Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9454

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
200.037.309-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

limitering partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 16 maart 2010 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.037.309/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GE?NTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.M.N. Janssen te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S.J. Kerbusch te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 7 juli 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 april 2009 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 409361 / FA RK 08-7791.

1.3. De man heeft op 20 augustus 2009 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend.

1.4. De zaak is op 5 november 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door mr. M.S. van Gaalen, advocaat te Amsterdam.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn [in] 1978 gehuwd. Het huwelijk is op 6 november 1991 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 9 januari 1991 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind A] [in] 1982 en [kind B] [in] 1983.

2.3. Bij het echtscheidingsvonnis van 9 januari 1991 is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een uitkering tot haar levensonderhoud van fl. 2.000,- (€ 907,56) per maand met ingang van de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis. Thans bedraagt deze uitkering na indexering € 1.472,- per maand.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1949. Zij is alleenstaand.

Zij heeft in 1970 een nijverheidsakte behaald, welke haar de bevoegdheid gaf groepsleidster te worden of op het LBO les te geven. In 1981 heeft zij een HBO diploma maatschappelijk werk behaald.

Zij heeft in 2006 een jaarinkomen uit arbeid verworven van € 25.458,- bruto, in 2007 van € 27.504,- bruto en in 2008 van

€ 26.131,- bruto.

Blijkens de salarisspecificaties van januari 2009 van [naam Stichting] en [naam bedrijf] BV bedroeg haar salaris toen € 790,- bruto (€ 525,- netto) per maand.

Vanaf het moment dat de man 65 jaar wordt (2013), heeft zij recht op een bedrag van € 3.023,93 bruto per jaar, zijnde € 252,- bruto per maand, uit het pensioen van de man. Daarnaast maakt zij, als zij 65 jaar wordt, ook aanspraak op haar eigen pensioen.

Ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is haar een bedrag van fl. 144.718,- toebedeeld, waarvan fl. 121.552,- (€ 55.158,-) in liquide middelen.

In 2005 heeft zij een bedrag van € 46.688,- netto van haar vader geërfd.

2.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1948. Hij is alleenstaand.

Zijn werkgever, […], is per 1 april 2008 overgenomen door […], met als gevolg dat zijn functie per 1 november 2008 is komen te vervallen. Aangezien er geen passende functie voor hem was, is hem een inactiviteitsregeling aangeboden. Op verzoek van de werkgever is geen inactiviteitsregeling overeengekomen, doch is de arbeidsovereenkomst beëindigd met ingang van 1 juli 2009.

Uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst met zijn voormalig werkgever bedraagt zijn inkomen circa € 90.000,- bruto per jaar tot zijn 65e levensjaar, zonder pensioenopbouw.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man met ingang van 8 april 2009 een bedrag van € 750,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud en dat de alimentatieverplichting met ingang van 8 april 2010 zal worden beëindigd.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man:

? primair: te bepalen dat de door hem aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud met ingang van de indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist zal achten, is beëindigd;

? subsidiair: te bepalen dat hij nog drie jaar een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw verschuldigd is, inhoudende het eerste jaar met ingang van 1 september 2008 een bedrag van € 1.000,- bruto per maand, het tweede jaar een bedrag van € 750,- bruto per maand en het derde jaar een bedrag van € 500,- bruto per maand, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist zal achten.

in principaal hoger beroep:

3.2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en – naar het hof begrijpt – het inleidend verzoek van de man alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

3.3. De man verzoekt het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren.

in incidenteel hoger beroep:

3.4. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door hem verschuldigde uitkering tot levensonderhoud met ingang van 9 oktober 2008, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten, te beëindigen.

3.5. De vrouw verzoekt het incidenteel hoger beroep van de man af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

in principaal en in incidenteel hoger beroep

4.1. De grieven in principaal en in incidenteel hoger beroep lenen zich, gelet op hun onderlinge samenhang, voor gezamenlijke bespreking.

4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw al dan niet dient te eindigen, nu vast staat dat de onderhoudsverplichting vóór 1 juli 1994, te weten op 6 november 1991, is aangevangen en de man ten tijde van zijn inleidend verzoekschrift (9 oktober 2008) langer dan vijftien jaar aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw heeft voldaan.

De vrouw stelt dat beëindiging van de alimentatie van haar niet kan worden gevergd. Met het inkomen dat zij sinds begin 2009 verdient is zij niet in staat haar vaste lasten te betalen en in haar dagelijks levensonderhoud te voorzien. Zij heeft geen vast inkomen en haar kans op werk is, gelet op haar leeftijd en haar slechte gezondheid in combinatie met de economische recessie, afgenomen, aldus de vrouw.

De man heeft het standpunt van de vrouw gemotiveerd bestreden en aangevoerd dat de vrouw zich in de jaren 2006 tot en met 2008 in staat heeft getoond inkomen te genereren waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien, en dat ervan mag worden uitgegaan dat zij zich thans een gelijk inkomen kan verwerven. Daarnaast heeft de man aangevoerd dat de vrouw kan interen op vermogen dat resteert uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en uit een ontvangen erfenis.

