Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1711

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
23-002516-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BI2875, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BR1149, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BR1149
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

15 JAAR GEVANGENISSTRAF VOOR ‘GEKWALIFICEERDE’ DOODSLAG 85-JARIGE VROUW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002516-09

datum uitspraak: 20 april 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-525419-07 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats],

zonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 18 december 2008, 3 maart 2009 en 21 april 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 april 2009 op vordering van de officier van justitie en de op de terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijzigingen tenlastelegging, dat:

"1. Primair:

hij op of omstreeks 07 december 2007 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (meermalen) met een plastic tas (van de dekamarkt) met daarin een (metalen) waterpomptang en/of een (metalen)(blok van een) beugelslot en/of een doos(je) met een dopsleutelset, althans met een plastic tas met daarin een of meer (zware) voorwerpen, (telkens) tegen en/of op het hoofd en/of tegen en/of in het gelaat geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

dan wel

dat hij op of omstreeks 07 december 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) met een plastic tas (van de dekamarkt) met daarin een (metalen) waterpomptang en/of een (metalen) (blok van een beugelslot) en of een doos(je) met een dopsleutelset, althans met een plastic tas met daarin een of meer (zware) voorwerpen, (telkens) tegen en/of op het hoofd en/of tegen en/of in het gelaat geslagen tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de diefstal van de ABN-AMRO bankpas ten behoeve van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1. Subsidiair:

dat hij op of omstreeks 07 december 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) met een plastic tas (van de dekamarkt) met daarin een (metalen) waterpomptang en/of een (metalen) (blok van een beugelslot) en of een doos(je) met een dopsleutelset, althans met een plastic tas met daarin een of meer (zware) voorwerpen, (telkens) tegen en/of op het hoofd en/of tegen en/of in het gelaat geslagen tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 06 en/of 07 december 2007 te Amsterdam (meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ABN-AMRO bankpas ten behoeve van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 07 december 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening in/uit een pinautomaat van de ABN-AMRO bank weg te nemen een/of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zich daarbij de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en/of de/het weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen, door middel van een valse sleutel, (meermalen) een (gestolen) ABN-AMRO bankpas,ten behoeve van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], in die pinautomaat heeft ingevoerd;

3.

hij op of omstreeks 30 november 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee ringen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte."

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De advocaat-generaal heeft gesteld dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten raad na kalm en rustig overleg [slachtoffer] heeft gedood. Aannemend dat de eerste geweldshandeling door de verdachte in de keuken na de betrapping op heterdaad een paniekreactie is geweest, heeft de verdachte er bewust voor gekozen om het slachtoffer na die eerste klap in de keuken nog meerdere keren in de slaapkamer op/ tegen het hoofd en/of in het gezicht/ gelaat te slaan. Dat de tijd tussen de geweldshandeling in de keuken en die in de slaapkamer vermoedelijk zeer kort is geweest staat volgens de advocaat-generaal niet in de weg aan een bewezen verklaring van moord.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat, mocht het hof moord niet bewezen verklaren, wel wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd onder 1 primair, te weten gekwalificeerde doodslag.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 25 februari 2008, opgemaakt door arts en patholoog dr. A. Maes, en uit het verhoor van deze deskundige bij de rechter-commissaris op 23 september 2008 blijkt dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van meermalen zeer heftig botsend geweld op het hoofd waarop 7 of 8 letsels (twee letsels lagen dicht bij elkaar) zijn geconstateerd met breuken van de aangezichtsschedel (breuk van de neus en directe omgeving) en het rechterslaapbeen, onderhuidse bloeduitstortingen met zwellingen (rondom de ogen en de neus) en letsels in de mondholte. Voorts waren er letsels aan beide handen opgelopen door botsend geweld (mogelijk afweerletsel) en waren er onderhuidse bloeduitstortingen op de beide schouders en aan de borst linksboven. De letsels passen niet bij vallen of stoten. Dr. Maes sluit vallen of stoten als doodsoorzaak uit.

