Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0733

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
200.040.564
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot conservatoir derdenbeslag ten laste van vermogensbeheerder onder een tiental banken, afgewezen. Systeemrisico: van het financiële stelsel maken ook beleggingsinstellingen deel uit. Door toezicht DNB geen reëel risico van onverhaalbaarheid.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 212a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 700
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2010/80
JE 2010, 465
JE 2010, 197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

1. [APPELLANT],

wonende te [B],

2. [APPELLANTE],

wonende te [B],

3. de stichting

STICHTING FAMILIEFONDS HET HEIDEHUISJE,

gevestigd te [B],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté, te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUREFFECT ASSET MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. W. de Jong, te Amsterdam.

1. Het verloop van het geding

1.1 Appellanten worden hierna afzonderlijk [appellant], [appellante] en Het Heidehuisje genoemd en gezamenlijk [appellant] c.s. Verweerster wordt Eureffect genoemd.

1.2 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 augustus 2009, hebben [appellant] c.s. hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van 19 mei 2009 van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam, onder nummer 423912/ KG RK 09-1336 gewezen tussen [appellant] c.s. als verzoekers en Eureffect als verweerster.

1.3 [Appellant] c.s. hebben bij beroepschrift zes grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht en het hof verzocht, kort samengevat, de genoemde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, aan [appellant] c.s. verlof te verlenen tot het doen leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Eureffect terzake van hun vorderingen, te begroten op € 640.000,-- inclusief rente en kosten, kosten rechtens.

1.4 Eureffect heeft bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 oktober 2009, verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, alsook tot opheffing van het door [appellant] c.s. ten laste van Eureffect gelegde conservatoir beslag op roerende zaken.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van 12 januari 2010. Bij die gelegenheid hebben [appellant] c.s. hun standpunt doen toelichten door mr. Sinninghe Damsté, voornoemd, en mr. Y.M. van Beek, advocaat te Amsterdam. Namens Eureffect hebben mr. De Jong, voornoemd, en mr. P. Koorn, advocaat te Amsterdam het woord gevoerd. Zij hebben daarbij gebruikt gemaakt van aan het hof overgelegde aantekeningen.

1.6 Tijdens de mondelinge behandeling heeft Eureffect haar verzoek tot opheffing van het conservatoir beslag op roerende zaken ingetrokken, zodat het hof hierover geen oordeel behoeft te geven. Tevens heeft Eureffect het hof verzocht [appellant] c.s. te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

1.7 Ten slotte is de behandeling van de zaak gesloten en uitspraak bepaald.

2. De beoordeling

2.1 Bij de beoordeling van het hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1 Eureffect is een beleggingsonderneming die onder meer optreedt als vermogensbeheerder. Tussen partijen is een overeenkomst tot vermogensbeheer gesloten op grond waarvan [appellant] c.s. een bedrag van € 2.000.000,-- aan Eureffect in beheer hebben gegeven: voor 10% van dit bedrag, zijnde € 200.000,--, zou Eureffect participaties aankopen in het door haar beheerde beleggingsfonds Spirit AIM, van de overige 90% zou Eureffect een effectenportefeuille samenstellen.

2.1.2 [Appellant] c.s. stellen vorderingen tot vergoeding van schade te hebben op Eureffect omdat, kort samengevat, Eureffect jegens [appellant] c.s. tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de beheersovereenkomst en in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht dan wel een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot de risico’s verbonden aan een belegging in Spirit AIM.

2.1.3 Eureffect betwist de grondslag van de gestelde vorderingen en de omvang van de gestelde schade.

2.1.4 In het kader van het onderhavige verzoek hebben [appellant] c.s. hun vorderingen in eerste aanleg begroot op € 730.000,-- en begroten zij deze in hoger beroep op € 640.000,--.

2.1.5 Na Eureffect op de voet van artikel 700 lid 4 Rv. te hebben gehoord, heeft de voorzieningenrechter in de bestreden beschikking het gevraagde verlof geweigerd. De weigering van het verlof berust op afweging door de voorzieningenrechter van het belang van [appellant] c.s. bij het beoogde beslag tegenover het belang van Eureffect bij het vermijden van ongerechtvaardigde beschadiging van het vertrouwen in haar instelling, mede gelet op de mogelijke uitstraling daarvan op andere financiële instellingen. Tevens heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het maar zeer de vraag is of de vorderingen van [appellant] c.s. in een bodemprocedure kans van slagen hebben.

2.2 De grieven I, II III en IV van [appellant] c.s. zijn gericht tegen de uitkomst van de genoemde belangenafweging en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De grieven V en VI bestrijden de overweging van de voorzieningenrechter met betrekking tot de kans van slagen van de vorderingen in een bodemprocedure.

2.3 Kort gezegd strekt het in hoger beroep verzochte verlof er toe conservatoir derdenbeslag te leggen ten laste van Eureffect onder een tiental banken.