4.3. De draagkracht van de man is ook in hoger beroep niet in geschil.

4.4. De vrouw beschikt thans over het volgende inkomen per maand:

• € 1.439,- bruto in verband met de door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud;

• € 790,- bruto uit arbeid;

Gezien de hoogte van dit inkomen heeft beëindiging van de door de man te betalen uitkering een ingrijpende inkomensachteruitgang voor haar tot gevolg. Ter beoordeling ligt voor de vraag of beëindiging van de uitkering van zodanig ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Ter beantwoording van deze vraag dienen alle relevante omstandigheden van het geval, zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw, in aanmerking genomen te worden en in onderling verband te worden gewogen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.5. Partijen zijn dertien jaar gehuwd geweest. De vrouw was ten tijde van de echtscheiding 41 jaar oud en de kinderen waren toen 7 en 8 jaar oud. Niet in geschil is dat tijdens het huwelijk sprake was van een traditionele rolverdeling. Gedurende het huwelijk en na de echtscheiding heeft de vrouw af en toe vrijwilligerswerk verricht. In de periode van 1996 tot 1997 heeft zij een jaar gewerkt bij het Revalidatie Instituut Amsterdam als emancipatiemedewerkster. Daarna heeft zij een aantal jaren geen betaalde werkzaamheden verricht. De kinderen van partijen zijn na de echtscheiding bij de vrouw gaan wonen. Begin 2000 zijn zij bij de man gaan wonen; de vrouw is toen via een uitzendbureau betaald werk gaan verrichten. De vrouw stelt dat zij in verband met haar slechte gezondheid geen vaste aanstelling heeft kunnen krijgen.

4.6. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het hof, anders dan de man stelt, voldoende aannemelijk geworden dat het huwelijk van partijen de verdiencapaciteit van de vrouw gedurende een bepaalde periode negatief heeft beïnvloed, mede gelet op haar leeftijd en opleidingsniveau, maar dat die invloed is verbleekt in de loop van jaren. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de kinderen van partijen in 2000 bij de man zijn gaan wonen, waarna de vrouw haar verdiencapaciteit volledig kon benutten. De vrouw heeft in de jaren 2006 tot en met 2008 een inkomen uit arbeid gegenereerd van gemiddeld € 26.365,- per jaar, terwijl vaststaat dat zij daarmee in haar levensonderhoud kon voorzien (rechtsoverweging 4.6 van de bestreden beschikking, laatste zin, waartegen de grief van de vrouw niet is gericht, zoals ook blijkt uit haar appelschrift, pagina 2, tweede alinea), zulks terwijl zij in die periode ook alimentatie ontving.

Beoordeeld dient te worden of de vrouw in staat moet worden geacht zich het inkomen van gemiddeld € 26.365,- ook na 2008 te verwerven. De vrouw heeft ter ondersteuning van haar stelling dat zulks niet het geval is, een arbeidsovereenkomst overgelegd, die zij op 17 maart 2009 is aangegaan met Stichting [naam Stichting], en een uitzendovereenkomst die zij op

14 oktober 2008 met [naam bedrijf] BV heeft gesloten. Verder heeft zij een brief overgelegd van de huisarts, gedateerd 12 mei 2009.

Het hof is van oordeel dat deze stukken de stelling van de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, niet voldoende onderbouwen. Uit de overeenkomsten blijkt niet dat de vrouw niet in staat is meer uren te werken dan zij in de periode waarop de overeenkomsten betrekking hebben, heeft gedaan. De omstandigheid dat de genoemde arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar is aangegaan en dat de andere overeenkomst een uitzendovereenkomst betreft, zijn niet toereikend, nu de vrouw het inkomen in de jaren 2006 tot en met 2008 evenmin op basis van een vaste aanstelling heeft gegenereerd. De stelling van de vrouw dat haar gezondheidstoestand in die jaren aan een vaste aanstelling in de weg stond, is door de vrouw niet met stukken gestaafd. Ten aanzien van de overgelegde verklaring van de huisarts overweegt het hof dat deze in die hoedanigheid niet gekwalificeerd is een uitspraak te doen over de arbeidscapaciteit van de vrouw. De verklaring is voorts met betrekking tot de gezondheidstoestand van de vrouw te vaag om daaraan overwegende betekenis toe te kennen.

4.7. Het voorgaande kan tot geen andere conclusie leiden dan dat de vrouw ook na 2008 in staat moet worden geacht zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Haar huidige leeftijd doet daaraan niet af. Dat zij na dat jaar feitelijk aanzienlijk minder inkomen genereert, komt derhalve voor haar rekening, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden. Het hof is van oordeel dat er, gelet op het hiervoor overwogene, alsmede het feit dat de man de vrouw ten tijde van het inleidend verzoekschrift nagenoeg zeventien jaar alimentatie heeft betaald terwijl het huwelijk van partijen dertien jaar heeft geduurd en de kinderen sedert 2000 bij de man woonden, onvoldoende grond is voor het oordeel dat beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

4.8. De onderhoudsverplichting van de man dient dan ook te worden beëindigd. Die beëindiging dient, zoals door de man in eerste aanleg en in incidenteel appel verzocht, met ingang van 9 oktober 2008 plaats te vinden, nu de vrouw vanaf die datum daarmee rekening heeft kunnen en moeten houden. Voor beëindiging met ingang van een (veel) later tijdstip, zoals de rechtbank heeft gedaan, bestaat daarom geen grond.

4.9. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in principaal en in incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende,

beëindigt de alimentatieverplichting van de man met ingang van 9 oktober 2008;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, A.L. Diender en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van

mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2010.