In het deskundigenrapport van het NFI van 19 maart 2008 en op 30 september 2008 bij de rechter-commissaris concludeert forensisch geneeskundige dr. B.F.L. Oude Grotebevelsborg dat het niet mogelijk is de letsels van het slachtoffer te herleiden tot een of meerdere specifieke voorwerpen, maar dat uitsluitend kan worden gesteld dat de letsels op het hoofd zeer waarschijnlijk zijn opgeleverd door hevig botsend geweld met een of meerdere stompe of kantige voorwerpen. Voorts concludeert dr. Oude Grotebevelsborg dat een plastic zak met daarin een waterpomptang en de onderkant van een beugelslot voor een brommer tot deze groep voorwerpen kunnen behoren.

Het rapport van 21 februari 2008 van het NFI betreffende bloedbeeldonderzoek en analyse in de woning van [slachtoffer], uitgevoerd door onder andere inspecteur van politie en bloedbeeldanalist P. Eversdijk (blz 854 e.v. in het dossier), houdt onder meer - kort en zakelijk weergegeven- de volgende bevindingen en conclusies in.

Het eerste verlies van bloed is mogelijk gebeurd in de keuken. Het op de vloer aanwezige bloedbeeld is passend bij het beeld van het verlies van bloed van een lopend persoon. Uit de plaats van de verwondingen en de richting van de bloedstromen op gezicht en hals volgt dat het slachtoffer bloed verloor waarbij haar hoofd in vertikale positie was. De bloedsporen op de bovenachterzijde van het shirt van het slachtoffer passen bij verlies van bloed uit een hoofdwond terwijl het slachtoffer zich in staande positie bevindt. De bloedsporen op de bovenvoorzijde van het shirt passen eveneens bij verlies van bloed uit een hoofdwond terwijl het slachtoffer zich in staande positie bevindt, waarbij wordt opgemerkt dat uit een bloedstroom ter hoogte van de rechterborst kan worden afgeleid dat het bovenlichaam zich in vertikale positie bevond met het gezicht van het slachtoffer naar boven gekeerd.

In en op de rail van de schuifdeur tussen keuken en slaapkamer zijn contactsporen aangetroffen die passen bij de afdruk van een bebloede vinger. Dit gegeven alsmede de distributie van de met bebloede vingers geplaatste contactsporen op de slaapkamer/hal deur, de passieve bloedspatten op de onderzijde van de voorzijde van de mouwen van het shirt en de veegsporen op de onderzijde van de achterzijde van het shirt passen bij een slachtoffer dat zich -gewond- laag, kruipend op handen en voeten voortbeweegt.

Op de kopse kant van de scheidingsmuur tussen de keuken en de slaapkamer (hof: ter hoogte van de schuifdeur) wordt een contactspoor aangetroffen op een hoogte van 55 cm dat verklaard kan worden door contact met bebloed haar. Links naast en onder dit contactspoor worden een groot aantal bloedspatten aangetroffen die zijn ontstaan door het uitoefenen van minimaal een krachtsinwerking in vloeibaar bloed, te weten de kracht van het contact tussen het bebloede haar/hoofd en de kopse kant van de scheidingsmuur.

Op de buitenmuur in de slaapkamer in de hoek met de scheidingsmuur naar de keuken, achter het bed, worden contact- en veegsporen en bloedspatten aangetroffen en bloedspatten op het gordijn en onder de vensterbank. Deze zijn ontstaan door het uitoefenen van minimaal twee krachtsinwerkingen op ongeveer 37 cm hoogte en 37cm uit de scheidingsmuur met de keuken in vloeibaar bloed, waarbij het slaan in bloed waarschijnlijker is dan een ander mechanisme of handeling.

In zijn verklaringen bij de rechter-commissaris op 23 september 2008 en 12 november 2008 stelt Eversdijk voornoemd -kort en zakelijk weergegeven- dat de eerste, vermoedelijk behoorlijk forse, hoofdwond van [slachtoffer] in de keuken is veroorzaakt, terwijl zij zich in een verticale positie bevond. [slachtoffer] zou vervolgens op handen en voeten naar de slaapkamer zijn gekropen (al dan niet deels over het hoofdeind van haar bed). Haar sterk bebloede hoofd zou met kracht met een slaapkamermuur in contact zijn gekomen. Bij de rechterhoek van het bed gezeten in kruipende positie zou zij vervolgens minimaal twee keer op/ tegen het hoofd/ gezicht/gelaat zijn geslagen.

