Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9416

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
08-00372
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en zijn echtgenote bewonen de aan hen op 1 oktober 1990 geleverde eigen woning. Eveneens op 1 oktober 1990 is voor f 1.000.000 hypotheek op voormelde woning verleend aan een bank. Per 16 december 1992 waren aan belanghebbende hypotheekbedragen van in totaal € 431.091,21 (f 950.000) uitbetaald, tevens saldo per 31 december 2003. In 2004 sloot belanghebbende voormelde bank een overeenkomst van geldlening ten bedrage van € 181.000. Belanghebbende dit bedrag aangewend voor de aankoop van beleggingen. De in 2004 daarover betaalde rente is door de inspecteur niet in aftrek aanvaard.

Het Hof acht de rente niet aftrekbaar. De periode tussen 1992 en 2004 is te lang om te kunnen oordelen dat belanghebbende in 1992 al het oogmerk zou hebben gehad de door hem in 1992 met eigen middelen betaalde uitgaven voor de eigen woning, alsnog met geleend geld te financieren. Bovendien heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij het geleende geld heeft besteed om beleggingen te kopen, dus niet voor verbetering of onderhoud van de eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0860
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P 08/00372

25 maart 2010

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/3388 van 31 maart 2008 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noordkantoor Alkmaar,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 2 juni 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.201 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.966. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 11 mei 2007 heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.201 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.764.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 31 maart 2008 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 7 april 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 10 februari 2010 stukken aan het Hof gezonden. Bij brief van 15 februari 2010 heeft het Hof belanghebbende diens brief retour gezonden met de vermelding dat de onderhavige stukken al tot de gedingstukken behoren en dat het Hof geen aanleiding ziet het onderzoek te heropenen.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote bewonen een eigen woning aan de A-straat 0 te Z. Deze woning is aan hen overgedragen op 1 oktober 1990. Eveneens op 1 oktober 1990 verleenden belanghebbende en zijn echtgenote tot een bedrag van f 1.000.000, met rente en kosten begroot op f 300.000, in totaal f 1.300.000, aan de B-bank N.V. (hierna: ook B-bank) hypotheek op voormelde woning.

De hypotheek werd verleend tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen belanghebbende en zijn echtgenote aan de bank op 1 oktober 1990 of te eniger tijd verschuldigd blijken te zijn.

2.2. Tot de gedingstukken behoren twee afrekennota’s van B-bank met datum 3 februari 1993. Hierop is vermeld dat per 16 december 1992 aan belanghebbende hypotheekbedragen van respectievelijk f 550.000 (€ 249.579,12) en f 400.000 (€ 181.512,09) zijn uitbetaald.

2.3. Op 31 december 2003 luidden de saldi van de hiervoor vermelde leningen respectievelijk € 249.579,12 (leningdeel nr. 001) en € 181.512,09, (leningdeel nr. 002) in totaal € 431.091,21. In 2004 sloot belanghebbende met de B-bank een overeenkomst van geldlening ten bedrage van € 181.000, aangeduid als leningdeel nr. 505.

2.4. Belanghebbende heeft het hiervoor onder 2.3. bedoelde bedrag van € 181.000 aangewend voor de aankoop van beleggingen.

2.5. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar onder meer een bedrag van € 3.101, zijnde rente en kosten betaald op leningdeel nr. 505. Bij het vaststellen van de aanslag is de lening met nr. 505 niet aangemerkt als eigen woningschuld.

2.6. Tot de gedingstukken behoort een verslag van een hoorgesprek, dat heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. In dit verslag is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘U heeft in het hoorgesprek om toezegging voor aftrek hypotheekrente en verhoging eigen woningschuld gevraagd mocht u in het bezit kunnen komen van bovenvermelde bewijsstukken. Ondergetekende heeft u in het hoorgesprek geen toezeggingen gedaan op dit punt. Ook heeft u de vraag gesteld of acceptatie in voorgaande jaren wel had plaats gevonden mits u bewijsstukken van verbouwing/verbetering had gevoegd bij desbetreffende aangiften. Ook hier heb ik u geen toezegging over gedaan.’

