Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0594

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
R 1296-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Kolbakzaak. Hoger beroep beschikking 591a Sv. Afspraak tussen het openbaar ministerie en de verdachte dat geen verzoek tot schadevergoeding zal worden ingediend indien het openbaar ministerie het appel zal intrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Rekestnummer: R 1296-09 / (591a Sv HB)

Parketnummer in eerste aanleg: 15-750009-04

BESCHIKKING

op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank te Haarlem van 19 maart 2009 op het verzoekschrift krachtens artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

woonplaats kiezende te [plaats].

Advocaat: mr. R.A. van der Horst te Amsterdam.

Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas voor de kosten van de advocaat wegens het indienen en in raadkamer toelichten van het verzoekschrift op de voet van de artikelen 89 en 591a Sv, ingediend terzake van de strafzaak met voormeld parketnummer.

Procesverloop

De rechtbank heeft de verzoeker niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De rechtbank heeft hiertoe - kort gezegd - overwogen dat de verzoeker met het openbaar ministerie een overeenkomst heeft gesloten, inhoudende dat van de zijde van de verzoeker geen verzoek tot schadevergoeding op de voet van de artikelen 89 en 591a Sv zal worden ingediend indien het openbaar ministerie het hoger beroep in de strafzaak tegen de verzoeker zal intrekken en dat deze overeenkomst aan de ontvankelijkheid van de verzoeker in het door hem ingediende verzoek in de weg staat.

Het hoger beroep is ingesteld namens de verzoeker.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 5 januari 2010 de advocaat-generaal en de advocaat van de verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De verzoeker -hoewel behoorlijk opgeroepen- is niet verschenen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

De verzoeker heeft van 30 januari 2006 tot en met 5 januari 2007, met een onderbreking van 1 - 6 september 2006, verzekering en voorlopige hechtenis ondergaan.

De verzoeker is bij vonnis van 21 december 2007 door de rechtbank Haarlem vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Het openbaar ministerie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Voordat het gerechtshof een aanvang had gemaakt met de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep is er contact geweest tussen de advocaat-generaal en de advocaat van de verzoeker. De advocaat van de verzoeker heeft de advocaat-generaal naar aanleiding hiervan een brief gezonden, gedateerd 28 juli 2008, inhoudende, voor zover hier van belang:

“Vorige week hebben wij telefonisch contact gehad over het wel of niet doorzetten van het hoger beroep dat door het openbaar ministerie is ingesteld in de strafzaken tegen mijn cliënten [naam] en [verzoeker] (onderzoek Kolbak). U deelde mij mede dat het openbaar ministerie bereid is het hoger beroep in beide zaken in te trekken, indien mijn cliënten afzien van het indienen van verzoeken tot schadevergoeding ex artikelen 89 en 591a Sv. Ook deelde u mij mede dat ingeval het hoger beroep zal worden doorgezet, een wijziging van de tenlastelegging zal worden gevorderd, bestaande in een uitbreiding met een subsidiaire valsheid in geschrift. Na overleg met mijn cliënten kan ik u namens hen berichten dat zij met uw voorstel akkoord gaan. Zij zullen geen verzoeken tot schadevergoeding ex artikelen 89 en 591a Sv indienen, indien het hoger beroep in hun zaken wordt ingetrokken”.

Het hoger beroep is vervolgens op 30 juli 2008 door het openbaar ministerie ingetrokken.

Het hof oordeelt als volgt.

Het oordeel van de rechtbank dat geen regel van geschreven of ongeschreven recht eraan in de weg staat dat door het openbaar ministerie en de verdachte in een strafzaak een afspraak wordt gemaakt als hiervoor omschreven, zolang het openbaar ministerie bij het tot stand komen van een dergelijke afspraak de beginselen van een behoorlijke procesorde in acht neemt, is juist. Met de rechtbank stelt het hof vast dat de contacten van het openbaar ministerie bij het tot stand komen van de onderhavige afspraak steeds met de advocaat van de verzoeker hebben plaatsgevonden en dat de advocaat het voorstel van het openbaar ministerie heeft kunnen bespreken met de verzoeker en hem heeft kunnen adviseren. Van enige ontoelaatbare druk of dwang van de zijde van het openbaar ministerie dan wel enige andere schending van de behoorlijke procesorde is het hof niet gebleken. Het staat het openbaar ministerie derhalve vrij zich in de onderhavige verzoekschriftprocedure op deze afspraak te beroepen.

Uit een dergelijke afspraak vloeit echter, anders dan de rechtbank oordeelde, voor de verzoeker geen zodanige gebondenheid voort dat deze aan het indienen van een vergoedingsverzoek als het onderhavige in de weg staat. Wel zal een dergelijke afspraak tussen het openbaar ministerie en de verzoeker in de regel zwaar wegen bij de beoordeling of er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van de verzochte vergoeding.

De onderhavige afspraak staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het verzoek en ook van andere omstandigheden die daaraan in de weg staan, is niet gebleken.

De advocaat heeft aangevoerd, zakelijk samengevat, dat de verzoeker in eerste aanleg “zuiver” is vrijgesproken en dat de voortduring van de voorlopige hechtenis niet aan de opstelling of het handelen van de verzoeker (bedoeld is blijkbaar: tijdens de voorlopige hechtenis) is te wijten. Wat daarvan zij, die omstandigheden wegen hoe dan ook geenszins op tegen de omstandigheid van het bestaan van de onderhavige afspraak. Alle omstandigheden in aanmerking genomen ziet het hof onvoldoende gronden van billijkheid voor toekenning van de verzochte vergoeding, geheel of ten dele.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de zaak terug zal wijzen naar de rechtbank, indien het hof het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid niet deelt. Het hof wijst deze vordering af nu de omstandigheid waarop de vordering berust, daartoe niet toereikend is. Blijkens het voorgaande zou de rechtbank immers bij hernieuwde beoordeling slechts tot afwijzing van het verzochte kunnen komen.

Derhalve moet worden beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Wijst het verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Chorus, Dun en Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. Laatsch als griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 1 april 2010.