2.4 Het hof overweegt dienaangaande aldus.

De voorzieningenrechter heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat, ook indien summierlijk is gebleken van de deugdelijkheid van de vorderingen van [appellant] c.s., de beslissing op het verzoek afhankelijk is van een afweging van de overige betrokken belangen, zoals de mate waarin het beslag bezwaarlijk is voor Eureffect als beslagene. Meer in het bijzonder is met artikel 700 lid 4 Rv. beoogd te voorkomen dat een beslag op de tegoeden van een instelling als bedoeld in artikel 212a onder a Faillissementswet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de goede werking van het betalings- en effectenverkeer en de stabiliteit van het financiële stelsel. Tegen deze achtergrond overweegt het hof het volgende over de betrokken belangen.

2.5 [Appellant] c.s. hebben aangevoerd en tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht dat Eureffect geen bank is maar een beleggingsinstelling met een afgescheiden vermogen via een beleggersgiro. Daarom doet volgens [appellant] c.s. het zogenaamde systeemrisico – in de visie van [appellant] c.s. het risico dat conservatoir beslag op tegoeden van een financiële instelling ertoe leidt dat deze haar verplichtingen tegenover een andere financiële instelling niet kan nakomen – zich niet voor.

2.6 Met Eureffect is het hof van oordeel dat [appellant] c.s. een te beperkte uitleg geven aan het begrip systeemrisico. Artikel 700 lid 4 Rv beschermt zowel een goede werking van het betalings- en effectenverkeer als ook de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel. Van dit financiële stelsel maken niet alleen banken maar ook beleggingsinstellingen deel uit. Evenals de banken staat Eureffect onder toezicht van De Nederlandsche Bank. Daarom kan, net als bij een bank, beslaglegging op de tegoeden van Eureffect leiden tot een gebrek aan vertrouwen bij haar cliënten en bij andere financiële instellingen, hetgeen uiteindelijk gevolgen kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel. Het enkele feit dat Eureffect de gelden voor haar cliënten bewaart via een beleggersgiro en dus haar vermogen heeft afgescheiden van dat van haar cliënten, maakt dit niet anders. [Appellant] stelt zich op het standpunt dat Eureffect niet vergelijkbaar is met een bank. Dat standpunt is door Eureffect gemotiveerd bestreden, waartoe zij als verweer heeft aangevoerd dat het via een beleggersgiro bewaren van gelden voor cliënten een vorm van dienstverlening is die vergelijkbaar is met die van een bank. Het hof deelt dit verweer.

2.7 [Appellant] c.s. hebben, ter adstructie van hun belang bij verlening van het gevraagde verlof, aangevoerd dat, wetende dat het beoogde beslag geen voorrang schept en hen geen zekerheid biedt voor het geval Eureffect insolvent zou worden, dit risico (dat iedere beslaglegger in zijn algemeenheid loopt) hen niet kan worden tegengeworpen. [Appellant] c.s. wijzen er op dat er diverse andere beleggers zijn die procedures tegen Eureffect aanhangig hebben gemaakt dan wel aan het voorbereiden zijn, hetgeen naar hun oordeel temeer reden zou moeten zijn om verlof tot beslaglegging te verlenen.

2.8 Een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard toe om te waarborgen dat, indien een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn. Zoals ook de voorzieningenrechter in de bestreden beschikking heeft overwogen en [appellant] c.s. erkennen, schept het beoogde beslag geen voorrang binnen de kring van schuldeisers waartoe [appellant] c.s. behoren en biedt evenmin zekerheid voor het geval dat Eureffect te zijner tijd insolvent zou blijken. In zoverre hebben [appellant] c.s. geen belang bij het door hen beoogde beslag.

2.9 Verlof tot leggen van conservatoir beslag is niet bedoeld als drukmiddel om een vorm van zekerheid te verkrijgen waarmee de paritas creditorum van art. 3:277 lid 1 BW wordt doorbroken. [Appellant] c.s. kunnen jegens Eureffect geen aanspraak maken op een zodanige vorm van zekerheid. Voorzover [appellant] c.s. beogen het gevraagde verlof te gebruiken ter verkrijging van een vorm van zekerheid die aan hen een sterkere positie geeft dan andere concurrente schuldeisers van Eureffect, komt daarom aan dat belang geen gewicht toe. Gelet op het bovenstaande behoeft de – onvoldoende toegelichte - stelling van [appellant] c.s. dat er meerdere procedures tegen Eureffect lopen, geen bespreking meer.

