Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1231

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
200.031.455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde, art. 3:61 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2010/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.031.455

(zaaknummer / rolnummer rechtbank 231862 / HA ZA 07-1090)

arrest van de eerste civiele kamer van 6 april 2010

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant] Workforce Management Solutions B.V., voorheen geheten RendeM B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bureau [appellant sub 2] voor Beheer en Kostenbewaking B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. A.J. de Gier,

tegen:

de besloten vennootschap

Postkantoren B.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.E. Eelkman Rooda.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 26 september 2007, 28 mei 2008 en 14 januari 2009 die de rechtbank Utrecht tussen appellanten (hierna ook afzonderlijk te noemen: Rendem en Bureau [appellant sub 2] en gezamenlijk te noemen: [appellant] c.s.) als eiseressen en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Postkantoren) als gedaagde heeft gewezen; van dat vonnis/die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] c.s. hebben bij exploot van 11 april 2009 Postkantoren aangezegd van voornoemd vonnis van 14 januari 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Postkantoren voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellant] c.s. zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en hebben zij bewijs aangeboden. [appellant] c.s. hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, hun vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Postkantoren in de kosten van beide instanties en bepaling dat Postkantoren aan [appellant] c.s. dient te voldoen het bedrag van

€ 11.732,-, zoals [appellant] c.s. dat ter uitvoering van het vonnis van 14 januari 2009 aan Postkantoren hebben voldaan, laatstgenoemd bedrag te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 maart 2009.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Postkantoren verweer gevoerd, bewijs aangeboden en een productie in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, [appellant] c.s. in haar grieven niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze ongegrond zal achten en het bestreden vonnis, zo nodig onder aanvulling of verbetering van gronden, zal bekrachtigen.

2.4 Ter zitting van 4 maart 2010 hebben partijen de zaak door hun advocaten doen bepleiten. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Na afloop van het pleidooi heeft Postkantoren de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. [appellant] c.s. hebben meegedeeld dat het hof arrest kan wijzen op de aan het hof ten behoeve van het pleidooi overgelegde kopiestukken. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13 vastgestelde feiten. [appellant] c.s. klagen er in hun grieven over dat die feitenvaststelling selectief is. Het hof zal daar, voorzover van belang, bij de beoordeling van de grieven op ingaan. De juistheid van de vaststellingen van de rechtbank op zichzelf wordt door de grieven niet bestreden.

4. De ontvankelijkheid van [appellant] c.s. in hoger beroep

4.1 Postkantoren heeft zich er bij wege van exceptief verweer op beroepen dat [appellant] c.s. niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep omdat de appeldagvaarding nietig is. Daartoe heeft zij erop gewezen dat de appeldagvaarding ten onrechte is uitgebracht aan de niet bestaande naamloze vennootschap Postkantoren N.V.

4.2 Bij pleidooi hebben [appellant] c.s. aangevoerd dat deze onjuiste partij-aanduiding in de appeldagvaarding een vergissing betreft waardoor Postkantoren niet in haar belangen is geschaad en die ook geen kans op verwarring heeft geschapen nu ‘Postkantoren N.V.’ niet bestaat. Het hof begrijpt dat [appellant] c.s. deze onjuiste partij-aanduiding wil rectificeren en merkt op dat zij daarvan al blijk hadden gegeven door in hun memorie van grieven Postkantoren (B.V.) als geïntimeerde te noemen.