2.7. In een reactie op het hoorverslag heeft belanghebbende een schriftelijke reactie gezonden aan de aanwezigen bij het hoorverslag, C, D en E, allen medewerkers van de belastingdienst. Hierin is vermeld:

‘Het verslag is een goede weergave van het gesprek, zij het dat bij * de opstelling van het gesprek iets minder formeel en afhoudend was dan in het verslag is weergegeven. Per saldo gaat en ging het er om dat ik de bewijsstukken niet ga verzamelen en alsnog opvragen als er geen goede kans is dat u over het eerste bezwaar uwerzijds (oogmerkvereiste) heen stapt. Het zou dan werk voor niets zijn, zo concludeerden alle aanwezigen.’

Het teken ‘*’ verwijst onder meer naar het hiervoor onder 2.6 opgenomen deel van het hoorverslag.

2.8. In een brief met datum 31 december 2009 is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting van 9 februari 2010. In deze brief is vermeld:

‘U kunt getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit oproepen, mits u daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan het gerechtshof en aan de andere partij(en) mededeling hebt gedaan, met vermelding van hun namen en woonplaatsen.’

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

‘4.2. Een geldlening kan als eigen woningschuld worden aangemerkt als de lening is aangegaan met het oogmerk van verwerving, verbete¬ring of onder¬houd van de eigen woning. Daar eiser (Hof: belanghebbende) een beroep doet op de aftrek van door hem opgevoerde kosten, rust op hem de bewijslast van de aftrekbaarheid daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Eiser heeft geen schriftelijke bewijsstukken overgelegd dat de geldlening van € 181.000 in 2004 is aangegaan in verband met de kosten van het verwerven, onderhouden en/of verbeteren van de eigen woning in 1990 en evenmin dat die kosten met die lening zijn voldaan. De rechtbank neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat ook eiser zelf ter zitting heeft aangegeven dat de relatie tussen de verbouwing in 1990 en het (kennelijk daarvoor) geleende geld in 2004 nauwelijks meer waarneembaar is.

4.3. Uit de zich in het dossier bevindende stukken is de rechtbank niet gebleken van uit¬latingen van verweerder (Hof: de inspecteur) waaraan eiser het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat de rente op de geldlening in aftrek zou worden toegelaten. Zo blijkt uit het door eiser geaccordeerde verslag van het hoorgesprek van 20 maart 2007 niet dat verweerder in dat kader een toezegging heeft gedaan, maar dat hij slechts heeft aangegeven dat hij de door eiser alsnog over te leggen schriftelijke bewijsstukken zal beoordelen. Eiser heeft vervolgens deze bescheiden echter niet overgelegd.

Het beroep op schending van het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen.

4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de geldlening van € 181.000 niet kan worden aangemerkt als een schuld van de eigen woning en dat verweerder de ter zake van de geldlening betaalde rentekosten terecht niet in aftrek heeft toegelaten.’

4. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of het door belanghebbende in 2004 geleende bedrag van € 181.000 kan worden aangemerkt als eigenwoningschuld zodat de in verband met deze lening betaalde rente en kosten ten bedrage van € 3.101 aftrekbare kosten zijn met betrekking tot de eigen woning.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1.1. Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift de vraag gesteld of het horen onder ede van medewerkers van de belastingdienst die bij het hoorgesprek aanwezig waren een optie is.

6.1.2. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende de door hem bedoelde medewerkers niet heeft gevraagd om ter zitting als getuigen te verschijnen, terwijl hem in de brief van het Hof van 31 december 2009 daartoe wel de mogelijkheid is geboden.

