Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9992

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
23-001567-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY5679, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY5679
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord garagehouder Amsterdam Noord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001567-09

datum uitspraak: 2 april 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van

4 februari 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-523092-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 20 januari 2009 en 21 januari 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 augustus 2009, 28 september 2009, 23 februari 2010, 15 maart 2010, 16 maart 2010, 18 maart 2010 en 19 maart 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 22 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] een of meermalen in het lichaam en/of het hoofd met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken en/of gesneden en/of de hand(en) van die [slachtoffer] met een tie-wrap heeft/hebben vastgebonden aan een motorblok, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Artikel 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 22 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet voornoemde [slachtoffer] een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam en/of het hoofd gestoken en/of gesneden en/of de hand(en) van die [slachtoffer] met een tie-wrap heeft/hebben vastgebonden aan een motorblok, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Artikel 288 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 22 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer] gestoken en/of gesneden en/of de hand(en) van die [slachtoffer] met een tie-wrap heeft/hebben vastgebonden aan een motorblok, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Artikel 287 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 22 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een tot nu toe onbekend gebleven geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan wijlen [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van gewelden / of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, één of meermalen in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken en/of de hand(en) van die [slachtoffer] met een tie-wrap heeft/hebben vastgebonden aan een motorblok, welk bovenomschreven feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Artikel 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] meermalen in het lichaam en het hoofd met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken en gesneden en de hand van die [slachtoffer] met een tie-wrap vastgebonden aan een motorblok, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting neemt het hof het volgende als vaststaand aan:

Op 22 februari 2008 wordt in het garagebedrijf APK Noord aan de [adres] te [woonplaats] het stoffelijk overschot aangetroffen van, naar later komt vast te staan, [slachtoffer], de eigenaar van het garagebedrijf.

Plaats delict

Forensisch onderzoek van de plaats delict wijst het volgende uit.

Het garagebedrijf is gevestigd op de begane grond en via één toegangsdeur bereikbaar. In het pand is tevens een kantoorruimte aanwezig. Het zwaar bebloede stoffelijk overschot van [slachtoffer] wordt bij binnenkomst aan de rechterzijde naast een archiefkast aangetroffen. Het slachtoffer ligt met zijn hoofd op een klein model brandblusser, zijn gelaat is bebloed en op de linkerwang is een afdruk in de vorm van een blokmotief zichtbaar. De linker pols van het slachtoffer is met een witte tie-wrap vastgesnoerd aan een motorblok. Vlakbij het slachtoffer wordt op de grond nog een witte tie-wrap aangetroffen. Gedeeltelijk onder de benen van het slachtoffer wordt een oranje deken aangetroffen met daarin een aantal scherprandige perforaties. De directe omgeving van het slachtoffer is besmeurd met bloed en door de gehele garage wordt een groot aantal bloedsporen, waaronder tal van met, dan wel in bloed gezette schoenzoolprofielen, aangetroffen.

Op de muur naast de kast, ter hoogte van het hoofd van het slachtoffer, wordt tevens een deel van een afdruk van een schoenzoolprofiel aangetroffen.

Voorts wordt in de kantoorruimte op de rand van de bovenste lade van een ladekast onder het bureau in een bloedveeg een dactyloscopisch spoor, naar later blijkt een handpalmafdruk, aangetroffen.

Het tijdstip van overlijden wordt door forensisch rechercheurs bepaald op 22 februari 2008 tussen 17.00 en 23.00 uur.

Sectierapport

Uit het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) d.d. 14 mei 2008, opgemaakt door dr. R. Visser arts en patholoog, blijkt - zakelijk weergegeven - dat sprake is van 20 steek-/snijletsels, waarvan 3 doorsteek(snij)letsels. De steek-/snijletsels bevonden zich verspreid over het lichaam, op het gezicht, de beide armen, de romp en de beide benen. Er was een steekletsel ter plaatse van de linkerzijde van de borst, dat vrijwel horizontaal verliep en reikte tot in de weefsels rond de ingang van de maag. Hierbij was de linkerzijde van het middenrif over circa 12 centimeter gekliefd, waardoor zich weefsels uit de buik (de milt, een deel van de dunne darm en de maag) in de linkerborstholte bevonden. Dit zal de ademhalingsfunctie hebben beperkt. Er was sprake van een klieving van de slagader in de enkel. Drie keer werd zogenoemd afweerletsel geconstateerd. In het bot van de onderkaak werd een klein metaalfragment aangetroffen, mogelijk een mespunt. Voorts was sprake van een breuk van het neusbeen met in de omgeving ruwrandige huidbeschadiging met bloeduitstorting, opgeleverd door inwerking van uitwendig, mechanisch, hevig botsend geweld, zoals bijvoorbeeld een slag, klap of val.