4.3 Gelet op het feit dat de appeldagvaarding op het juiste adres (het adres van Postkantoren) is betekend, Postkantoren van dat exploit – waarin overigens duidelijk hoger beroep is aangezegd van het tussen partijen door de rechtbank Utrecht gewezen vonnis van 14 januari 2009 – heeft kennis genomen en Postkantoren N.V. niet een bestaande rechtspersoon betreft, was het voor Postkantoren kenbaar dat van een vergissing sprake was. Nu Postkantoren heeft erkend dat zij door rectificatie van de onjuiste partij-aanduiding niet in haar verdediging is geschaad (anders dan dat daardoor het voor haar gunstige vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan), anderszins evenmin is gebleken dat Postkantoren door de rectificatie is benadeeld, en deze tijdig heeft plaatsgevonden, kan de rectificatie worden geaccepteerd. In de kop van dit arrest heeft het hof de gerectificeerde partijnaam reeds opgenomen. Het voorgaande betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat [appellant] c.s. tijdig en op de juiste wijze Postkantoren in hoger beroep hebben gedagvaard, zodat zij kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep tegen het bestreden vonnis van 14 januari 2009.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 In de inleidende dagvaarding hebben [appellant] c.s. – samengevat weergegeven – gevorderd voor recht te verklaren dat Postkantoren gehouden is de door haar op 31 januari 2006 met Rendem gesloten overeenkomst na te leven en Postkantoren te veroordelen om aan Rendem in hoofdsom vijf keer de jaartermijn van € 329.965,58 (in totaal € 1.649.827,90) te voldoen. Deze vordering is in het bestreden vonnis afgewezen. De rechtbank oordeelde dat – zo er al een afnameovereenkomst tussen Rendem en [A] (destijds als commercieel/operationeel directeur van Postkantoren de gesprekspartner van [appellant] c.s.) tot stand is gekomen – Postkantoren daaraan niet is gebonden. Ook de (meer en uiterst) subsidiaire grondslagen van de vorderingen – onrechtmatig handelen door [A] als ondergeschikte van Postkantoren, onrechtmatig handelen van de andere twee directeuren van Postkantoren ([B] en [C]) en onrechtmatig handelen door het afbreken van de onderhandelingen, konden naar het oordeel van de rechtbank niet tot toewijzing van de vordering leiden.

5.2 Met hun grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, leggen [appellant] c.s. het gehele geschil ter beoordeling aan het hof voor.

5.3 Bij de beoordeling van de vorderingen van [appellant] c.s. zijn de volgende (deels onder de vaststaande feiten in het bestreden vonnis weergegeven) omstandigheden van belang.

Vanaf begin 2004 is er door [appellant sub 2] (destijds bevoegd vertegenwoordiger van Rendem en van Bureau [appellant sub 2], hierna te noemen: [appellant]) en [A] gesproken over afname door Postkantoren van het softwarepakket R&R, een personeelsplanningpakket. In de eerste helft van 2004 heeft [appellant] in opdracht van Postkantoren een “vooronderzoek R&R” verricht teneinde de mogelijkheden, technische eisen en knelpunten te inventariseren met betrekking tot een eventuele implementatie van het R&R systeem binnen Postkantoren. Nadat was gebleken dat er geen technische belemmeringen waren voor een succesvolle implementatie van R&R binnen Postkantoren is medio juli 2004 besloten een pilot te starten en is een projectorganisatie met een projectleiding (genaamd “Board”) in het leven geroepen met [A] als voorzitter. Uiteindelijk zijn pilots uitgevoerd in de clusters Amsterdam Zuidoost, Capelle en Gouda. In 2005 en 2006 heeft [appellant] in opdracht van Postkantoren werkzaamheden verricht die nodig waren om het standaardpakket R&R toe te spitsen op Postkantoren (ook wel “inrichting van het pakket” genoemd). Deze werkzaamheden zijn verricht op basis van nacalculatie. De daarmee gemoeide kosten zijn volledig door Postkantoren betaald. Op 31 januari 2006 heeft Rendem een brief aan Postkantoren gestuurd waarin een aanbod is neergelegd voor de afname van 70 systemen voor de grotere vestigingen van Postkantoren voor een looptijd van vijf jaar ad in totaal € 1.001.000,-, en van 145 systemen voor de overige filialen voor een looptijd van vijf jaar ad in totaal € 385.410,-. Dit voorstel is door [A] voor akkoord getekend. Na de, in de zomer van 2006 uitgevoerde pilot in Gouda, heeft Postkantoren bij brief van 4 oktober 2006 aan Bureau [appellant sub 2] laten weten het project te beëindigen.

5.4 Het hof zal eerst ingaan op de vraag of Postkantoren gebonden is aan afspraken welke [A] gemaakt zou hebben met [appellant] c.s.