De verdachte heeft op 12 januari 2008 -zakelijk weergegeven- bekend op 7 december 2007 [slachtoffer] in haar woning in Amsterdam van het leven te hebben beroofd. Hij verklaart dat [slachtoffer] hem in de keuken betrapte met haar bankpas in zijn hand en dat zij hierop begon te gillen. Uit paniek door de betrapping, meer specifiek omdat zij begon te gillen en hij dat wilde laten ophouden, sloeg hij haar in de keuken met een plastic tas met daarin zware voorwerpen op haar hoofd. Omdat zij bleef gillen sloeg hij haar in de keuken, meer richting de slaapkamer nog meermalen met kracht op haar hoofd. Hij zag dat zij in de aangrenzende slaapkamer hevig bloedend uit haar hoofd tegen de muur onder het raam viel. Hij zag dat het slachtoffer op haar zij met haar rug tegen de muur lag. Voorts zag hij dat zij daar nog bewoog en ademde. Vervolgens verliet hij de woning en gooide hij de plastic tas met zware voorwerpen in een ondergrondse vuilcontainer. Thuis verkleedde hij zich en vervolgens probeerde hij tweemaal met de gestolen bankpas van het slachtoffer bij een geldautomaat geld op te nemen.

Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard het slachtoffer ook in de slaapkamer nog een of twee keren te hebben geslagen.

De verdachte heeft ten tijde van de reconstructie, zoals blijkt uit het ter terechtzitting in hoger beroep afgespeelde gedeelte van de video daarvan, en ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het slachtoffer enkel in de keuken ter hoogte van de schuifdeuren naar de slaapkamer op het hoofd heeft geslagen waarna zij in de slaapkamer achter het bed is neergevallen met haar hoofd in de hoek en met haar rug tegen het bed. Pas daar heeft hij bloed gezien. Het hof stelt vast dat deze latere verklaringen, met name ten aanzien van de plaatsen waar hij het slachtoffer heeft geslagen, verschillen van de aanvankelijke en niet overeenkomen met de bevindingen van de deskundigen. Het hof acht deze latere verklaringen op die onderdelen ongeloofwaardig. Het hof heeft de verdachte de tegenstrijdigheden voorgehouden en in de gelegenheid gesteld daarover opheldering te verschaffen, maar de verdachte heeft ervoor gekozen zich op zijn zwijgrecht te beroepen.

Het hof stelt vast dat de vijfde, door de verdachte op 12 januari 2008 op eigen verzoek afgelegde verklaring alsmede de verklaring bij de rechter-commissaris met betrekking tot de plaatsen waar en het aantal keren dat het slachtoffer is geslagen grotendeels aansluiten bij de bevindingen van bovengenoemde deskundigen. Ten aanzien van deze onderdelen ziet het hof dan ook -anders dan de verdediging- geen reden te twijfelen aan de juistheid daarvan, zodat niets de geloofwaardigheid hiervan als bewijsmiddel in de weg staat.

Het hof neemt verder in aanmerking dat vaststaat dat na het overlijden en voor de aanvang van het politieonderzoek een aantal personen in de woning is geweest, maar ziet geen aanleiding te veronderstellen dat de feitelijke situatie daardoor dermate is gewijzigd dat dit invloed heeft gehad op de bevindingen en conclusies van het bloedsporenonderzoek en de daarop gebaseerde analyse. Het hof baseert zijn overige bevindingen dan ook op de door Eversdijk omschreven gang van zaken.

Het hof gaat er aldus van uit dat de verdachte het slachtoffer ook in de slaapkamer tweemaal in het gelaat of op het hoofd heeft geslagen.

De voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is nodig dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

De verdachte heeft gesteld dat hij naar de woning van de verdachte is toegegaan om de lekkende kraan te repareren en daartoe een waterpomptang bij zich had. Ook een doppensleutelset - die de verdachte in zijn eerste verklaringen niet noemt - zou daarbij mogelijk een functie vervullen en het blokgedeelte van een beugelslot had hij bij zich teneinde dat weg te gooien omdat het kapot was.