De steek-/snijletsels waren scherprandig en zijn opgeleverd door steken respectievelijk snijden, bijvoorbeeld met een mes. Het langst gemeten steekkanaal was circa 15 tot 19 centimeter. Er waren ter plaatse van de linker bovenarm een tweetal doorsteken. Het is niet onmogelijk dat er sprake was van één steekbeweging (doorheen de linker bovenarm en tot in de borst). In deze situatie is de steekkanaallengte circa 22 tot 26 centimeter lang. Geconcludeerd wordt dat het intreden van de dood wordt verklaard door massaal bloedverlies als gevolg van de diverse steek-/snijletsels in combinatie met weefselschade.

Dactyloscopisch spoor

De technisch rechercheurs J.A. Pelt en W.J. van Hilst hebben nader technisch onderzoek verricht aan het dactyloscopisch spoor dat, deels in een bloedveeg, is aangetroffen op de rand van de bovenste lade van de ladekast onder het bureau in de kantoorruimte. Uit het door hen opgemaakte proces-verbaal d.d. 12 maart 2008 blijkt het volgende.

Aan de rand van het bloedbeeld zagen zij enkele papillairlijnen, waarvan het vermoeden bestond dat de papillairlijnen door zouden kunnen lopen. Na behandeling van het spoor werd een bruikbaar dactyloscopisch spoor zichtbaar. Na uitvergroting van de van het spoor gemaakte foto's was te zien dat de papillairlijnen aangetroffen in het bloedbeeld doorlopen en zodoende één afdruk vormen met de zichtbaar geworden papillairlijnen. De conclusie is dat de papillairlijnen waren gezet in vloeibaar bloed. Door het NFI werd inmiddels vastgesteld dat het bloed gedoneerd was door het slachtoffer [slachtoffer].

Bij de rechter-commissaris hebben beide verbalisanten hun bevindingen dat de papillairlijnen in vloeibaar bloed zijn gezet nader toegelicht in die zin, dat zij hebben verklaard dat sprake was vloeiende (Pelt)/duidelijke en ononderbroken (Van Hilst) lijnen in de afdruk, waar bij droog bloed een heel ander beeld, namelijk veel brokkeliger (Pelt)/absoluut een verstoring (Van Hilst), te zien zou zijn geweest.

Uit het proces-verbaal d.d. 11 maart 2008, opgemaakt door J.A.J.M. Riemen, senior adviseur dactyloscopie, blijkt dat het dactyloscopisch spoor aangetroffen op de rand van de bovenste lade van een ladeblok van een bureau in de kantoorruimte identiek is aan een afdruk van de rechter handpalm voorkomend op het handpalmafdrukkenblad ten name van [verdachte], geboren op [1991] te [geboorteplaats]. Vanwege de eenmaligheid van vingerafdrukken, waaronder ook handpalmafdrukken worden begrepen, betekent dit tevens dat het spoor van niemand anders afkomstig kan zijn.

Met betrekking tot de vraag: 'Hoe lang na het aanbrengen van het bloed kan het dactyloscopisch spoor zijn gezet?', is door drs. P. van Fessem en M.J.P. Eversdijk, beiden werkzaam bij DDR-Bureau recherche expertise van het Team Forensische Opsporing van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, nader onderzoek gedaan. Zij concluderen dat uit de door hen uitgevoerde proeven kan worden vastgesteld dat een zichtbare, volledige uitname van het papillairlijnenpatroon niet meer mogelijk is na 1:00 minuut na het aanbrengen van een dunne bloedveeg (proces-verbaal d.d. 17 december 2008).

Bloedbeeldanalyse

Uit het proces-verbaal van bloedbeeldanalyse d.d. 5 december 2008, opgemaakt door M.J.P. Eversdijk voornoemd, gecertificeerd bloedbeeldanalist, blijkt onder meer het volgende.

Aan het misdrijf kunnen tenminste drie en mogelijk vier verschillende schoenzoolprofielen, alle met bloed gezet, worden gerelateerd.

Zowel in de werkplaats van de garage als in het kantoor werden meerdere schoenzoolprofielen, gezet met bloed, aangetroffen.

Het is niet uitgesloten, op basis van de op het bureaublad aanwezige ellipsvormige bloedspatten, dat er minimaal krachtuitoefening in vloeibaar bloed heeft plaatsgevonden, waarbij de bloedbron zich in ieder geval hoger heeft bevonden dan het bureaublad.

Het is zeer aannemelijk dat het slachtoffer al gewond was aan zijn rechter enkel in het kantoor, op basis van onder andere het onder de bureaustoel aanwezige spuitende bloedbeeldpatroon, de hoeveelheid bloed in het kantoor en de lage afgeworpen bloedbeeldpatronen.

Het is zeer aannemelijk op basis van het onder en naast de onderbenen/voeten van het slachtoffer aangetroffen veegpatroon dat het slachtoffer in leven was op de plaats waar het slachtoffer uiteindelijk is aangetroffen.

