Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9005

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
200.022.498-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geslachtsnaamwijziging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 2 februari 2010 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.022.498/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. drs. L. Roumen te ‘s-Gravenhage,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.G. Coutinho te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de vader genoemd.

1.2. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen en overwogen in zijn beschikking van 9 juni 2009. Bij die beschikking heeft het hof de Raad voor de kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad), verzocht een onder¬zoek in te stellen naar de vraag of en, zo ja, in hoeverre de verklaringen van [de minderjarige] voortkomen uit de wens van de moeder en of en, zo ja, in hoeverre [de minderjarige] zich de ingrijpende gevolgen van de geslachtsnaamswijziging realiseert.

1.3. De Raad heeft op 4 augustus 2009 rapport uitgebracht.

1.4. De moeder heeft op 23 september 2009 schriftelijk gereageerd op bovenvermeld raadsrapport. Als bijlage bij haar reactie heeft zij een verslag overgelegd van drs G.H. Balm, GZ-psycholoog, opgemaakt op 19 september 2009, naar aanleiding van een psychologisch onderzoek van [de minderjarige].

1.5. De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 14 december 2009.

1.6. Ter zitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw F. Huizinga, vertegenwoordiger van de Raad.

1.7. [de minderjarige] is ter zitting gehoord in aanwezigheid van de Raad.

2. Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1. Het hof staat voor de beantwoording van de vraag of het verzoek van de moeder in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] tot het verlenen van vervangende toestemming voor het indienen van een verzoek om wijziging van diens geslachtsnaam in die van haar door de rechtbank terecht is afgewezen.

2.2. De Raad concludeert uit het door hem verrichte dossieronderzoek, dat er tussen partijen sinds jaren een strijd gevoerd wordt. [de minderjarige] is daar het slachtoffer van. In de brieven van [de minderjarige] aan de rechtbank komt naar voren dat hij zijn naam wil veranderen en dat dat uitdrukkelijk zijn eigen wens is. De Raad betwijfelt echter zeer in hoeverre hij tijdens zijn opgroeien ruimte en gelegenheid heeft gekregen om zich hierover een eigen mening te vormen. De Raad acht het zeer aannemelijk dat de verklaring van [de minderjarige] voortkomt uit een reeds lang bestaande wens van de moeder.

[de minderjarige] zelf is door de Raad niet gehoord.

2.3. Ter zitting heeft [de minderjarige] volhard in zijn wens om de achternaam van zijn moeder te dragen en nogmaals naar voren gebracht, dat hij de naam van zijn moeder mooier vindt dan de zijne en dat haar naam al jaren voor hem wordt gebruikt. Verder deelde hij het hof mede, dat hij zich meer met zijn moeder verwant voelt dan met zijn vader.

2.4. Het hof is van oordeel, dat hetgeen [de minderjarige] naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van zijn wens tot achternaamswijziging onvoldoende is om een zo ingrijpende verandering te ondersteunen. Dat [de minderjarige] zich meer verwant voelt met zijn moeder dan met zijn vader, vormt evenmin voldoende ondersteuning, nu [de minderjarige] ter zitting te kennen heeft gegeven dat de verstandhouding tussen hem en zijn vader goed is en hij het contact met hem als prettig ervaart. Gezien die goede verstandhouding is het hof, in navolging van de Raad, van oordeel dat het voor de verdere ontwikkeling van [de minderjarige] van belang is dat hij zich via zijn geslachtsnaam met zijn vader kan (blijven) identificeren. Verder is onvoldoende komen vast te staan dat [de minderjarige] zich de consequenties van een naamswijziging volledig realiseert.

2.5. De uitkomsten van het door de moeder geëntameerde psychologische onderzoek van [de minderjarige] worden door het hof gepasseerd, nu de vader niet bij dat onderzoek is betrokken, hetgeen in het onderhavige geval alleszins voor de hand had gelegen.

Voorts hecht het hof belang aan het feit, dat [de minderjarige] uitsluitend in aanwezigheid van de moeder door de psycholoog is gehoord.

2.6. Gebleken is dat in het verleden tussen partijen sprake is geweest van heftige ruzies. Ter zitting bleek de relatie tussen partijen (nog immer) uiterst gespannen te zijn. Het hof volgt de Raad in zijn advies, dat gelet op de heftige nog steeds voortdurende strijd tussen de ouders het voor [de minderjarige] zeer gecompliceerd is om te komen tot een “eigen keuze” over de naamswijziging en daarbij de verstrekkende gevolgen daarvan nu of in de toekomst op een evenwichtige wijze in te schatten.

2.7. Samenvattend is het hof op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat het de uitdrukkelijke wens van [de minderjarige] zelf is om zijn geslachtsnaam te wijzigen in die van zijn moeder.

Dit brengt met zich dat de beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, A.L. Diender en E. Gras in tegenwoordigheid van

mr. K.W. van Mourik als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2010.