Hoewel uit onderzoek niet is komen vast te staan dat de kraan inderdaad is gerepareerd of dat daarbij een waterpomptang is gebruikt, terwijl een doppenset voor dergelijk werk geen functie heeft en de verdachte via een winkel op weg van huis naar de woning van het slachtoffer ruim gelegenheid had het slot weg te gooien, is het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte met het vooropgezet plan om [slachtoffer] te doden naar haar woning is gegaan.

Het hof acht aannemelijk dat de verdachte met de bankpas van het slachtoffer in zijn hand door haar in de keuken is betrapt en dat hij haar vervolgens in de keuken en de slaapkamer meermalen met een tas met zware voorwerpen op haar hoofd heeft geslagen. Het hof kan niet uitsluiten dat de eerste geweldshandeling in de keuken is voortgekomen uit paniek door de betrapping op heterdaad. Evenmin kan het hof uitsluiten dat de daaropvolgende klappen op het hoofd en/ of op en in het gezicht van het slachtoffer eveneens vanuit die gestelde paniek zijn voortgekomen. Hoewel uit het proces-verbaal van bevindingen bloedbeeldonderzoek en analyse, zoals hierboven is weergegeven, blijkt dat het slachtoffer in weerloze, reeds verwonde toestand zich, naar het zich laat aanzien kruipend in veiligheid heeft willen brengen in de hoek van de slaapkamer achter het bed - waar zich ook een telefoon bevond- en dat zij in die hoek in die toestand nog tenminste twee keer is geslagen, zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om te bepalen hoeveel tijd er tussen de verschillende slagen heeft gezeten en of die tijdspanne lang genoeg was voor de verdachte om weloverwogen te besluiten door te gaan met slaan en zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen daarvan. Het enkele feit dat de verdachte in latere verklaringen is gaan ontkennen het slachtoffer in de slaapkamer te hebben geslagen, kan daartoe niet als bewijs dienen. Naar het oordeel van het hof kan moord derhalve niet bewezen worden verklaard en moet de verdachte van dat onderdeel van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten overvloede merkt het hof op dat het ook niet mogelijk is gebleken om vast te stellen of de letsels van het slachtoffer (achtereenvolgens) door verschillende specifieke voorwerpen zijn toegebracht zodat ook daarin niet een aanknopingspunt voor een hernieuwd wilsbesluit kan worden gevonden.

De gekwalificeerde doodslag

Ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag is geen verweer gevoerd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het met een plastic tas met zware voorwerpen meermalen krachtig op het hoofd en in het gezicht slaan van een 85-jarige vrouw maakt dat reeds de uiterlijke verschijningsvorm niet anders is uit te leggen dan gericht op de dood van het slachtoffer.

Door de verdediging is betwist dat sprake is van gekwalificeerde doodslag nu de verdachte niet het daarvoor vereiste oogmerk had.

Het hof oordeelt anders. De verdachte, die naar hij zelf verklaart, financiele problemen had door zijn gokactiviteiten, wordt door het slachtoffer op heterdaad betrapt met haar bankpas in zijn hand. In reactie daarop heeft de verdachte, zoals hiervoor beschreven, doodslag gepleegd.