Het is zeer aannemelijk op basis van de aangetroffen bloedbeelden dat de vluchtroute die het slachtoffer bloedend heeft afgelegd, is geweest vanuit het kantoor via de vier kolommenbrug naar de remmentestbank richting de uitgang.

Met betrekking tot de drager van (het hof begrijpt: het schoenzoolprofiel met) het blokjesmotief dat niet visueel overeenkomstig is met de schoenen van het slachtoffer, kan worden gesteld dat niet uitgesloten is dat deze drager de met bloed gezette contactafdruk op de linker wang van het slachtoffer en op de muur heeft veroorzaakt. Niet is uitgesloten dat deze drager het slachtoffer heeft versleept van de remmentestbank naar de plaats waar het slachtoffer uiteindelijk werd aangetroffen. Bovendien is niet uitgesloten dat de drager van deze schoenen ook in het kantoor is geweest.

Met betrekking tot de drager van (het hof begrijpt: het schoenzoolprofiel met) het golfmotief kan worden gesteld dat niet is uitgesloten dat deze drager ook de veroorzaker is van de papillairlijnen in het met bloedgezette veegpatroon op de bovenste lade van het bureauladeblok in het kantoor, op basis van de op de vloer op en onder papieren bescheiden en op en onder de kast aangetroffen met bloedgezette schoenzoolprofielen. Voorts is niet uitgesloten dat de drager van deze schoenen mogelijk degene is geweest die het slachtoffer heeft tegengehouden tijdens zijn vlucht richting de uitgang en dat deze het slachtoffer één keer heeft gestoken bij de remmentestbank. De drager van deze schoenen heeft zich veelvuldig om het lichaam van het slachtoffer begeven.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 maart 2008 heeft M.J.P. Eversdijk, als getuige-deskundige gehoord, desgevraagd nog verklaard dat hij op basis van zijn bevindingen, zoals vastgelegd in eerdergenoemd proces-verbaal van bloedbeeldanalyse, van mening is dat gelet op de distributie van het bloed van het slachtoffer het incident zich in eerste instantie heeft afgespeeld in het kantoor zelf, aangezien onder de bureaustoel een grote hoeveelheid bloed is aangetroffen. Gelet op het aangetroffen bloedspoorpatroon was daarbij sprake van een laag bij de grond bloedende verwonding, waar het bloed is uitgekolkt, hetgeen past bij een slagaderlijke klieving in de enkel zoals bij het slachtoffer is vastgesteld. Dat andere incidenten in het kantoor hebben plaatsgevonden, blijkt uit bloedspatten op het bureau, maar niet te zeggen is wat de aard van die incidenten was. Gelet op de sporen net buiten het kantoor heeft het slachtoffer vervolgens geprobeerd weg te vluchten. Daarbij is het slachtoffer over de achterste hefbrug gelopen dan wel gestrompeld, aangezien daar contactsporen te zien zijn die erop kunnen duiden dat het slachtoffer met kleding de grond heeft geraakt. Vervolgens is hij opgestaan en bij de tweede brug weer naar de grond gegaan, waarna hij vervolgens is versleept door mogelijk degene met het blokprofiel richting het motorblok en de archiefkast en daar is vastgeketend.

Overige sporen

Verder is uit onderzoek gebleken dat de broer van de medeverdachte[Medeverdachte], [Broer medeverdachte S.], op 6 februari 2008 voor 700 euro een rode Mazda 323 bij het slachtoffer [slachtoffer] heeft gekocht. Een andere broer van de medeverdachte, [Broer medeverdachte J.], was in het bezit van een witte Mazda 323.

In deze witte Mazda zijn bloedsporen aangetroffen op de matten aan de bestuurders- en bijrijderszijde en de vloerbedekking daaronder. Tevens werden bloedsporen aangetroffen aan de binnenzijde van het rechter voorportier aan de bijrijderszijde.

Onderzoek van deze sporen door het NFI, deskundigenrapport d.d. 10 juni 2008 opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, wijst het volgende uit.

Bemonstering van een vloermat van de bestuurderzijde (ECA748#1): celmateriaal betreft een mengsel van celmateriaal afkomstig van tenminste drie personen, waarbij de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [Medeverdachte] matchen met het DNA-mengprofiel. Dit betekent dat deze twee personen niet kunnen worden uitgesloten als mogelijke donor.

Bemonstering van een vloermat van de bijrijderzijde (ECA749#2): celmateriaal kan afkomstig zijn van het slachtoffer [slachtoffer]. De kans dat dit celmateriaal niet afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer] is kleiner dan één op één miljard. Het hof gaat er gelet op deze berekening vanuit dat het celmateriaal afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer].