In dit verband is van belang dat [A], op grond van de bij het handelsregister gedeponeerde procuratieregeling van Postkantoren, Postkantoren slechts zelfstandig kon vertegenwoordigen tot het doen van inkopen tot een bedrag van € 226.900,-. Daarboven waren slechts twee gezamenlijk handelende directeuren bevoegd Postkantoren te vertegenwoordigen, en boven een bedrag van € 453.800,- (zoals in het onderhavige geval) was bovendien goedkeuring vooraf van de Raad van Commissarissen vereist, tenzij in de uitgave was voorzien in de begroting, het beleidsplan of meerjarenplan.

5.5 [appellant] c.s. stellen zich primair op het standpunt dat de overige twee directeuren, [B] en [C], [A] gemandateerd hebben een overeenkomst betreffende afname van het softwarepakket R&R met [appellant] c.s. aan te gaan, waardoor [A], ongeacht de inhoud van de procuratieregeling, Postkantoren rechtstreeks kon binden. Subsidiair beroepen [appellant] c.s. zich erop dat zij mochten vertrouwen op de gewekte schijn van volmachtverlening (artikel 3:61 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW).

5.6 Postkantoren heeft beide grondslagen voor gebondenheid door hen aan door [A] gemaakte afspraken betwist. Ten verwere tegen de stelling dat sprake is van schijn van volmachtverlening heeft Postkantoren aangevoerd dat zij zelf die schijn nooit heeft gewekt. Slechts [A] heeft eventueel vertrouwen opgewekt, doch dat is onvoldoende om [appellant] te beschermen tegen een ontoereikende volmacht.

5.7 Niet (voldoende gemotiveerd) betwist is dat [appellant] c.s. hebben aangenomen dat aan [A] een toereikende volmacht was verleend. Het gaat in casu slechts om de vraag of zij dat ook redelijkerwijs mochten aannemen en of Postkantoren op de (door haar gestelde) onjuistheid van deze veronderstelling een beroep mag doen.

Het hof merkt dienaangaande op dat voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ook plaats kan zijn ingeval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (HR 19 februari 2010, LJN: BK7671).

5.8 Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval sprake van een dergelijk voor risico van Postkantoren komend gerechtvaardigd vertrouwen van toereikende volmachtverlening aan de zijde van [appellant] c.s. Het hof baseert dat oordeel op de navolgende feiten en omstandigheden.

Allereerst geldt dat Postkantoren onweersproken heeft gelaten dat [A] – die op dat moment één van de statutaire directeuren van Postkantoren was – aan [appellant] heeft gezegd dat zijn mandaat voldoende was om over het contract met betrekking tot de licenties te beslissen en de overeenkomst namens Postkantoren met Rendem aan te gaan (zoals [appellant] c.s. hebben gesteld, onder meer onder nr. 15 van memorie van grieven, en [A] ter voortgezette comparitie in eerste aanleg van 17 maart 2008 onder 2 heeft verklaard). Als onweersproken staat voorts vast dat [A] aan [appellant] tevens heeft gezegd dat (de voortgang van) het project R&R bij bijna elke directievergadering aan de orde kwam. Dat de voortgang regelmatig besproken werd in het directieoverleg is ook beaamd door Postkantoren (punt 46 van de conclusie van antwoord). Vast staat dat [appellant] en [A] – met medeweten van de twee overige directeuren – binnen het kader van een projectgroep al zo’n twee jaar bezig waren met voorwerk om R&R binnen Postkantoren te implementeren en dat daarvoor door [A] diverse voorwerkopdrachten zijn gegeven, waarvoor door Postkantoren substantiële bedragen aan Rendem zijn betaald. Voorts is in dit kader nog van belang dat [appellant] c.s., naar zij onbetwist hebben gesteld, ook in het verleden al zaken hadden gedaan met Postkantoren, waarbij de afspraken telkens (uitsluitend) met [A] waren gemaakt en door Postkantoren werden uitgevoerd. Mede gelet op voormelde omstandigheden en achtergronden, oordeelt het hof dat de uitdrukkelijke mededeling van de met het project belaste statutair directeur van Postkantoren dat hij namens Postkantoren de overeenkomst ter zake de R&R-licenties kon aangaan, maakt dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, die daaruit kan worden afgeleid, voor risico van Postkantoren komt. Dat [appellant] c.s. uit onderzoek in het handelsregister had kunnen opmaken dat [A] zijn procuraat overschreed maakt dat, gelet op voornoemde omstandigheden, niet anders en kan in ieder geval niet leiden tot vermindering tot nihil van de eventuele schadevergoedingsplicht op de voet van artikel 6:101 BW.