De verdachte heeft verklaard dat hij de bankpas van [slachtoffer] reeds op 6 december 2007 in haar woning heeft gestolen, dat hij daarvan berouw had gekregen en dat hij die pas op 7 december 2007 heeft willen terugleggen. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde beelden van de reconstructie door de rechtbank en het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de verdachte die bankpas na binnenkomst in de woning in zijn jaszak in de hal achtergelaten en is hij die pas vanuit de keuken gaan halen terwijl [slachtoffer] telefoneerde. Hij liep langs de telefonerende [slachtoffer]-van [slachtoffer] terug naar de keuken, langs de tafel, en toen zij klaar was met het gesprek en de keuken in kwam ging zij voor hem langs naar de kast in de keuken. Zij liep tussen hem en de keukentafel door. Achter haar langs heeft hij de pas willen wegleggen in een bakje dat op de keukentafel stond, hetgeen door haar werd gezien. Het hof acht deze verklaring- behoudens dat hij werd betrapt - niet geloofwaardig. Het hof weegt bij dat oordeel mee dat de verdachte niet heeft kunnen verklaren waarom hij kennelijk geen berouw heeft gekregen van kort daarvoor weggenomen ringen van het slachtoffer en dat hij evenmin heeft kunnen uitleggen waarom hij die bankpas - als hij hem wilde terugleggen - dan in zijn jaszak in de hal had achtergelaten en niet bij zich had gestoken om deze op een geschikt moment te kunnen terugleggen, noch waarom hij naar de keukentafel toelopend, zich niet onmiddellijk van die pas had ontdaan maar eerst voorbij de tafel is gelopen. Wat er ook zij van de verklaring van de verdachte, in elk geval heeft hij, naar hij zelf verklaart, deze bankpas op 7 december 2007 meegenomen en hij heeft daarmee later op de dag gepoogd te pinnen. Naar het oordeel van het hof kan derhalve diefstal van de bankpas door de verdachte op 7 december 2007 worden bewezen verklaard.

Vervolgens is de verdachte met de gestolen pas en met kennis van de -naar hij meende juiste- code kort nadien gaan pinnen. Het hof kan hieraan geen andere conclusie verbinden dan dat de verdachte met de doodslag de ontdekking op heterdaad van de diefstal heeft willen verhullen en profijt heeft willen trekken van de gestolen bankpas. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij op 7 december 2007 voornemens was de daags daarvoor gestolen bankpas terug te leggen.

Met de advocaat-generaal is naar het oordeel van het hof op grond van het vorenoverwogene wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, ten aanzien van gekwalificeerde doodslag, is ten laste gelegd.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, voor zover dit betrekking heeft op de gekwalificeerde doodslag, en onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

hij op 7 december 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een plastic tas met daarin zware voorwerpen tegen en/of op het hoofd en in het gelaat geslagen tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de diefstal van de ABN-AMRO bankpas ten behoeve van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

hij op 7 december 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening uit een pinautomaat van de ABN-AMRO bank weg te nemen een of meer geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer] en de/het weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel meermalen een gestolen ABN-AMRO bankpas, ten behoeve van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], in die pinautomaat heeft ingevoerd.

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

hij op 30 november 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee ringen toebehorende aan [slachtoffer].

Hetgeen onder 1 primair alternatief en onder 1 primair, voor zover dit betrekking heeft op de gekwalificeerde doodslag, en onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op de brieven van 31 juli 2008 en 1 augustus 2008 en het rapport van 5 december 2008 van de Forensisch Psychiatrische Dienst. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand en gedurende zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum zijn medewerking aan het PBC-onderzoek met het oog op zijn procespositie heeft geweigerd, zodat het niet valt vast te stellen of er bij betrokkene, in het bijzonder ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten, sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Gedurende het onderzoek in het Pieter Baan Centrum zijn - zakelijk weergegeven - geen evidente aanwijzingen gevonden voor het bestaan van psychiatrische problematiek en evenmin zijn er veel aanwijzingen gevonden voor persoonlijkheidsproblematiek, behoudens het voorkomen van antisociaal gedrag gerelateerde aan - periodiek voorkomende - gokproblematiek. Gelet hierop stelt het hof vast dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair, voor zover dit zag op de ten laste gelegde doodslag, de onder 1 alternatief/ cumulatief ten laste gelegde diefstal en het onder 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Tegen voormeld vonnis is door het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van moord, diefstal meermalen gepleegd en poging tot gekwalificeerde diefstal gevorderd en dat de verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen .

De verdachte heeft een 85 jarige weerloze vrouw een vreselijke dood laten sterven. Zij is op gruwelijke wijze op klaarlichte dag door de verdachte, met wie zij op vriendschappelijke voet omging, in wie zij vertrouwen had en met wie zij net een kopje koffie had gedronken, doodgeslagen in haar eigen woning, waar zij zich bij uitstek veilig mocht voelen. De verdachte heeft haar meermalen, ook terwijl zij aan hem trachtte te ontkomen, op haar hoofd en in haar gezicht geslagen. De verdachte wist dat zij nog leefde op het moment dat hij de woning verliet, en moet zich gezien de toegebrachte slagen, hebben gerealiseerd dat zij ernstig, mogelijk levensbedreigend, gewond was. Desondanks heeft de verdachte haar de noodzakelijke hulp onthouden en de deur achter zich dicht getrokken zonder zich verder om het slachtoffer te bekommeren. Evenmin heeft hij - al ware het maar anoniem - op andere wijze voor medische hulp gezorgd. Daardoor heeft het slachtoffer mogelijk nog uren moeten lijden in de wetenschap dat zij, alleen, lag dood te gaan. De verdachte heeft op schaamteloze wijze inbreuk gemaakt op het vertrouwen van het slachtoffer en haar leven welbewust uit zelfzucht opgeofferd. De verdachte handelde daarbij uitsluitend om in zijn gokschulden te kunnen voorzien.

Het slachtoffer stond ondanks enig lichamelijk ongemak zeer actief in het leven. Uit het dossier en uit hetgeen ter terechtzitting van dit hof door een van haar vrienden naar voren is gebracht blijkt overtuigend van de leegte die zij achterlaat, het verdriet en het onbegrip over haar gruwelijke dood dat zij voelen en de grote invloed die dit feit nog steeds op hun leven heeft.

Hoewel de verdachte volhoudt in paniek te hebben gehandeld, is hij met de van het slachtoffer gestolen bankpas nog diezelfde middag in koelen bloede gaan pinnen. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Dat het hem niet is gelukt de rekening van het slachtoffer te plunderen, is louter te danken aan het toevallige feit dat hij zich niet de juiste pincode had verschaft.

De verdachte heeft zich niet als dader bij de politie gemeld. Toen hij als getuige werd benaderd op 27 december 2007 en op 2 januari 2008 als getuige werd gehoord, heeft hij onwetendheid en geschoktheid geveinsd. Hij heeft zijn ontmaskering afgewacht. Na zijn aanhouding heeft hij eerst ontkend iets met haar dood te maken te hebben gehad en pas op 12 januari 2008 een bekennende verklaring afgelegd. Dat maakt het moeilijk te geloven dat hetgeen de verdachte op 7 december het slachtoffer heeft aangedaan, hem werkelijk diep heeft geschokt en dat hij zijn handelen oprecht betreurt.

Vele onschuldige anderen uit de kring van het slachtoffer en in het complex waar zij woonde zijn hierdoor betrokken geraakt bij een strafrechtelijk onderzoek waar zij ongetwijfeld liever buiten waren gebleven.

Ook staat het onder 1 primair bewezen verklaarde feit niet op zichzelf. Voorafgaand aan de gebeurtenissen op 7 december 2007 heeft de verdachte op 30 november 2007 twee ringen van het slachtoffer gestolen in de hoop met de opbrengst daarvan gokschulden te kunnen voldoen. De verdachte is na deze diefstal nog meermalen bij het slachtoffer in haar woning geweest. Die gelegenheden heeft hij niet aangegrepen om deze diefstal te bekennen en uit te leggen; hij heeft bewust ervoor gekozen zijn handelen te verzwijgen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiele Documentatie van 26 maart 2010 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Door te handelen als hij heeft gedaan heeft de verdachte zich niet alleen schuldig gemaakt aan vermogensdelicten, maar vooral aan een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft het een ieder toekomende recht op leven uit zelfzucht geschonden. Een dergelijk misdrijf draagt een voor de rechtsorde bijzonder schokkend karakter en veroorzaakt sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Voor gekwalificeerde doodslag, als bewezen onder 1 primair, heeft de wetgever bewust gekozen voor een hoger strafmaximum dan op doodslag is gesteld. Het strafmaximum voor een dergelijk strafbaar feit komt in duur overeen met dat van moord, te weten levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren.

Het hof vindt in hetgeen hierboven is uiteengezet reden tot oplegging van een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 288, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, voor zover dit ziet op de tenlastegelegde moord heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, voor zover dit betrekking heeft op de gekwalificeerde doodslag, en het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Kortenhorst, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. M.E.A. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. R. van Leusden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 april 2010.

Mr. M.E.A. Wildenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.