Het Hof ziet geen reden om medewerkers van de belastingdienst als getuigen op te roepen dan wel om belanghebbende alsnog in de gelegenheid te stellen om hen als getuigen op te roepen. In het hoorverslag is immers uitdrukkelijk vermeld dat aan belanghebbende geen toezeggingen zijn gedaan voor het geval belanghebbende in het bezit zou kunnen komen van bewijsstukken voor verbouwing of verbetering van de eigen woning. In de reactie op dit verslag heeft belanghebbende zelf verklaard dat het een goede weergave is van het verslag en dat het verzamelen van bewijsstukken onnodig werk zou zijn als de inspecteur niet over het oogmerkvereiste heen stapt. De stelling van belanghebbende dat hij na het hoorgesprek in de veronderstelling verkeerde dat hij zou kunnen aantonen dat door hem bestedingen zijn gedaan in verband met de eigen woning en dat in dit gesprek het vertrouwen is gewekt dat het geleende bedrag als eigenwoningschuld zou worden aangemerkt, kan gelet op het voorgaande niet worden gevolgd. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende aan het hoorgesprek de door hem getrokken conclusie niet heeft kunnen verbinden. Van een toezegging die door de inspecteur zou zijn gedaan en waarop belanghebbende zou mogen vertrouwen, is mede gelet op de schriftelijke weergave van het hoorgesprek, die door belanghebbende is bevestigd, geen sprake.

6.2. In hoger beroep stelt belanghebbende dat in de uitspraak van de rechtbank in punt 4.3. ten onrechte is vermeld dat bepaalde bescheiden niet zijn overgelegd. De inspecteur heeft echter diverse malen aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat de besteding van het in 2004 opgenomen hypotheekbedrag diende te worden onderbouwd met behulp van schriftelijke bewijsstukken van betalingen voor verbetering of onderhoud van de eigen woning in of omstreeks 2004. Tot de gedingstukken behoren geen kopieën van facturen of andere schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat belanghebbende in of omstreeks 2004 uitgaven heeft gedaan voor verbetering of onderhoud van de eigen woning. Deze stelling van belanghebbende mist daarom feitelijke grondslag.

6.3.1. Belanghebbende neemt het standpunt in dat hij in 1990 ten tijde van de aankoop aan zijn eigen woning veel meer financiële middelen heeft besteed dan hij destijds heeft geleend bij zijn bank. Belanghebbende vindt daarom dat er geen onderscheid mag zijn tussen de situatie waarin hij in 1990 alle uitgaven met geleend geld zou hebben betaald en de situatie zoals deze zich nu voordoet, waarbij hij in 2004 alsnog een deel van de geldlening

opneemt, waarvoor de mogelijkheid in 1990 in de overeenkomst met de bank is opgenomen.

6.3.2. Het Hof is van oordeel dat de stelling van belanghebbende dat hij ook in 1990 het bedrag van € 181.000 had kunnen opnemen en had kunnen besteden aan de eigen woning, niet slaagt. De omstandigheid dat belanghebbende destijds een deel van de uitgaven voor de eigen woning heeft betaald uit eigen middelen, brengt niet mee dat hij toen al het oogmerk zou hebben gehad om deze uitgaven alsnog met geleend geld te financieren. Daarvoor is de periode tussen 1992 en het lenen van het bedrag van € 181.000 in 2004 veel te lang. Het feit dat de mogelijkheid om een hoger bedrag te lenen in 1990 al in de overeenkomst met de bank was opgenomen, is evenmin doorslaggevend. Een en ander heeft namelijk geen betekenis voor het oogmerk dat hij in 2004 had om het bedrag van € 181.000 te lenen. Ter zitting heeft belanghebbende bovendien verklaard dat hij het geleende geld heeft besteed om beleggingen te kopen. Daarmee staat naar het oordeel van het Hof vast dat belanghebbende het in 2004 geleende bedrag niet heeft besteed voor verbetering of onderhoud van zijn eigen woning. De rente en kosten die hij voor dit bedrag in 2004 heeft betaald, zijn daarom niet aftrekbaar als kosten betaald voor een eigenwoningschuld.

Slotsom

6.4. De slotsom is dat de inspecteur terecht heeft geweigerd om het bedrag van € 3.101 aan rente en kosten als kosten voor een eigenwoningschuld in aftrek toe te laten. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, A.P.M van Rijn en P. Fortuin, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 25 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.