Het hof merkt in dit verband nog op dat uit de stellingen van Postkantoren (punt 29 van de conclusie van antwoord) valt af te leiden dat het ook in de visie van Postkantoren op de weg van [A] had gelegen om [appellant] c.s., bij totstandbrenging van een overeenkomst, te wijzen op zijn onbevoegdheid. Dat Postkantoren noch bij monde van [A], noch anderszins hieromtrent iets aan de Vries c.s. heeft medegedeeld versterkt het oordeel dat de onjuiste opvatting over [A]’ onbevoegdheid die bij [appellant] is gewekt, voor risico van Postkantoren komt.

5.9 De vraag of [B] en [C] [A] gemandateerd hebben een overeenkomst betreffende afname van het softwarepakket R&R met [appellant] c.s. aan te gaan, kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.

5.10 Daarmee komt het hof toe aan de vraag of tussen Postkantoren en Rendem een overeenkomst tot stand is gekomen. In de visie van Rendem betreft de door [A] ondertekende brief van 31 januari 2006 een overeenkomst op hoofdlijnen, die enkel op ondergeschikte punten nog nader moest worden uitgewerkt. Postkantoren heeft dat betwist en heeft daartoe gesteld dat de brief van 31 januari 2006 slechts een prijsvoorstel behelst en geen voldoende specifiek aanbod voor afname van licenties R&R. Zij wijst daarbij op de formulering in die brief, onder meer inhoudende “Het bovengenoemde prijsvoorstel is in samenhang met het geheel. Indien het uitgangspunt van 70 vestigingen wijzigt dan wijzigt ook het kortingspercentage”. Volgens Postkantoren dienden eerst de resultaten van de pilot in Gouda te worden afgewacht voordat er een definitieve beslissing zou worden genomen, en hielden partijen er rekening mee dat meer of minder licenties zouden kunnen worden aangeschaft. Postkantoren heeft ook nog het verweer gevoerd dat niet duidelijk is geworden met wie zij zou hebben gecontracteerd.

5.11 Met dat laatste verweer beginnend, overweegt het hof dat [appellant] c.s. hebben gesteld dat R&R aanvankelijk door [appellant] namens Rendem en Bureau [appellant sub 2] is aangeboden aan Postkantoren, maar dat uiteindelijk de afspraken uitsluitend zijn gemaakt door Rendem. De brief van 31 januari 2006 is ook gestuurd door Rendem. Uit de ter voortgezette comparitie in eerste aanleg afgelegde verklaring van [A] blijkt dat het hem om het even was of het contract uiteindelijk gesloten zou worden met Rendem of met Bureau [appellant sub 2]. Voorts valt uit die verklaring af te leiden dat hij kennelijk van mening is dat de overeenkomst uiteindelijk met Rendem is gesloten. Nu uit de stellingen van Postkantoren en de door haar overgelegde stukken niet blijkt dat zij (overigens) bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat in het begin niet duidelijk was namens welke rechtspersoon [appellant] optrad en dat, blijkens de toezending van het prijsvoorstel van 31 januari 2006, op enig moment kennelijk voor Rendem als contractspartij is gekozen, dient het ervoor gehouden te worden dat een overeenkomst, voor zover tot stand gekomen, is gesloten met Rendem. In dat verband merkt het hof nog op dat Postkantoren in deze procedure ook niet heeft gesteld dat Rendem destijds of thans niet acceptabel is als wederpartij in de zijdens [appellant] c.s. gestelde overeenkomst.

5.12 Het hof overweegt dat het antwoord op de vraag of ten aanzien van een overeenkomst, bij de totstandkoming waarvan een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent een of meer onderdelen een overeenkomst doet ontstaan zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat, afhankelijk is van de bedoeling van partijen zoals deze op grond van de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval moet worden aangenomen.