Aanvullend sporenonderzoek door het NFI, deskundigenrapport d.d. 18 september 2008 opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, waarbij de verkregen DNA-profielen van het celmateriaal zijn vergeleken met de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer] en van de verdachten [verdachte] en [Medeverdachte], wijst voorts het navolgende uit.

Bemonstering van bloed op een stukje stof van de vloer rechtsvoor van de Mazda (GTA551#1 ): celmateriaal kan afkomstig zijn van het slachtoffer [slachtoffer] vermengd met een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één onbekende persoon. De kans dat dit celmateriaal niet afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer] is kleiner dan één op één miljard. Het hof gaat er gelet hierop vanuit dat het celmateriaal (bloed) afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer].

Bemonstering van bloed van de buitenkant van het deurvak van het rechter voorportier van de Mazda (GTA552#1): het betreft een mengsel van celmateriaal van tenminste twee personen, waarbij het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [verdachte] niet zijn uit te sluiten als mogelijke celdonoren.

Camerabeelden

Bij Bouwcenter Floris aan de [adres] te [woonplaats] werden videobeelden/opnamen van een bewakingscamera van 22 februari 2008 inbeslaggenomen en nader onderzocht. Op deze beelden is te zien dat op 22 februari 2008 omstreeks 17.04 uur een witte 4-deurs auto, type sedan, komt aanrijden over de Distelweg en linksaf de Asterweg oprijdt, aan welke weg als zijstraat de Chrysantenstraat is gelegen waar de garage APK Noord zich bevindt. Deze auto komt sterk overeen met de witte Mazda 323 van [Broer medeverdachte J.].

Verklaringen

De medeverdachte Menig (hierna: Menig) heeft ter terechtzitting in hoger beroep als verdachte in zijn eigen zaak een verklaring afgelegd. Deze verklaring is met instemming van de verdediging in het dossier van de verdachte gevoegd en wordt door het hof tot het bewijs gebruikt.

[Medeverdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 maart 2010 verklaard dat hij aanvankelijk is meegegaan naar garage APK Noord om een auto, de rode Mazda 323, voor zijn broer [Broer medeverdachte S.] te kopen. Hij ging mee omdat hij wel wat van auto?s weet en zou kijken of de auto die ze beoogden te kopen wel goed was.

Nadat de auto was gekocht, is [Medeverdachte] op enig moment met de auto naar Zaandam gegaan. Op de terugweg heeft hij, door gebreken aan de auto, anderhalf uur nodig gehad om met de auto van Zaandam naar Amsterdam te rijden. [Medeverdachte] was boos omdat de auto het niet meer deed en is teruggegaan naar de garage. [slachtoffer] heeft toen tegen hem gezegd dat het aan de bougies of aan de bobine kon liggen, maar dat hij hem verder niet kon helpen.

[Medeverdachte] heeft hierop zelf een aantal onderdelen van de auto vervangen maar de auto deed het nog steeds niet. [Medeverdachte] vond dat [slachtoffer] hem belazerd had en is daarom nogmaals, dit keer samen met de verdachte, teruggegaan naar de garage. Ze zijn in de witte Mazda van [Broer medeverdachte J.] naar de garage gereden. [Medeverdachte] en de verdachte zijn samen de garage binnengelopen en troffen [slachtoffer] aan in het kantoortje achter zijn bureau. [Medeverdachte] is voor het bureau gaan staan en de verdachte bij het ladeblok van het bureau. [Medeverdachte] heeft toen tegen [slachtoffer] gezegd dat hij onderdelen van de auto had vervangen, maar dat de auto het nog steeds niet deed. Ook de verdachte heeft aan [slachtoffer] gevraagd, hoe het mogelijk was dat de auto het na een paar dagen niet meer deed. [slachtoffer] wilde niets voor [Medeverdachte] doen en [Medeverdachte] heeft vervolgens geprobeerd hem over te halen hem te helpen. Hij zei tegen [slachtoffer] dat hij het raar vond dat hij een auto bij hem had gekocht, die stuk bleek te zijn en dat [slachtoffer] hem vervolgens niet wilde helpen. [slachtoffer] zei daarop dat [Medeverdachte] de auto voor eigen risico had gekocht en dat hij niets voor hem kon doen. [slachtoffer] wilde de auto niet terugnemen en ook geen geld teruggeven. [Medeverdachte] vond dat die reactie echt niet kon en heeft dat ook tegen [slachtoffer] gezegd. 'Het was te bizar voor woorden hoe hij reageerde', aldus [Medeverdachte].

