Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0370

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
R 1521-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Kolbakzaak. Verzoek verzochte vergoeding 591a grotendeels afgewezen. Uitgebreide motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2010, 45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Rekestnummer: R 1521-09 / (591a Sv)

Parketnummer in hoger beroep: 23-000298-08

BESCHIKKING

op het op 16 oktober 2009 ter griffie van dit hof ingekomen

verzoekschrift ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

woonplaats kiezende te [plaats].

Advocaat: mr. J.I.M.G. Jahae, advocaat te Amsterdam

Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas terzake van de kosten die de verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer, alsmede ten behoeve van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoekschrift en de gelijktijdig ingediende verzoekschriften op de voet van artikel 89 en 591 Sv, welke kosten in het verzoekschrift, in de schriftelijke reactie van de advocaat van 1 februari 2010 en bij de pleitnota van de advocaat van 3 maart 2010 als volgt zijn gespecificeerd - zakelijk weergegeven -:

a. € 136.850,-, zijnde kosten in verband met rechtsbijstand, verleend ten behoeve van de strafzaak door de advocaten van de verzoeker, welke kosten als volgt zijn opgesplitst:

- € 107.100,-, kosten 1e aanleg (facturen Kuijpers & Van der Biezen),

- € 29.750,-, kosten hoger beroep (facturen Jahae Advocaten),

b. € 55.143,65, zijnde overige kosten die de verzoeker stelt te hebben gemaakt ten behoeve van rechtsbijstand, welke kosten als volgt zijn opgesplitst:

- € 6.997,95 (in voornoemde schriftelijke reactie verlaagd van € 7.241,15 naar € 6.997,95), kosten Admiraal & Hoes accountants,

- € 20.070,- (in voornoemde schriftelijke reactie verlaagd van € 23.883,- naar € 20.070,-), kosten Van der Mark & Partners Belastingadviseurs BV,

- € 1.727,50 (in voornoemde schriftelijke reactie verlaagd van € 2.055,73 naar € 1.727,50), kosten Kalff Katz & Koedooder advocaten,

- € 1.348,20 (in voornoemde schriftelijke reactie verlaagd van € 1.604,36 naar € 1.348,20), kosten Bos & Partners advocaten,

- € 25.000,-, kosten mr. A.A. Franken (inzake advies en rapport deskundigen),

c. € 249,95 (1305 km x € 0.19), zijnde reiskosten die de verzoeker ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de strafzaak heeft gemaakt,

d. € 36.746,95, zijnde de kosten van juridische bijstand in verband met een BIBOB-procedure, welke kosten als volgt zijn opgesplitst:

- € 356,25 (in voornoemde schriftelijke reactie verlaagd van € 423,94,- naar € 356,25), kosten mr. M.T.M. Koedooder,

- € 25.959,40 (in voornoemde schriftelijke reactie verhoogd van € 23.806,26 naar € 25.959,40), kosten mr. J.E. van Rossem,

- € 10.431,30 (aanvankelijk € 5.926,20; bij voornoemde pleitnota zijn aanvullende nota’s, van 2 februari 2010 ten bedrage van € 995,89 respectievelijk van 2 maart 2010 ten bedrage van € 3.509,21, in de procedure gebracht), kosten mr. Jahae,

e. de wettelijke rente over alle door de verzoeker gemaakte kosten,

f. € 32.715,81 plus een aanvullend bedrag, zijnde de werkelijk door de advocaat aan de verzoeker in rekening gebrachte kosten verband houdende met het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het onderhavige verzoekschrift en de verzoekschriften op de voet van de artikelen 89 en 591 van het Wetboek van Strafvordering.

De advocaat heeft in dit verband de navolgende declaraties in de procedure gebracht:

- € 756,84 (declaratie 4 september 2009) en € 2.838,15 (declaratie 6 oktober 2009),

- € 7.795,45 (declaratie 4 november 2009) en € 4.530,95 (declaratie 6 januari 2010), gevoegd bij voornoemde schriftelijke reactie,

- € 4.157,13 (declaratie 2 maart 2010) en € 12.637,29 (declaratie 2 februari 2010), gevoegd bij voornoemde pleitnota,

- € 1.755,25 (declaratie 15 januari 2010), € 6.426,- (declaratie 22 januari 2010) en € 1.755,25 (declaratie 6 november 2009), gevoegd bij voornoemde pleitnota.