2.10 Ten slotte hebben [appellant] c.s. aangevoerd dat ondanks het door Eureffect wettelijk aan te houden vermogen, Eureffect onvoldoende waarborgen biedt om de verhaalsmogelijkheden van [appellant] c.s. veilig te stellen althans dat [appellant] c.s. daar onvoldoende inzicht in hebben. Evenmin heeft Eureffect, aldus [appellant] c.s., inzichtelijk gemaakt of haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering dekking biedt voor het geval de aanspraak van [appellant] c.s. succesvol is. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Gelet op eisen ten aanzien van solvabiliteit en liquiditeit waaraan Eureffect dient te voldoen en waarop De Nederlandsche Bank toezicht houdt, is onaannemelijk dat, indien [appellant] c.s. te zijner tijd zullen beschikken over een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, Eureffect zal nalaten daaraan te voldoen, tenzij Eureffect alsdan insolvent zou zijn, in welk geval het door [appellant] c.s. beoogde beslag hoe dan ook geen soelaas biedt. Het toezicht door de Nederlandsche Bank brengt mee dat geen reëel risico bestaat dat Eureffect haar vermogensbestanddelen aan verhaal zal onttrekken (waaraan niet afdoet dat voor het verkrijgen van verlof tot leggen van conservatoir derdenbeslag niet vereist is dat gebleken is van gegronde vrees voor verduistering). Het door [appellant] c.s. gestelde belang bij het gevraagde verlof met het oog op eenvoudig en snel verhaal van hun vordering, is daarom slechts van beperkte betekenis.

2.11 Tegenover dit beperkte belang van [appellant] c.s. bij het gevraagde verlof, staat dat ernstig rekening gehouden moet worden met verstrekkende gevolgen indien het gevraagde verlof wordt verleend. Eureffect heeft deze risico's in voldoende mate geadstrueerd, in het bijzonder door te wijzen op de huidige kwetsbaarheid van het financiële stelsel. [Appellant] c.s. hebben een en ander niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat weliswaar niet aannemelijk is geworden dat de aan Eureffect toevertrouwde vermogens van zodanige importantie zijn dat een beslag op haar tegoeden het financiële systeem in Nederland aan het wankelen zal brengen, maar dat anderzijds wel aannemelijk is dat een beslag er toe zal kunnen leiden dat Eureffect haar beheerverplichtingen ten opzichte van haar huidige cliënten niet langer op dezelfde wijze zal kunnen voortzetten en dat dit, gelet op de huidige situatie in de financiële markten en de kwetsbaarheid van het vertrouwen in financiële instellingen, tot maatschappelijke onrust kan leiden en dat in die situatie een toewijzing van het onderhavige verzoek een risico voor schade aan meer financiële instellingen dan alleen Eureffect met zich brengt. De belangen die zijn gediend met het vermijden van dit risico wegen aanzienlijk zwaarder dan het beperkte belang van [appellant] c.s. bij het gevraagde verlof.

Gelet op het bovenstaande werpt hetgeen [appellant] c.s. hebben aangevoerd met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Eureffect geen ander licht op de zaak zodat het hof daarop niet nader behoeft in te gaan.

2.12 Het betoog van [appellant] c.s. tijdens de mondelinge behandeling dat Eureffect het in haar macht heeft om de dreigende schadelijke gevolgen van het beslag te voorkomen door, ter voorkoming of opheffing van het beslag, voldoende zekerheid te stellen ten behoeve van [appellant] c.s., doet niet af aan de uitkomst van de hierboven onder 2.10 weergegeven belangenafweging. Hierboven onder 2.9 kwam al aan de orde dat (dreigen met) beslaglegging een oneigenlijk middel is om een vorm van zekerheid te verkrijgen waarop [appellant] c.s. rechtens geen aanspraak hebben. Aan dat uitgangspunt zou op onaanvaardbare wijze afbreuk worden gedaan indien Eureffect, ter voorkoming van de dreigende schade verbonden aan beslaglegging, gehouden zou zijn om aan [appellant] c.s. een vorm van zekerheid te bieden die aan hen niet toekomt. Het argument van [appellant] c.s. dat Eureffect door het stellen van zekerheid de dreigende schade kan voorkomen, doet daarom niet af aan het gewicht van de belangen die zich tegen het verlenen van verlof verzetten. In dit verband merkt het hof nog op dat het mogelijke risico verbonden aan het verlenen van verlof zich ook kan manifesteren indien een beslissing tot het verlenen van verlof niet gevolgd wordt door daadwerkelijke beslaglegging. In zoverre miskennen [appellant] c.s. dat Eureffect de dreigende schadelijke gevolgen van het verlenen van verlof niet (geheel) in eigen hand heeft.

2.13 Uit het voorgaande volgt dat de grieven I, II, III en IV falen en dat reeds daarom de voorzieningenrechter als uitkomst van de belangenafweging het gevraagde verlof terecht heeft geweigerd. Bij de behandeling van de grieven V en VI hebben [appellant] c.s. mitsdien geen belang.

2.14 De stelling van [appellant] c.s. dat het prospectus van Spirit AIM van 24 mei 2007 heeft te gelden als misleidende reclame, is onvoldoende uitgewerkt om als grief te kwalificeren, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan.

2.15 Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en [appellant] c.s. veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

3. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 19 mei 2009 met nummer 423912/ KG RK 09-1336;

veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Eureffect begroot op € 313,00 aan verschotten en € 1.788,00 aan salaris.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, J.C. Toorman en E.M. Polak en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 februari 2010.