De verdachte heeft ten overstaan van de rechter-commissaris op 15 april 2008 verklaard dat hij samen met [Medeverdachte] in de witte Mazda van [Broer medeverdachte J.] naar het garagebedrijf in Amsterdam Noord is gegaan. [Medeverdachte] had tegen hem gezegd dat ze daarheen gingen, omdat de auto van [Broer medeverdachte S.] (het hof begrijpt: [Broer medeverdachte S.]), een rode Mazda, niet startte. In het kantoor heeft [Medeverdachte] met die man van de garage gesproken over de auto van [Broer medeverdachte S.]. Die man zei iets over bougies. Tijdens dat gesprek heeft de verdachte amper met die man gesproken. De verdachte stond bij het bureau en had zijn hand op de bovenkant van het bureau. De bovenste lade stond waarschijnlijk open en daar kwam zijn handpalm op. Ze waren uit de auto direct naar het kantoortje gelopen en na het gesprek direct weer naar de auto teruggelopen en vertrokken.

De verdachte heeft zijn verklaring bij de rechter-commissaris evenwel ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep herroepen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij kort voor het afleggen van die verklaring door de politie onder druk was gezet en om die reden niet naar waarheid heeft verklaard bij de rechter-commissaris. De verdachte heeft uitdrukkelijk ontkend ooit in garage APK Noord te zijn geweest en heeft zich verder op zijn zwijgrecht beroepen.

Uit het dossier blijkt evenwel dat het verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris op 15 april 2008 heeft plaatsgevonden en wel op verzoek van de toenmalige raadsvrouw van de verdachte. Tijdens het verhoor van de verdachte bij de inbewaringstelling op 4 april 2008 is daaromtrent door de raadsvrouw aangegeven dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht zou beroepen, maar dat hij tijdens een later te plannen verhoor wel een verklaring zou afleggen. Overigens is noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat de verdachte bij verhoren voorafgaand aan 15 april 2008 door de politie onder druk is gezet. Bovendien heeft het verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van zijn toenmalige raadsvrouw plaatsgevonden en heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij zich daarbij niet onder druk gezet heeft gevoeld. Het hof zal de verdachte dan ook houden aan zijn verklaring zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, nu deze ook op essenti?le punten overeenkomt met de eerdergenoemde verklaring van de medeverdachte en tevens wordt ondersteund door de op de rand van de bureaulade van een ladekast in het kantoor aangetroffen handpalmafdruk van de verdachte.

Daarbij gaat het hof voorbij aan de enkele ontkenning door de verdachte van zijn aanwezigheid in de garage APK Noord, nu in het dossier tal van aanwijzingen te vinden zijn die het tegendeel kunnen bewijzen, waarvoor de verdachte geen enkele verklaring heeft willen geven, hoewel hem daar door het hof uitdrukkelijk om is gevraagd.

Op grond van hetgeen bovenstaand is weergegeven komt het hof tot de vaststelling dat de verdachte niet alleen tezamen met de medeverdachte [Medeverdachte] aanwezig is geweest in garage APK Noord ten tijde van de gewelddadige dood van [slachtoffer], maar voorts dat beiden daarin een aandeel hebben gehad.

Medeplegen

Uit de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [Medeverdachte] tezamen met de conclusies uit het proces-verbaal van bloedbeeldanalyse van M.J.P. Eversdijk en diens toelichting daarop ter terechtzitting in hoger beroep, leidt het hof de volgende gang van zaken af.

De verdachte en de medeverdachte [Medeverdachte] zijn in het kantoor verwikkeld geraakt in een discussie met het slachtoffer [slachtoffer] naar aanleiding van de problemen met de rode Mazda van [Broer medeverdachte S.], welke is uitgemond in het toebrengen van diverse letsels aan [slachtoffer]. Daarbij was onder andere sprake van een laag bij de grond bloedende verwonding, waar het bloed is uitgekolkt, hetgeen past bij een slagaderlijke klieving in de enkel, zoals bij het slachtoffer is vastgesteld. Gelet op de sporen net buiten het kantoor heeft het slachtoffer vervolgens geprobeerd weg te vluchten. Daarbij is het slachtoffer over de achterste hefbrug gelopen dan wel gestrompeld.

Op grond van de bloedbeeldanalyse kan met betrekking tot de drager van het schoenzoolprofiel met het golfmotief worden gesteld dat niet is uitgesloten dat deze drager ook de veroorzaker is van de papillairlijnen/handpalmafdruk in het met bloedgezette veegpatroon op de bovenste lade van het bureauladeblok in het kantoor op basis van de op de vloer op en onder papieren bescheiden en op en onder de kast aangetroffen met bloedgezette schoenzoolprofielen. Nu het dactyloscopisch onderzoek heeft uitgewezen dat deze papillairlijnen/handpalmafdruk toebehoren aan de verdachte, concludeert het hof dat aannemelijk is dat hij ook de drager was van de schoenen met het golfmotief. Voorts komt uit de bloedbeeldanalyse naar voren dat niet uitgesloten is dat de drager van deze schoenen ook degene is geweest die het slachtoffer heeft tegengehouden tijdens zijn vlucht richting de uitgang en dat deze het slachtoffer één keer heeft gestoken bij de remmentestbank. De drager van deze schoenen heeft zich veelvuldig om het lichaam van het slachtoffer begeven.

