

2.19. Het hof ziet aanleiding te bepalen dat reeds nu beroep in cassatie tegen dit arrest kan worden ingesteld.

3. De beslissing

Het hof:

verklaart [werkgever] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep, voor zover dit betrekking heeft op incident II;

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover [werkgever] in incident I is bevolen aan [X] afschriften van de aldaar onder 10 en 11 genoemde volledige procesdossiers af te geven en voor zover [werkgever] in incident I in de proceskosten is verwezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, wijst de incidentele vordering van [X] in zoverre af en compenseert de proceskosten (in eerste aanleg) ten aanzien van incident I aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dit betrekking heeft op incident I, voor al het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verwijst de zaak naar de kantonrechter te Haarlem om op de hoofdzaak te worden beslist;

bepaalt dat tegen dit arrest tussentijds cassatieberoep openstaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.W. Hoekzema en A.M. Hol, en is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2010 door de rolraadsheer.