Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0236

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200.048.408/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bekrachtigt de bestreden beslissing van de kamer van toezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 30 maart 2010 in de zaak onder nummer 200.048.408/01 NOT van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

APPELLANT,

tegen

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Namens appellant, hierna klaagster, is bij op 11 november 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Maastricht, verder te noemen de kamer, van 18 september 2009, waarbij de klachten tegen geïntimeerde, hierna de notaris, ongegrond zijn verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 29 december 2009 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van klaagster is op 16 februari 2010 nog een aanvullende brief – met bijlagen – ontvangen ter griffie van het hof.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 25 februari 2010. Klaagster en de notaris zijn – met bericht van verhindering – niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van partijen

De wederzijdse standpunten blijken uit de beslissing waarvan beroep.

5. De beoordeling

5.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft niet geleid tot de vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

5.2. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.M.A. Verscheure en A.A. van Berge en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 maart 2010 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT MAASTRICHT

De kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen voormeld heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

hierna te noemen klaagster

tegen

hierna te noemen de notaris.

1. Het verloop van de procedure.

Klaagster heeft bij brief van 6 november 2008, ingekomen bij de Kamer van toezicht (hierna verder te noemen de Kamer) op 13 januari 2009, een klacht ingediend tegen de notaris.

De Kamer heeft een afschrift van deze klacht op 13 januari 2009 toegezonden aan de notaris met het verzoek om commentaar. Een reactie van de notaris is ingekomen op 12 februari 2009, van welke reactie een afschrift is gestuurd naar klaagster.

Op 13 mei 2009 is nog een brief van klaagster ingekomen met daarbij een aantal producties. Verder zijn er op 15 juni 2009, 18 juni 2009, 9 juli 2009, 14 juli 2009 en 21 juli 2009 brieven met producties van klaagster ingekomen.

Op 22 juli 2009 heeft de Kamer de klacht behandeld. Klaagster is niet verschenen, evenmin de notaris.

Na afloop van de behandeling heeft de voorzitter bepaald dat er zo spoedig mogelijk een beslissing in deze zaak zal worden genomen.

2. De inhoud van de klacht en de reactie van de notaris daarop.

Bij brief van 6 november 2008 heeft klaagster haar klachten verwoord. Klaagster heeft vervolgens nog diverse brieven gericht aan de Kamer met betrekking tot haar klacht. De Kamer zal voor wat betreft de behandeling van de onderhavige zaak uitgaan van de klachten zoals genoemd in het schrijven van klaagster van

6 november 2008.

De klachten zijn:

” 1. De notaris-executeur handelt niet voortvarend en niet zorgvuldig in het afwikkelen van de nalatenschap van erflaatster.

2. Hij laat na aan de erfgenamen alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak te verstrekken. Ik heb de executeur een groot aantal brieven met vragen toegezonden, doch ik krijg daarop geen, althans geen correct antwoord. Een groot gedeelte van de correspondentie tussen mij en de executeur alsook de antwoordbrieven van de bewindvoerder dhr. A worden hierbij overgelegd. (In totaal 24, zie bijlage lijst)

3. Ik heb het gevoel dat de executeur en de bewindvoerder de verdeling onderling regelen en de erfgenamen in het ongewisse laten.

Ik begrijp niet waarom de geschilpunten zoals omschreven in de brief van de executeur aan de bewindvoerder d.d. 8 juli 2008 niet voorgelegd worden aan de E.A. Heer Kantonrechter.

4. Omdat de notaris tot executeur is benoemd kan ik van de bewindvoerder in mijn hoedanigheid van erfgenaam geen rekening en verantwoording vragen van het door hem gevoerde financiële beleid. De bewindvoerder reageert ook op het verzoek van de executeur negatief. De bewindvoerder stelt zich op het stand punt dat hij niet gehouden is aan de executeur en erfgenamen rekening en verantwoording af te leggen op grond van het bepaalde in art. 1:445 B.W.; zich verder beroepende op het redelijkheidsbeginsel van gemeld artikel en op de décharge verklaringen van de Kanonrechter naar aanleiding van de gedane rekening en verantwoording sedert 11 februari 2003 tot datum overlijden.

5. De executeur adviseert de erfgenamen de zaken te laten rusten met betrekking tot het doen van rekening en verantwoording door de bewindvoerder. Ik ben van mening dat de executeur tekortschiet in zijn handelwijze om maar zonder meer genoegen te nemen met het standpunt van de bewindvoerder. Ik heb ter zake een memo gemaakt en ik zal hiervan een fotokopie aan dit klaagschrift hechten. Verder verwijs ik naar de onder punt 2 overgelegde correspondentie, waarvan de inhoud geacht wordt hier te zijn herhaald en ingelast.