Getuige-deskundige Eversdijk heeft verder verklaard dat het slachtoffer mogelijk bij de tweede brug weer naar de grond is gegaan, waarna hij vervolgens is versleept door mogelijk degene met het blokjesprofiel richting het motorblok en de archiefkast en daar is vastgeketend.

Op grond van de bloedbeeldanalyse kan met betrekking tot de drager van het schoenzoolprofiel met het blokjesmotief worden gesteld dat niet uitgesloten is dat deze drager de met bloed gezette contactafdruk op de linker wang van het slachtoffer en op de muur heeft veroorzaakt.

Het hof acht het, gelet op voorgaande conclusie dat aannemelijk is dat de verdachte de drager van de schoenen met het golfmotief was, aannemelijk dat de medeverdachte [Medeverdachte] de drager van de schoenen met het blokjesprofiel.

Uit de bloedbeeldanalyse volgt tot slot dat, gelet op het naast de onderbenen/voeten van het slachtoffer aangetroffen veegpatroon, het slachtoffer in leven was op de plaats waar het slachtoffer uiteindelijk is aangetroffen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de getuige-deskundige Eversdijk daar nog aan toegevoegd dat het slachtoffer aldaar nog meermalen door de oranje deken heen is gestoken. Hierna zijn de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk in de witte Mazda vetrokken.

Het hof is derhalve van oordeel dat het optreden van de verdachte en zijn medeverdachte zich kenmerkt door een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het om het leven brengen van het slachtoffer [slachtoffer]. Er is dan ook sprake van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Dat sprake is van opzettelijk een ander van het leven beroven volgt naar het oordeel van het hof reeds uit de hoeveelheid en de aard van de aan het slachtoffer toegebrachte letsels. Uit het sectierapport blijkt immers dat sprake is van 20 steek-/snijletsels verspreid over het gehele lichaam met onder andere een steekletsel ter plaatse van de linkerzijde van de borst dat reikt tot in de weefsels rond de ingang van de maag en een klieving van de slagader in de enkel.

Moord

Voor bewezenverklaring van het voor moord vereiste voorbedachten rade is voldoende dat vaststaat dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Gelet op de bloedbeeldanalyse en de aard en hoeveelheid van de toegebrachte letsels moet worden aangenomen dat de handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte geruime tijd in beslag hebben genomen. Bovendien zijn er momenten te onderscheiden waarop de verdachte had kunnen afzien van verder handelen dan wel had kunnen optreden om erger te voorkomen, bijvoorbeeld op het moment dat het slachtoffer het kantoor uitvluchtte.

Nu de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer meermalen de vlucht hebben belet, hem over de grond hebben meegesleept naar het motorblok, hem uiteindelijk daaraan hebben vastgebonden en het slachtoffer aldaar, terwijl hij nog in leven was, nog verder letsel hebben toegebracht staat voor het hof vast dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

Het hof heeft noch uit het dossier noch uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is verhandeld enige aanwijzing bekomen dat het handelen door de verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Dat daarvan sprake zou zijn is ook van de zijde van de verdediging niet aangevoerd. Het hof merkt op dat daarentegen uit het dossier alsook uit het optreden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een beeld van de verdachte naar voren komt als iemand die onder alle omstandigheden emotieloos en koelbloedig opereert.

Het hof is, alles afwegend, van oordeel dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Toepassing van minder- of meerderjarigenstrafrecht

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het hem primair ten laste gelegde met toepassing van het sanctierecht voor volwassenen (hierna: meerderjarigenstrafrecht) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem primair ten laste gelegde met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaar met toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is door de verdediging toepassing van het minderjarigenstrafrecht op de voet van artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepleit. De raadsman heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte ten tijde van het plegen van het delict slechts 16 jaar en 4 maanden oud was en als zodanig dus net de in artikel 77b Sr gestelde leeftijdsgrens was gepasseerd. Ofschoon artikel 77b Sr toepassing van het meerderjarigenstrafrecht mogelijk maakt enkel en alleen op grond van de ernst van het feit, moet dit in strijd met de beschermende werking van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) worden geacht. Immers, het destijds door de Nederlandse Staat gemaakte voorbehoud bij dit verdrag was gebaseerd op het toenmalige artikel 77b Sr, waarin sprake was van een vereiste van cumulatieve voorwaarden. Bovendien verzet de persoonlijkheid van de verdachte zich eveneens tegen een dergelijke toepassing.

Het hof overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

Uitgangspunt is dat ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren, doch nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, het geprivilegieerde sanctierecht voor jeugdigen (hierna: het minderjarigenstrafrecht) wordt toegepast. In beginsel dient dan ook in het geval van de verdachte, die ten tijde van het strafbare feit de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt, dit recht te worden toegepast.

