Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0369

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
1520-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Kolbakzaak. Verzochte vergoeding 591 Sv afgewezen. Uitgebreide motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2010, 47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Rekestnummer: R 1520-09 / (591 Sv)

Parketnummer in hoger beroep: 23-000298-08

BESCHIKKING

op het op 16 oktober 2009 ter griffie van dit hof ingekomen

verzoekschrift ingevolge artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

woonplaats kiezende te [plaats].

Advocaat: mr. J.I.M.G. Jahae, advocaat te Amsterdam

Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van (in totaal) € 35.873,65 terzake van kosten waarvan de verzoeker stelt dat hij die heeft gemaakt en dat die het belang van het onderzoek in de strafzaak met voormeld parketnummer hebben gediend, welke kosten in het verzoekschrift, in de schriftelijke reactie van de advocaat van 1 februari 2010 en bij de pleitnota van de advocaat van 3 maart 2010 als volgt zijn gespecificeerd - zakelijk weergegeven -:

a. € 25.000,-, zijnde de bijdrage waarvan de verzoeker stelt dat hij die heeft betaald in de kosten van een rapport van 31 maart 2009 van prof. dr. W.A. Wagenaar en prof. dr. H.F.M. Crombag,

b. € 10.073,65 (in voornoemde schriftelijke reactie verlaagd van € 10.901,23 naar € 10.073,65), zijnde kosten waarvan de verzoeker stelt dat hij die heeft gemaakt voor werkzaamheden van advocaten (Bos & Partners; Kalff Katz & Koedooder) en accountants/fiscalisten (Admiraal & Hoes accountants; ACN Administratieve diensten) ten behoeve van de advocaat die in de strafzaak optrad,

c. € 800,-, zijnde kosten gemaakt voor het verstrekt krijgen van het “Enclavedossier”,

d. de wettelijke rente over alle door de verzoeker gemaakte kosten.

Procesverloop

De voorzitter heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 5 januari 2010 en 3 maart 2010 de advocaat-generaal, de verzoeker en de advocaat ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Voorts heeft de voorzitter kennis genomen van de schriftelijke reacties van de advocaat van de verzoeker van 1 februari 2010 en 8 februari 2010 (beide met bijlagen), alsmede van het standpunt van het openbaar ministerie als verwoord in schriftelijke notities van 4 januari en 26 februari 2010. Zoals besproken op 3 maart 2010 heeft de advocaat bij brief van 10 maart 2010 (met een bijlage) inlichtingen gegeven over de herkomst van de eerder overgelegde “uitzonderingenlijst gerechtskosten” van 22 april 2009 en bij brief van 15 maart 2010 nog een handgeschreven urenoverzicht van prof. Crombag aan de voorzitter toegezonden.

De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzochte. Subsidiair is de advocaat-generaal van oordeel dat slechts die kosten in aanmerking komen voor vergoeding welke ingevolge het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen en dat kosten die uitgaan boven de in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 voor deskundigen vastgestelde tarieven, voor rekening van de verzoeker dienen te blijven.

Beoordeling van het verzoek

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.

Tegen het arrest van 3 juli 2009 in de strafzaak met voormeld parketnummer is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit arrest onherroepelijk is geworden en de strafzaak is geëindigd.

Aan een gewezen verdachte wordt uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten die, ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde, te zijnen laste zijn gekomen, evenwel slechts – voor zover thans van belang – voor zover de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek in de strafzaak heeft gediend.

De onder a opgevoerde kosten betreffen voornoemd rapport waaraan prof. Wagenaar volgens zijn opgave 104 uur en prof. Crombag volgens zijn opgave 102 uur heeft besteed, en waarvoor, volgens de mededeling van de advocaat, de raadslieden van [naam] in totaal circa € 48.000,- zouden hebben moeten betalen, waarvan de verzoeker een gedeelte ter grootte van € 25.000,- voor zijn rekening heeft genomen. De opdracht tot het opstellen van het rapport is uitsluitend op initiatief van de raadslieden in de strafzaken tegen de verzoeker en [naam] gegeven, zonder dat een daarop gericht verzoek aan het hof is gedaan. Het rapport is op verzoek van die raadslieden in het dossier in die strafzaken gevoegd en aldus bij de beoordeling van die strafzaken betrokken. Daarbij is het verzet van de advocaat-generaal tegen voeging verworpen, uit overweging dat een goede procesorde die voeging meebracht. In het arrest in de strafzaak tegen de verzoeker is het rapport niet genoemd; in het arrest in de strafzaak tegen [naam] is overwogen dat in die zaak slechts weinig waarde aan het rapport kon worden toegekend. Er is geen houvast voor een oordeel dat inhoudt dat het rapport het belang van het onderzoek in de strafzaak tegen de verzoeker heeft gediend, zodat ook niet kan worden geoordeeld dat de aanwending van de kosten van het rapport het belang van het onderzoek in de strafzaak heeft gediend.

Het verzoek aangaande de onder b opgevoerde kosten is hiermee gemotiveerd, kort gezegd, dat de bekostigde werkzaamheden van advocaten, accountants en fiscalisten strekten ten behoeve van de werkzaamheden van de advocaat die in de strafzaak optrad. De voorzitter wil aannemen dat de bedoelde ondersteunende werkzaamheden van belang voor de advocaat en voor de verzoeker zijn geweest, maar stelt vast dat daarmee nog niet is gegeven dat zij ook van belang waren voor het onderzoek in de strafzaak. Ook langs andere weg blijkt daarvan niet, zodat ook van deze kosten niet kan worden geoordeeld dat hun aanwending het belang van het onderzoek in de strafzaak heeft gediend.

Het onder c opgevoerde bedrag heeft de verzoeker moeten betalen om een (omvangrijk) onderdeel van het dossier van de strafzaak nogmaals verstrekt te krijgen. De desbetreffende stukken waren al in de eerste aanleg aan (de toenmalige raadsman van) de verzoeker verstrekt, zonder dat daarvoor toen kosten in rekening zijn gebracht. Tegen die achtergrond is er geen plaats voor vergoeding uit ’s Rijks kas van het bedrag dat de verzoeker heeft betaald.

Na het voorgaande behoeft de onder d genoemde wettelijke rente geen bespreking meer.

Beslist moet worden als volgt.

Beslissing

De voorzitter:

Wijst het verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de voorzitter van de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, mr. Chorus, in tegenwoordigheid van mr. Laatsch als griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 1 april 2010.