Ik weet niet welke stappen ik kan ondernemen om de executeur en de bewindvoerder zover te krijgen dat zij ook deze nalatenschap op een rechtvaardige wijze zullen verdelen.”

Klaagster concludeert verder haar klacht gegrond te verklaren en de executeur op te dragen tot een juiste afwikkeling van de nalatenschap over te gaan en daarbij rekening te houden met de aanwijzing van De Kamer.

De notaris heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en heeft daartoe gesteld - kort weergegeven - dat hij de successieaangifte heeft ingediend. Door de belastingdienst is nog geen aanslag opgelegd. Nadat de aanslag is opgelegd kan rekening en verantwoording worden afgelegd en tot verdeling worden overgegaan. Verder stelt de notaris dat hij zeer uitvoerig gecorrespondeerd heeft met en alle informatie heeft verschaft aan klaagster. Ook de overige erfgenamen heeft hij geïnformeerd.

De notaris stelt verder dat klaagster in feite ook klaagt over de werkzaamheden van de bewindvoerder, de heer A, welke klacht hier niet op haar plaats is.

De Kamer heeft kennis genomen van alle door klaagster ingezonden stukken alsmede de reactie van de notaris hierop.

Op grond van de inhoud van alle stukken is de Kamer niet gebleken dat de notaris in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van B, overleden te X op 27 december 2007, de nalatenschap van erflaatster niet met de nodige voortvarendheid zou hebben afgewikkeld.

Uit hetgeen over en weer is gesteld is de Kamer gebleken dat de afwikkeling van de nalatenschap deels afhankelijk was van informatie van derden, welke informatie door de notaris niet dan wel na herhaaldelijk aandringen ontvangen is. De Kamer heeft er begrip voor dat klaagster graag gezien had dat de totale afwikkeling sneller zou verlopen, maar de Kamer kan uit de stukken niet genoegzaam opmaken dat de notaris in verband met de snelheid van de afwikkeling enig verwijt kan worden gemaakt.

Ook is de Kamer niet gebleken dat de notaris-executeur klaagster en/of de overige erfgenamen niet adequaat op de hoogte zou hebben gehouden van de voortgang van die afwikkeling.

Dat de notaris niet op iedere brief van klaagster direct heeft geantwoord kan de notaris - mede gelet op de hoeveelheid brieven die klaagster aan de notaris zond - niet verweten worden. Meerdere brieven van klaagster aan de notaris hadden immers nagenoeg dezelfde inhoud en bevatten nagenoeg dezelfde vragen, waarbij de notaris bij de beantwoording van die brieven meestal afhankelijk was van informatie van derden die hij niet of nauwelijks kreeg.

Verder klaagt klaagster over de werkzaamheden van de bewindvoerder, de heer A. Met de notaris is de Kamer van oordeel dat zij rechtens geen bevoegdheid heeft om de wijze waarop die werkzaamheden zijn verricht te toetsen, zodat de klacht voor zover daarop gericht ongegrond dient te worden verklaard.

De Kamer is uit de stellingen van klaagster alsmede uit de door klaagster overgelegde stukken geenszins gebleken dat er sprake zou kunnen zijn van het feit dat de notaris en de bewindvoerder de verdeling van de nalatenschap onderling zouden hebben geregeld. Ook op dit punt dient de klacht ongegrond te worden verklaard.

De Kamer is verder van oordeel dat de notaris geen verwijt kan worden gemaakt van het feit, dat hij geen rekening en verantwoording ontvangt van de bewindvoerder. De stelling van de bewindvoerder dat hij daartoe niet gehouden is, wordt door de Kamer onderschreven, zodat ook de klacht op dit punt ongegrond dient te worden verklaard.

Ook is de Kamer van oordeel dat niet gesproken kan worden van een tekortschieten in de handelwijze van de notaris in zijn advies aan klaagster en de erfgenamen om zaken te laten rusten met betrekking tot het doen van rekening en verantwoording door de bewindvoerder. Het betreft hier een advies door de notaris en klaagster, zo ook de andere erfgenamen, zijn niet gebonden aan dat advies en kunnen datgene doen wat zij geraden achten.

Beslissing

Verklaart de klachten tegen de notaris ongegrond.

Aldus gegeven te Maastricht op 18 september 2009 door mr. W.J.J. Beurskens, voorzitter, mr. R.H.J. Otto en mr. H. Quispel, kroonleden, mr. C.J. Leussink en mr. R.M.J. van Gent, notarisleden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.C.M. Pooters als secretaris.