Dat de verdachte ten tijde van het delict 16 jaar en 4 maanden oud was, plaatst hem in de categorie minderjarigen ten opzichte van wie, bij voldoening aan een of meer van de gronden van artikel 77b Sr, het meerderjarigenstrafrecht kan worden toegepast.

Het feit als bewezen verklaard is een oninvoelbare en gruwelijke daad, tengevolge waarvan het slachtoffer na als marteling te omschrijven handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte, een langzame en pijnlijke dood heeft gevonden. Het misdrijf is als zeer ernstig te kwalificeren, in zowel de uitvoering als in de gevolgen ervan. Anders dan de raadsman heeft bepleit ziet het hof reeds in de ernst van dit feit voldoende grond om in het geval van de verdachte tot toepassing van het meerderjarigenstrafrecht te komen.

Voorzover de raadsman heeft betoogd dat de toepassing van één van de thans alternatief geformuleerde vereisten van artikel 77b Sr in strijd zou zijn met de bescherming van het IVRK berust dit naar het oordeel van hof op een onjuiste lezing van het genoemde voorbehoud en het verdrag. Ook overigens verbiedt het Verdrag de toepassing van meerderjarigenstrafrecht voor minderjarigen niet.

Ziet het hof reeds in de ernst van het feit voldoende grond om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, ook de persoonlijkheid van de verdachte draagt daar in sterke mate aan bij.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte overweegt het hof als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of minderjarigen- of meerderjarigenstrafrecht moet worden toegepast, moet niet alleen de persoonlijkheid van de dader ten tijde van het begaan van het delict in aanmerking worden genomen, maar tevens de persoonlijkheid ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting.

In het multidisciplinair psychodiagnostisch onderzoek pro justitia van Justiti?le Jeugdinrichting De Heuvelrug, locatie Eikenstein (hierna te noemen: Eikenstein) d.d. 9 december 2008, opgesteld door P.P.L.J. Wentink, psycholoog, in overleg en met instemming van de overige onderzoekers, waaraan de verdachte overigens geen medewerking heeft verleend, wordt de conclusie getrokken dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze valt te omschrijven als een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Er worden geen aanwijzingen gevonden voor een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, met name geen aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis in engere zin. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens moet ook al aanwezig geweest zijn ten tijde van het hem tenlastegelegde. Gezien verdachtes stelselmatige ontkenning van betrokkenheid bij het tenlastegelegde kan geen uitspraak worden gedaan over de invloed van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens op de gedragskeuzes c.q. gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Evenmin kan een uitspraak worden gedaan over de vraag op welke manier en in welke mate dat geschiedde, en welke mogelijke conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is.

Het gegeven dat gesproken kan worden van een gedragsstoornis, begonnen in de kinderleeftijd, in combinatie met het gegeven dat zich bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis in antisociale zin dreigt te ontwikkelen, maakt dat de kans op herhaling van delicten in algemene zin bij ongewijzigd beleid als matig tot hoog moet worden ingeschat.

Ten tijde van het onderzoek in hoger beroep is de verdachte vanaf 8 december 2009 7 weken voor observatie opgenomen geweest in het Forensisch Consortium Adolescenten (hierna te noemen: ForCa) te Sassenheim. Omtrent de verdachte is een klinisch multidisciplinair onderzoeksrapport opgemaakt. In deze rapportage, d.d. 11 februari 2010, opgesteld door

T. Smits, gz-psycholoog en D. Matser, kinder- en jeugdpsychiater, komen de onderzoekers tot de conclusie dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en antisociale trekken. Verdachte wordt niet in staat geacht zich aan de maatschappelijke norm te conformeren, verdraait en loochent de waarheid, overtreedt andermans grenzen ten behoeve van zijn persoonlijk gewin, is hooghartig en maakt misbruik van anderen. Omdat het tenlastegelegde niet met de verdachte besproken kon worden aangezien hij zijn betrokkenheid ontkent, kan geen inschatting worden gemaakt over de beinvloeding van zijn gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens op zijn gedragskeuzes. Derhalve kan geen uitspraak worden gedaan over de manier waarop en in welke mate deze beinvloeding geschiedde, of welke conclusie getrokken kan worden aangaande de toerekeningsvatbaarheid.

Blijkens zijn strafrechtelijke documentatie heeft de verdachte zich bij herhaling schuldig gemaakt aan geweldsmisdrijven. De narcistische trekken uiten zich door een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid en het onvoldoende oog hebben voor de behoeften van anderen. Als zorgelijk wordt beschreven dat negatieve emoties volledig worden afgeweerd; iedere vorm van empathie ontbreekt.

Waar aldus eerder door de gedragsdeskundigen van Eikenstein een gedragsstoornis als uiting van genoemde scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling is geconstateerd, wordt nu een persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd. Op grond van die vaststelling wordt aannemelijk geacht dat er ten tijde van het gepleegde feit sprake is geweest van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.