Daarnaast heeft de advocaat verzocht een aanvullend bedrag toe te kennen voor zijn werkzaamheden in verband met de zitting van 3 maart 2010.

Procesverloop

De voorzitter heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 5 januari 2010 en 3 maart 2010 de advocaat-generaal, de verzoeker en de advocaat ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Voorts heeft de voorzitter kennis genomen van de schriftelijke reacties van de advocaat van de verzoeker van 1 februari 2010 en 8 februari 2010 (beide met bijlagen), alsmede van het standpunt van het openbaar ministerie als verwoord in de schriftelijke notities van 4 januari en 26 februari 2010.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de onder c bedoelde reis- en verblijfkosten en tot toekenning van een hogere dan de forfaitaire vergoeding voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van de verzoeken op de voet van de artikelen 89, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door de verzoeker meer of anders verzochte.

Beoordeling van het verzoek

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.

Bij – inmiddels onherroepelijk geworden – arrest van 3 juli 2009 in de strafzaak met voormeld parketnummer is de verzoeker vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. De strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De voorzitter acht gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak door de verzoeker gemaakte reiskosten, zoals verzocht.

De onder b en d opgevoerde kosten kunnen niet worden aangemerkt als kosten van een raadsman, in de zin van artikel 591a, tweede lid, Sv. Die onder b betreffen werkzaamheden van andere professionele dienstverleners (advocaten, accountants en fiscalisten) die zijn ingeschakeld ten behoeve van het optreden van de raadslieden van de verzoeker in de strafzaak. Die onder d betreffen werkzaamheden van advocaten (onder wie ook een advocaat die in de strafzaak als raadsman optrad) in een BIBOB-procedure waarbij de verzoeker betrokken is. Nu die advocaten en andere professionele dienstverleners de bedoelde werkzaamheden niet verrichtten als raadsman van de verzoeker in de strafzaak, zijn hun kosten ook niet kosten van een raadsman.

De onder a opgevoerde kosten van raadslieden ten bedrage van € 136.850,- komen naar het oordeel van de voorzitter niet voor vergoeding in aanmerking, ook niet ten dele. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, acht de voorzitter geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van enige vergoeding uit dien hoofde. Daarbij heeft de voorzitter gelet op de inhoud van het dossier en vooral ook op hetgeen is overwogen in voormeld arrest van 3 juli 2009 met betrekking tot de betwisting van de kant van de verdediging van het veronderstelde opzet van de verzoeker (ter zake van de aan de verzoeker onder 2 subsidiair sub 8 tot en met 12 ten laste gelegde medeplichtigheid aan afpersing van [naam] door [naam], al dan niet met anderen).

Voor toekenning van de onder e opgevoerde wettelijke rente over het bedrag van de toewijsbaar geachte vergoeding van reiskosten ziet de voorzitter geen grond. Verwezen wordt naar de op de wettelijke rente betrekking hebbende overweging in de beschikking van heden op het verzoekschrift van de verzoeker ingevolge artikel 89 Sv.

Wat betreft de verzochte vergoeding ter zake van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van de drie onderhavige, gezamenlijk ingediende verzoekschriften, acht de voorzitter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de gewone forfaitaire vergoeding, maar niet voor toekenning van een hoger bedrag. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verzoeken slechts voor een betrekkelijk klein gedeelte worden toegewezen, terwijl het voor de advocaat, gezien de evenbedoelde overwegingen in voormeld arrest, duidelijk moet zijn geweest dat de verzoeken, voor zover zij al betrekking hadden op kosten en schade waarvan op de voet van de artikelen 89, 591 en 591a toekenning van een vergoeding verzocht kan worden, niet voor een groter deel dan dat betrekkelijk kleine gedeelte voor toewijzing vatbaar waren.

Beslissing

De voorzitter:

Kent uit ’s Rijks kas aan de verzoeker een vergoeding toe van € 249,95 (tweehonderdnegenenveertig euro en vijfennegentig cent) en van € 540,- (vijfhonderdveertig euro).

Wijst het anders of meer verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de voorzitter van de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, mr. Chorus, in tegenwoordigheid van mr. Laatsch als griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 1 april 2010.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 789,95 (zevenhonderdnegenentachtig euro en vijfennegentig cent), te betalen uit ’s Rijks kas aan de verzoeker voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Jahae Advocaten te Amsterdam, onder vermelding van dossiernummer 09168 ([verzoeker]/Schadevergoeding).

Amsterdam, 1 april 2010.

Mr. Chorus, voorzitter.