5.13 Op grond van de inhoud van de brief van 31 januari 2006, in samenhang bezien met de door [A] ter comparitie in eerste aanleg afgelegde verklaring over de bedoeling van die brief – te weten het bekrachtigen van de afspraak tot implementatie door Rendem van 70 systemen en 145 sub-systemen en het gedurende vijf jaar afnemen van licenties, voor een prijs als aangegeven in die brief –, welke verklaring overeenstemt met de stellingen van [appellant] c.s. over de bedoeling van die brief, oordeelt het hof dat genoegzaam is komen vast te staan dat Rendem en Postkantoren op hoofdlijnen tot overeenstemming zijn gekomen met betrekking tot voornoemde implementatie- en licentieafspraak. Uit voornoemde verklaringen van de onderhandelaars van beide partijen, [appellant] en [A], valt af te leiden dat de voor akkoord getekende brief van 31 januari 2006 de weerslag vormde van de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst. De afspraken moesten volgens hen alleen nog in een contract vervat worden. Over de essentiële punten, te weten het aantal af te nemen licenties, de prijs daarvan en de duur van de overeenkomst, was overeenstemming bereikt; slechts over ondergeschikte punten moesten nog nadere afspraken worden gemaakt. Gelet op de duidelijke en gelijkluidende uitlatingen van Rendem en [A] over de bedoeling van de brief van 31 januari 2006 en de inhoud van de overeenkomst, kan aan het feit dat in die brief ruimte wordt gelaten voor wijziging van het aantal vestigingen waarvoor een R&R-licentie wordt afgenomen en uit de aanhef ‘prijsvoorstel’, geen andersluidende conclusie worden verbonden.

Postkantoren heeft aangevoerd dat de heer [A] wist dat Postkantoren in januari 2006 nog geen besluit had genomen over de aanschaf van R&R (punt 28 van de conclusie van antwoord), doch zij heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld, noch is anderszins gebleken, dat dit ook aan Rendem is bekendgemaakt.

5.14 Wel heeft Postkantoren gemotiveerd gesteld dat de overeenkomst slechts onder voorbehoud van (positieve resultaten van) de pilot in Gouda was gesloten. Volgens haar was Rendem ook bekend met dat voorbehoud. [appellant] c.s. hebben de stelling dat een dergelijk voorbehoud was gemaakt gemotiveerd betwist; volgens hen was de pilot enkel bedoeld om te beoordelen wanneer de implementatie zou kunnen plaatsvinden. Nu de zich in het dossier bevindende stukken onvoldoende bewijs opleveren voor de stelling dat de overeenkomst is gesloten onder voorbehoud van het welslagen van de pilot en de bewijslast van dit bevrijdend verweer op Postkantoren rust, zal het hof Postkantoren (overeenkomstig haar aanbod) in de gelegenheid stellen die afspraak te bewijzen. Postkantoren zal gelijktijdig in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat zij, gelet op de – door haar gestelde en door [appellant] c.s. betwiste – teleurstellende resultaten van de pilot redelijkerwijs een beroep op dat voorbehoud kon doen en aldus het project kon beëindigen.

5.15 Het hof verwacht van Rendem dat zij, voor het geval Postkantoren niet zal slagen in voormelde bewijsopdrachten, inzichtelijk maakt welke schade zij heeft geleden doordat Postkantoren de overeenkomst niet is nagekomen. Daarvoor dient zij onderscheid te maken tussen gederfde omzet en gederfde winst. Rendem zal na afloop van de getuigenverhoren in de gelegenheid worden gesteld dit bij akte te doen, waarop Postkantoren bij antwoord-akte zal mogen reageren.

5.16 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat Postkantoren toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat

- de overeenkomst op hoofdlijnen, zoals vervat in de brief van Rendem van 31 januari 2006, slechts onder voorbehoud van het welslagen van de pilot in Gouda was gesloten, en dat

- zij op grond van teleurstellende resultaten van die pilot redelijkerwijs een beroep op dat voorbehoud kon doen en aldus het project kon beëindigen;

bepaalt dat, indien Postkantoren dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat Postkantoren het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 4 mei 2010, (waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat Postkantoren overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk vier dagen voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, C.G. ter Veer en V. van den Brink en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2010.