De deskundigen van ForCa geven aan dat de verdachte in een gestructureerde omgeving beter functioneert en dat bij hem sprake is van bijzonder goed aangepast gedrag (schijnaanpassing). Hij ervaart geen lijdensdruk en geen probleembesef. Tevens is hij ontkennend ten aanzien van delicten, ook die waarvoor hij reeds is veroordeeld. Daarnaast komen er vanuit het persoonlijkheidsonderzoek contra-indicaties naar voren aangaande een behandeling.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de deskundige Smits nog aangegeven dat de verdachte zeer hoog scoort op de lijst met psychopatiekenmerken.

Allesoverwegende is het hof van oordeel dat ook op grond van de persoonlijkheid van de verdachte het meerderjarigenstrafrecht moet worden toegepast.

Mogelijkheid behandeling

Waar de deskundigen van Eikenstein de persoonlijkheid van de verdachte omstreeks het begaan van het delict niet ten gronde hebben kunnen onderzoeken, en de verdachte desondanks kon worden beschouwd als een persoon in ontwikkeling aan wie (nog) verander- en groeimogelijkheden konden worden toegedicht, wordt thans in het huidige (ForCa-)onderzoek een achttienjarige volwassen c.q. uitgerijpte persoon gezien, bij wie sprake is van een bestendige, zich voortzettende lijn, waarin geen veranderingen worden verwacht.

De deskundigen van ForCa hebben zowel in het rapport als ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven behandeling als een contra-indicatie te beschouwen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende mogelijkheid bestaat om de verdachte in enig kader te behandelen met een reële kans op resultaat, nog daargelaten de door de deskundigen opgeworpen mogelijkheid dat de verdachte zich tijdens een behandeling een houding aanmeet die kan worden gekenschetst als schijnaanpassing, op grond waarvan ten onrechte zou kunnen worden gemeend dat de behandeling succesvol is geweest en de verdachte in vrijheid kan worden gesteld.

Bij een recidivekans die op grond van onderzoek wordt ingeschat op matig tot hoog, is voorts naar het oordeel van het hof onvermijdelijk dat de nadruk van de afhandeling van de strafzaak moet komen te liggen op bescherming van de gemeenschap.

Oplegging van straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft bij de bepaling van de strafmaat in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De ernst van het gepleegde delict wordt in hoge mate bepaald door de wijze waarop de verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer letsel hebben toegebracht waaraan hij uiteindelijk is overleden. De verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer feitelijk gemarteld door hem niet alleen vele malen in het lichaam te steken, daarbij intern weefsel ernstig beschadigend, maar hem bovendien - in een positie waarin het slachtoffer door bloedverlies minder weerbaar zal zijn geweest - door de garage hebben gesleept, hem hebben vastgebonden, in het gezicht hebben gestoken en gesneden, een lip hebben afgesneden, een schoen in zijn gezicht hebben gezet en terwijl het slachtoffer op de grond lag hem nogmaals hebben gestoken.

Het handelen van de verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven.

Op geen enkele wijze heeft hij inzicht gegeven in het hoe en waarom van zijn handelen. Ernstige feiten als het onderhavige hebben een welhaast allesbepalende invloed op het leven van de nabestaanden, zoals onder meer is gebleken uit de door de partner van het slachtoffer, mevrouw [benadeelde 1], mede namens de moeder en de zuster van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaring. Ook de rechtsorde is door het voorgaande zeer ernstig geschokt.

Moord wordt beschouwd als het ernstigste commune misdrijf. Niet voor niets heeft de wetgever op het plegen van dit delict de zwaarste sanctie gesteld.

Bij gebreke aan een reële behandelingsmogelijkheid, alsmede bij een recidivekans van een soortgelijk delict die matig tot hoog moet worden ingeschat zal het hof een langdurige gevangenisstraf opleggen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 maart 2010 is de verdachte eerder ter zake van gewelds- en vermogensdelicten veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, na te noemen gevangenisstraf passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77b, en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte primair ten laste gelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte primair ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte hem primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het bewezenverklaarde en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voor zover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], een bedrag van EUR 10.808,11 (tienduizend achthonderdacht euro en elf cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 10.808,11 (tienduizend achthonderdacht euro en elf cent), zulks ten behoeve van [benadeelde 2].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 216 (tweehonderdzestien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het bewezenverklaarde en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voor zover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], een bedrag van EUR 2.648,00 (tweeduizend zeshonderdachtenveertig euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 2.648,00 (tweeduizend zeshonderdachtenveertig euro), zulks ten behoeve van [benadeelde 1].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 53 (drieënvijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden , mr. J.A.M. de Wit, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. R.H.J. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Winkels, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 april 2010.

[verdachte], K.G. /23-001567-09 - 9 -